Bogerman en de Statenvertaling.
Onze Statenvertaling staat al geruimen tijd in het centrum der belangstelling. Uit de verschillende berichten, die de Hoofdredacteur de laatste maanden heeft doorgegeven, is dat wel gebleken, terwijl ook de dagbladen zich niet onbetuigd hebben gelaten. Om nog maar niet te spreken van het keurige gedenkboek, dat door het Nederlandsch Bijbelgenootschap is uitgegeven. Hierbij komt nog de belangrijke tentoonstelling, die, ter gelegenheid van het driehonderd-jarig bestaan van onzen Statenbijbel, te Amsterdam georganiseerd is. Er zou nog meer te noemen zijn, waaruit de hernieuwde belangstelling voor deze uitgave van „het Boek der boeken" blijken kan. Het ware niet moeilijk, een heel artikel met gegevens te vullen. Dit te doen, ligt echter niet in onze bedoeling.
Waar inmiddels wel is komen vast te staan, dat de gansche geschiedenis van de totstandkoming der Statenvertaling in enkele artikelen niet is weer te geven en er aan beknopte overzichten geen behoefte meer is, willen wij in dit artikel eens bij zonderlijk nagaan, welk een voorname rol met name Bogerman in dit werk vervuld heeft.
Wij doen dit om twee redenen.
Ten eerste is het een onmiskenbaar feit, dat Bogerman méér verricht heeft dan anderen, welke bewering niets van de verdiensten der overige vertalers bedoelt af te doen. Wij constateeren eenvoudig een feit. Daarom achten wij het niet verkeerd, Bogerman's aandeel in het groote en grootsche werk van deze Bijbelvertaling eens in een afzonderlijk artikel te bespreken.
De tweede reden is gelegen in het feit, dat 't in dit gedenkjaar der Statenvertaling juist driehonderd jaar geleden is, dat Bogerman gestorven is. De plechtige aanbieding van het eerste exemplaar aan de Staten-Generaal, die op 17 September 1637 plaats had, heeft hij niet mogen meemaken. Want op den11den September van datzelfde jaar is hij overleden. Al staat vast, dat Bogerman's arbeid alleen maar in zooverre wezenlijke beteekenis heeft, voor zoover het mag medewerken tot de bevordering van Gods Koninkrijk, toch is deze bijzonderheid tragisch, wanneer wij haar van uit menschelijk gezichtspunt beschouwen.
Op de figuur en het leven van Bogerman hopen wij breedvoeriger terug te komen in de nummers van dit blad, die D.v. 2 en 9 September verschijnen zullen.
Op grond van den roep, die van Bogerman als bekwaam theoloog uitging, had de Synode van Dordrecht hem als haar voorzitter gekozen, hetgeen inderdaad een onderscheiding was, wanneer wij letten op het groote aantal geleerde mannen, dat in haar midden gevonden werd.
Nadat in enkele zittingen verschillende voorbereidende werkzaamheden waren verricht, kwam op 19 November 1618 de kwestie der nieuwe Bijbelvertaling aan de orde. Eigenlijk vingen nu eerst de officieele beraadslagingen aan. Deze zitting werd door Bogerman met een plechtig gebed geopend.
Over het in deze samenkomst door Boger man uitgesproken gebed is veel geschreven. Wij willen er een en ander over mededeelen.
Naast een algemeen deel van dit gebed, dat betrekking zou hebben op alle werkzaamheden van de Synode tezamen, ziet wijlen ds. J. C. Rullmann een gedeelte, dat hem speciaal aan de zaak der Bijbelvertaling gewijd schijnt
³) Deze meening betreft de volgende passage: „O Heere ! wij zijn Uwe knechten, tot dit Uw werk van U geroepen, in Uwen Naam samengekomen. Van U alleen hangen wij in dezen onzen arbeid geheel af. Zult Gij zooveel gemoederen, die op U betrouwen, die tot U opzien, die Uw bijstand in Uw zaak inroepen, teleurstellen ? verlaten ? Dat zult Gij niet doen, o Heere ! Het tegendeel leert ons Uw Woord en de Geest der aanneming tot kinderen en des geloofs, dien Gij ons geschonken hebt. En indien Gij ons ook al niet aanzaagt (maar dat zij verre) zult Gij dan toch. niet aanzien de kudde Uwer weide, om wier wille wij hier zijn samengekomen ? En ofschoon wij in onszelven tot alle deze dingen enkel duisternis zijn, ja de volstrekte onbekwaamheid zelve, om iets goeds of heilzaams te denken, te willen, te volbrengen, zoo wijs Gij ons, o Heere ! in dezen moeilijken maar hemelschen arbeid den weg, dien wij veilig mogen intreden, waarop wij recht mogen voortgaan en langs welken wij het werk 'gelukkig en met een zuivere consciëntie mogen uitvoeren. Geef ons, die in den Naam Uws Zoons vergaderd zijn. Uw Geest naar Uw beloftenis ; den Geest der Waarheid, der wijsheid, der voorzienigheid, der bescheidenheid, des vredes en der liefde, als Leidsman en Leeraar. Open de oogen van ons verstand, ontsteek in ons gemoed den fakkel Uwer zaligmakende kennisse, en leid ons in Uw Waarheid, opdat wij mogen aanschouwen de wonderen Uwer Wet." Wij leggen dit gedeelte van Bogerman's gebed hier in het licht van ds. Rullmann's onderstelling den lezer voor, doch wij voor ons achten, dat de gansche inhoud even goed betrekking hebben kan op ar de werkzaamheden van de Synode tezamen. Wij zien niet in, waarom deze passage bijzonderlijk over het werk der Bijbelvertaling spreken zou.
Algemeen is dit gebed om zijn schoonheid en vromen zin geprezen. Bogerman's levensbeschrijver zegt er van : „Ieder, die ze met onbevooroordeelden zin leest, zal moeten toestemmen, dat het geene woorden waren, met de lippen alleen gesproken en waarvan het hart verre was". *) Wanneer men zoo over dit gebed oordeelt, en wij gelooven, dat dit oordeel juist is, dan achten wij het een miskenning van zijn wezenlijk karakter, wanneer een andere meening luidt : „Hoezeer ik gaarne geloof, dat het gebed met Bogerman's zienswijze en zelfs met zijn vromen zin overeenstemde, is het in onze dagen wel wat hard, Gods hulp ter bescherming van Zijne zaak te hooren afvorderen". ^) Deze uitspraak lijkt ons inderdaad een miskenning van den ernst en de oprechtheid, waarmede het gebed werd opgezonden tot den troon der genade. Al zullen wij nimmer het pleit voeren voor familiariteiten in het gebed, die ook in onzen tijd, juist in de „vroomste" kringen, waar God veelal nog aangesproken wordt met „jij" en „jouw", nog voorkomen, vast staat, dat een vastberaden toon in het gebed niet altoos mag worden afgekeurd. God gebiedt Zijn zegen over eigen werk. De ware bedienaar van Zijn Woord mag dus pleiten op en verzekerd zijn van den zegen, dien God altijd over Zijn eigen werk gebiedt, ook al wordt die zegen door ons menschen niet steeds gezien of verstaan. Kennende de theologische visie en de ware Godsvrucht van de mannen, die te Dordrecht vergaderd waren, mogen wij den waren aard van het door Bogerman uitgesproken gebed niet misduiden. Het getuigt van een zekerheid, die een roeping van Godswege met zich behoort te brengen, en die in onzen dag maar al te weinig gevonden wordt.
In een inleidende rede zette Bogerman den stand der Bijbelvertaling in het algemeen uiteen. Hij wees op Bijbelvertalingen in andere landen en op de gebreken, die de Nederlandsche aankleefde. Ook voerde de praeses als een bezwaar aan, dat onze vertaling niet regelrecht uit den grondtekst geput was, maar uit andere vertalingen was afgeleid. Het was een goed gedocumenteerd betoog, dat Bogerman hield. Ongetwijfeld legde het getuigenis af van zijn bekwaamheden. Aangezien wij ons voorstellen, alleen te spreken over de rol, die Bogerman vervuld heeft in de totstandkoming van onze Statenvertaling, laten wij een overzicht van de gevoerde debatten achterwege.
Uit de discussie blijkt echter zeer duidelijk Bogerman's overwicht. Hij liet zich in de bespreking niet leiden, doch gaf leiding. Waarmede we niet zeggen willen, dat zijn oordeel steeds het juiste geweest is. Enkele voorbeelden, waaruit blijkt, dat Bogerman voor zijn opvattingen een meerderheid wist te vinden, willen we geven.
Toen het ging over de vraag, of de Apocryphe boeken ook Vertaald en aan den Canon zouden worden toegevoegd, openbaarde Gomarus zich als een zeer sterk tegenstander daarvan. Hij achtte opneming ten eenenmale in strijd met het karakter der Heilige Schrift. Wijl zij niet behooren tot het organisme der Heilige Schrift, behoorden deze boeken, volgens Gomarus, als zijnde verdichte fabelen, niet te worden opgenomen. Wij voor ons onderschrijven dit oordeel ten volle, zoodat het te betreuren valt, dat men toch tot opneming in den Bijbel overgegaan is. Onrechtvaardig zou het zijn, dit feit alleen Bogerman toe te dichten, want Gomarus had slechts weinig medestanders. Maar niet kan worden ontkend, dat Bogerman een verzoening heeft weten te bewerken, waardoor de principieele kwestie, die de zaak ongetwijfeld had, op den achtergrond kwam te staan.
Ook bij de vraagpunten, of God in de Nederlandsche taal met „du" of met „ghy" moest worden aangesproken, en of de naam „Jehova" moest behouden blijven, heeft Bogerman's opvatting het gewonnen.
Bij de benoeming der vertalers werd Bogerman o.a. gekozen als vertaler van het Oude Testament.
Door allerlei oorzaken werd de hand niet spoedig aan het werk geslagen, zoodat de hoop, in vier jaren met de nieuwe Bijbelvertaling gereed te zijn, weldra als rook vervloog. Doch op 23 Mei 1625 kwamen de vertalers dan toch eindelijk te 's-Gravenhage bijeen. En onder hen was ook Bogerman.
Om zich geheel aan het werk der Bijbelvertaling te kunnen wijden, vroeg Bogerman als predikant van Leeuwarden ontslag, waarna hij in November 1625 te Leiden, de stad, waar het werk verricht zou worden, aankwam. De vertalers kozen Bogerman als hun voorzitter, wederom een bewijs van het gezag en vertrouwen, dat hij had.
Wanneer men de verschillende gegevens bestudeert, krijgt men den indruk, dat Bogerman zeker niet het kleinste deel van het reusachtige werk, dat aan de vertaling verbonden was, voor zijn rekening genomen heeft. Nadat op 7 Augustus 1631 Bucerus gestorven was, juist toen hij met de vertaling van het boek Ezechiël bezig was, heeft Bogerman zijn taak voortgezet. Er is een brief van Bogerman gevonden, waaruit dit blijkt. Bedoelde brief luidt aldus : „De heer Bucerus heeft het zwaarste van zijn gedeelte achtergelaten, hetwelk ik buiten de vergadering bij dag en nacht heb afgedaan, laten drukken en in revisie gebracht, brengende ondertusschen evenwel mijnen gewonen arbeid in de vergadering. En van dien zwaren arbeid, dien ik in Ezechiël heb gedaan, — opnemende gansch Ezechiël van voren af aan, en van het 20ste hoofdstuk af alles tot aan het einde overzettende, en met argumenten des boeks, der kapittelen, en noten op den tekst alles behoorlijk voorziende, — heb ik nooit eenige belooning ontvangen". Ook in de bewerking van de kleine profeten schijnt Bogerman het grootste aandeel gehad te hebben, wat valt op te maken uit wat Gomarus hem schreef : „Hoe aangenaam mij uw brief was, hebben mijne bedienden genoeg gemerkt, daar ik bijna van vreugde danste, toen ik de zes kleine profeten, door u in orde gebracht, ontving. Ik heb God zeer gedankt voor het volbrachte werk en voor uwe gezondheid, daartoe van den hemel gesterkt. Mijne vreugde is nog vermeerd, bij het ontvangen van de overige zes, waaraan goede arbeid besteed is". Het door Bogerman gepresteerde moet dan ook wel van de grootste beteekenis geweest zijn, wanneer Gomarus er zich op deze uitbundige wijze over uitlaat. Hoeveel Bogerman van het Oude Testament precies vertaald heeft, is niet bekend, maar vast staat, dat het een zeer groot gedeelte is ; men neemt aan, het grootste gedeelte. Temeer moeten wij ons hierover verbazen, wanneer wij weten, dat Bogerman's gezondheid maar zwak was. Doch zijn veelal in de historie de belangrijkste werken niet door zwakke krachten tot stand gekomen ? Want wie uit eigen ervaring eenigszins op de hoogte is van de zwarigheden, die zich bij het werk der vertaling voordoen, die ziet met diepen eerbied op naar hetgeen door de Slalenverlalers in hel algemeen, en door Bogerman in het bijzonder verricht is. Temeer waar de hulpmiddelen voor dien arbeid drie eeuwen geleden heel wat minder talrijk waren, dan in onze dagen het geval is. Toch heeft ook Bogerman de middelen, die hem ten dienste stonden, naarstig benut, wat blijkt uit het feit, dat hij alle bestaande vertalingen raadpleegde, wanneer hij voor een bijzonder lastige kwestie kwam te zitten. Toch vertaalde hij, na van allerlei gegevens te hebben kennis genomen, met oordeel en zelfstandigheid.
Ten slotte een enkel woord over de vergoeding, die Bogerman voor zijn werk heeft gekregen. Over het algemeen was door de Staten vastgesteld, dat elke vertaler, boven zijn gewone tractement, een jaarwedde genieten zou van f 600.—. Dit bedrag werd vermeerderd met f 300.— voor huishuur en f 200. — voor een afschrijver. Bovendien ontving men vuur, licht en boeken apart betaald. Onder deze algemeene voorwaarden viel dus ook Bogerman. Daar de bepalingen van terugwerkende kracht waren, kreeg Bogerman terstond f 1100.—, benevens f 57.— voor aangekochte boeken. Nadat het geheele werk voltooid was, hebben de Staten aan elk der vertalers f 150.— geschonken, terwijl Bogerman toen als extra-toelage nog f 500.— ontving. Onze indruk is, dat de Staten in het honoreeren toch niet al te karig zijn geweest, al hebben de vertalers veel moeilijk en zwaar werk moeten verrichten.
Wij besluiten dit artikel met te vermelden, dat het op den dag, waarop dit nummer van „De Waarheidsvriend" verschijnt, precies 100 jaar geleden is, dat de acte van authorisatie definitief werd vastgesteld. Het deel der resolutiën van de Staten-Generaal, waarin dat, de Statenvertaling betreffend, staat opgeteekend, was in Amsterdam op de tentoonstelling te zien. Thans bevindt het zich weer in het Algemeen Rijksarchief.
¹) Onder den titel : Bij hel derde eeuwfeest van de Slatenvertaling heeft schrijver dezes een tweetal artikelen gepubliceerd in De Standaard van 26 en 31 Mei.
²) De Statenvertaling 1637—1937. ³) In : De Dordsche Synode van 1618— 1619. Ter gedachtenis na driehonderd jaren, blz. 148. Uitgave van het Geref. Tractaatgen. „Filippus" 1918.
4) H. Edema van der Tuuk, .Johannes Boqerman, (dissertatie), Groningen 1868, blz. 187.
5) B. Glasius, Geschiedenis der Nationale Synode, enz. 2e deel. Leiden 1861, blz. 262. 6) Verschillende gegevens ontleenden wij aan de dissertatie van v. d. Tuuk.
D.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's