MEDITATIE
Wat wilt gij, dat Ik u doen zal ? Marcus 10 vers 51.
't Was maar een arme bedelaar, die daar zat aan den kant van den weg. De menschen gingen dagelijks langs hem heen. Wanneer zij goed gestemd waren, gaven zij hem iets, meestal zagen zij hem niet eens. Het tafereel, dat Marcus ons beschrijft, is levendig en aanschouwelijk. Het is alsof wij hem daar zien zitten aan den weg. Bartiméüs was zijn naam. Weinig personen worden ons in de Evangeliën bij den naam genoemd, des te meer valt het ons dus op als iemands naam genoemd wordt. Het zijn meestal geen klinkende namen, die voor het nageslacht bewaard bleven. Duizenden waren wellicht op dien weg van Jericho naar Jeruzalem verzameld. Daar liepen voorname en aanzienlijke mannen en vrouwen. Schriftgeleerden en Parizeen. Maar van al die mannen en vrouwen wordt niemand anders bij name genoemd, dan die eene arme blinde : Bartiméüs.
Jezus ging op naar Jeruzalem. Men verwacht, dat nu spoedig het oogenblik zal aanbreken, dat Hij zich tot Koning zal laten uitroepen. Dit is dan ook de reden, dat daar zoo'n groote schare met Jezus optrekt.
De blinde aan den weg ziet van dit alles niets, maar zooals alle blinden, is ook hij scherp van gehoor. Hij hoort het geluid van vele stemmen. Steeds hoort hij, hoe voorbijgangers den naam van Jezus van Nazareth noemen. Hij voelt zich diep ongelukkig. Hoe mist hij nu weer het licht zijner oogen. Als hij Hem nu eens een enkele keer mocht ontmoeten. Maar ach, waar denkt hij aan. Hij moet aan den kant van den weg blijven zitten, anders loopt hij gevaar om door den grooten stroom van menschen, die Jezus volgt, onder den voet te worden geloopen.
Het geluid komt steeds dichterbij. Het is heel goed mogelijk, dat dit de tweede keer is dat Jezus voorbij hem komt. De eerste keer, bij het inkomen in Jericho, werd zijn roepen door het rumoer der menigte overstemd en door Jezus niet gehoord. Nu de Heiland wederom Jericho verlaat, krijgt hij weer een kans. Wat moet hij anders doen om de aandacht te trekken-, dan roepen. Een hartverscheurende kreet stijgt op uit de menigte : „Jezus, Gij Zone Davids, ontferm u mijner". Dadelijk schieten vele menschen toe, die hem verbieden om zoo te schreeuwen: Wat moet de Meester er wel van denken. Straks kan hij andere menschen wel weer om een aalmoes vragen, maar nu moet hij even zijn mond houden. Wat dacht hij wel, dat Jezus, die op 't punt staat zich in Jeruzalem tot koning te laten uitroepen, nog door hem wenscht lastig gevallen te worden. Hun bedreigingen hebben echter in 't geheel geen uitwerking, want nog harder klinkt zijn roep : „Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner". Het geroep van Bartiméüs overstemt het rumoer.
Tot ieders groote verbazing blijft de Heiland staan. Daar wordt geroepen, ja, daar roept iemand Hem bij zijn vollen naam. Als Messias, als Zoon van David, nu Hij opgaat naar Jeruzalem, wijst Hij dit niet meer af. Als de Goede Herder hoort Hij het angstig geblaat van het verafgedwaalde schaap. Hij laat den blinde bij zich roepen.
Opeens is de stemming onder de menigte veranderd; zij, die enkele oogenblikken tevoren den blinden Bartiméüs het spreken verboden, zeggen nu tot hem : „Heb goeden moed; sta op ; Hij roept u'. Zij hebben genoeg van Zijn macht gezien om te begrijpen, dat Jezus van plan is iets voor dezen blinde te doen. Juist om Zijn wonderen volgden zij Hem. Zij treffen het dus. Hoe geheel anders was 't echter met Bartiméüs gesteld. Hem dreef de nieuwsgierigheid niet, hem dreef de nood van zijn ziel. Voor hem gaat eindelijk zijn vurig begeerde wensch in vervulling. Hij werpt zijn mantel van zich af, opdat niets hem in zijn gang naar Jezus kan belemmeren.
Ontroerend oogenblik. Jezus, Zone Davids, en vóór Hem een mensch, aan wien zoo duidelijk is te zien, welke de verwoestende kracht van de zonde is. Jezus, de groote Heelmeester, en vóór Hem een kranke, een blinde. Ademloos staat de menigte toe te zien. Rustig klinkt des Heilands vraag : „Wat wilt gij, dat Ik u doen zal ? " Wat kan een bedelaar anders vragen dan een aalmoes. Met giften en gaven moet hij toch voorzien in zijn levensonderhoud. Om een aalmoes is het echter Bartiméüs niet te doen. Hij wist, dat voor hem stond de beloofde Messias. Wat de geestelijke leidslieden van het Joodsche volk in hun verblindheid niet zagen, dat zag hij, hoewel hij het licht zijner oogen miste.
„Wat wilt gij, dat Ik u doen zal ? " Het stormt in de ziel van Bartiméüs. Moet Hij, de Zone Davids, dat nog vragen. Zielsontroerend is zijn vraag : ,, Rabboeni, dat ik ziende mag worden".
De vraag van den Heiland tot Bartiméüs klinkt de eeuwen door. De vraag wordt ook u gesteld, geachte lezer. Maar bedenk, dat de Heere nooit deze vraag gesteld zou hebben, indien Bartiméüs uit louter nieuwsgierigheid tot Hem was gekomen. In zijn eenzaamheid had hij verlangend uitgezien naar de komst van den beloofden Messias. Hij verstond in zijn ellende, dat dit het eigenlijke leven niet kon wezen. Dat dit leven verwoest was door de zonde van den mensch. Maar dat God den mensch toch niet in zijn ellende wilde laten omkomen. Dat eens Hij zou komen, de Zone Davids, die de macht van de zonde zou breken. Zijn leed had Bartiméüs niet verbitterd, maar had hem wel gebracht tot schuldbesef. Waarom verlangde hij, dat de Heiland hem het licht in zijn oogen zou weergeven? Was het, omdat hi[ dan met de andere menschen zich kon te goed doen aan de vermaken van de wereld ? Was het omdat hij zich dan met zijn oogen aan de zonde kon verlustigen? Want o, daar wordt met de oogen zooveel zonde bedreven. Het antwoord moet, neen, luiden. Want als de Heiland met de woorden: ,, Ga heen, uw geloof heeft u behouden", het licht in zijn oogen doet weerkeeren, dan gaat hij niet heen, dan spoedt hij zich niet naar huis, maar dan volgt hij Jezus op den weg en straks zal hij zich ook onder de menigte hebben bevonden, die daar uitriep: „Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den naam des Heeren".
„Wat wilt gij, dat Ik u doen zal ? " Hier spreekt de Heiland als Een, Die alles te zeggen heeft, als machthebbende.
Wat zoudt gij, geachte lezer, willen, dat Jezus u deed ? Het ligt voor de hand, dat gij met de meest uiteenloopende vragen komt aandragen. Wij leven in een tijd, waarin de mensch genoeg dingen weet, die hij zou kunnen vragen. Bedenk echter wel,
Bartiméüs vroeg om geen goud of zilver. En, dat lag toch eigenlijk het meest voor de hand. Hij vroeg om iets, dat van veel meer belang was. Onwrikbaar was zijn geloof in de macht van Jezus. Daarom wordt zijn geloof ook niet beschaamd. Waar Jezus geloof ontmoet, daar kan Hij niet alleen helpen, maar daar wil Hij ook helpen. Daar kan hij stommen sprekende, blinden ziende maken, daar kan Hij zelfs dooden het leven teruggeven.
Geachte lezer, gij kunt den Heere om veel dingen bidden, één ding is 't allernoodigst, daarom vraagt de mensch van nature niet, dat is de vraag van Bartiméüs: „Rabboeni, dat ik ziende mag worden". Wij zijn alle geestelijk blind. Die blindheid kan ons eens noodlottig worden. Jezus vraagt ook nu nog: „Wat wilt gij, dat Ik u doen zal ? " Hij kan u blind laten, d.w.z. Hij kan u voor eeuwig verloren laten gaan. Hij kan u ook de oogen openen, zoodat gij ziet wie gij zelf zijt, opdat gij met al uw zonden tot Hem komt en uitroept : Gena, o God, gena. Ieder wordt voor de keuze gesteld. Niemand gaat ongewaarschuwd verloren.
Weet gij reeds, dat gij blind zijt, en dat gij daarom nooit den weg naar het Vaderhuis zult kunnen vinden ? De Parizeen meenden dat zij zagen, maar zij waren blind. Jezus Christus wil ook nu nog hooren naar een ieder die uitroept: „Gij, Zone Davids, ontferm U mijner!"
Niemand kan dit echter roepen, indien de Heilige Geest hem dat niet geleerd heeft. Nu meent gij nog, dat gij ziet, maar als het u door den Heiligen Geest getoond is, dat gij van nature blind zijt, dan kan de bede, ook al is uw kruis in het leven bijna te zwaar om te dragen, op des Heilands vraag : „Wat wilt gij, dat Ik u doen zal", geen andere zijn dan deze: Rabboeni, dat ik ziende mag worden.
't Is de Heere, . wiens mededoogen. Blinden schenkt het lieflijk licht; Wie in 't stof lag neergebogen Wordt door Hem weer opgericht. God, die lust in waarheid heeft. Mint hem, die rechtvaardig leeft.
Moerkapelle.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's