WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
BIJBEL EN TAAL,
De heer A. L. van Hulzen schrijft in Timotheüs :
Zonder den Bijbel zou onze letterkunde een geheel ander Boek vertoonen. Veel proza en poëzie zou dan niet of heel anders geschreven zijn. Er is wel geen enkel letterkundig genre dat niet min of meer onder den invloed van den Bijbel heeft gestaan.
Vondel is zonder bijbelkennis niet te begrijpen. En van de Middeleeuwen af tot op onzen tijd toe zijn dichters en prozaschrijvers aan den Bijbel geïnspireerd. Zelfs auteurs, die hem niet als de Godsopenbaring aanvaardden.
Maar ook de omgangstaal, de dagelijksche spreektaal, is mede door den Bijbel geworden wat ze is.
De Staten-Bijbel heeft de taaleenheid onder ons volk bevorderd. (Nog in de 16de eeuw werd op de Veluwe de Lutherscbe Bijbel (de Nederduitsche) beter verstaan dan de Brabantsch-Hollandsche. De (Dordtsche Synode wees de commissie van vertalers aan en van degenen die de vertaling zouden overzien (de translateurs en de reviseurs) en de samenstelling was toen zóó, dat de taaléénheid door den gemeenschappelijken arbeid zou bevorderd worden. Bogerman was een Fries, Bucerus een Zeeuw, Walaeus een Oost-Vlaming, Bolandus kwam uit Delft. Zóó kon een compromis worden gevonden en werd met de verschillende dialecten rekening gehouden.
Van geslacht tot geslacht werd de Bijbel in de gezinnen gelezen. De Bijbel was het leesboek. Men raakte met zijn zinsbouw en woordenschat vertrouwd en het was aan de taal, die gesproken en geschreven werd, te merken, dat men de Bijbeltaal kende.
Nu was die taal 17e eeuwsch. En gaandeweg verouderden sommige woorden. Toch werden ze bij lezing wel begrepen. Daartoe behoorden b.v. aanschijn, armgesmijde, bagge, zich bedden, berderen, bussels, gedichtsel, male, oorblazen, zich verstellen.
Sommige woorden veranderden in beteekenis: vroom beteekent in den Staten-Bijbel nog : te goeder trouw ; slecht: eenvoudig ; kostelijk : kostbaar.
De zoogenaamde absolute genitief : de dag der dagen, ijdelheid der ijdelheden, het boek der boeken, is eveneens van Bijbelschen oorsprong. Soms letterlijk overgenomen of naar analogie gemaakt.
In de spreektaal bestaan tal van woorden en uitdrukkingen, die aan de Bijbel zijn ontleend. Losse woorden als: farizeër, in den zin van huichelaar ; muggenzifter, zondebok, Jobstijding enz.
En uitdrukkingen als : een verloren zoon, het penningske der weduwe, een wet van Meden en Perzen, een Egyptische duisternis, het gouden kalf slachten, met zijn talenten woekeren, in zak en asch zitten, de band in eigen boezem steken, kolen vuurs op iemands hoofd hoopen, een land van melk en honig, de vleeschpotten van Egypte, onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom zitten enz.
Ook werden complete zinnen, letterlijk of gewijzigd, overgenomen, zooals : Het is zaliger te geven dan te ontvangen. Het grondsop is voor de goddeloozen. Wachter wat is er van den nacht! Jeruzalem wordt dorpsgewijze bewoond.
En eindelijk werden namen als resultaat van vergelijking gebruikt: Babel, Benjamin, Job, Petrus, Judas, Thomas, soms met verklarende bijvoegelijke woorden: een vurige Petrus, een ongeloovige Thomas e.d. ,
De Bijbel heeft door dit alles een ontwikkelenden invloed gehad. De woordenrijkdom van duizenden is er door vermeerderd. Kerk en school hebben tot deze vermeerdering het hunne bijgedragen. Ook is die ontwikkeling niet beperkt gebleven tot de taal in engeren zin. Ook de kennis der geschiedenis en der aardrijkskunde kwam ze ten goede. En niet minder heeft ze de karaktervorming gediend door spreuk, historie en gelijkenis.
Maar vóór alles blijft de Bijbel toch het Woord Gods, in menschentaal geschreven, dat den mensch den weg wijst door de woestijn der wereld naar den hemel. Dat voor het menschelijk leven de wetten geeft, die dit leven zijn doel doen bereiken. Dat ons van den Heiland spreekt. Die zondaren verlossen wil en leiden tot het hoogste geluk".
HUWELIJK EN FAMILIE.
We nemen een stukske over van wat ds. Hoek, van Enkhuizen, schrijft over „Gods ordinantiën voor het huwelijk". Het gaat hier over „Huwelijk en Familie". Ds. H. schrijft dan :
Voor de familie is het huwelijk een zeer belangrijke gebeurtenis. Het Latijnsche woord familia, waarvan ons „familie" komt, beteekent allereerst gezin, niet, zooals bij ons, bloedverwantschap. Het gezin, dat waren de ouders met de kinderen en de bedienden in huis. Eerst later kreeg het woord die verdere beteekenis. „Hij is uit mijn familie" dat beteekent bij ons „hij is uit mijn bloedverwantschap".
Nu ligt 't voor de hand, dat wij hier eerst denken aan familie in den eersten zin, al zal 't dan in vele gevallen eenige beperking moeten ondergaan, omdat de in huis dienenden niet meer tot de familie gerekend worden.
Het zou mij te ver van mijn onderwerp afvoeren, indien ik ging bespreken of wij, indien dit in ons gezinsleven zoo is, op 't goede spoor zijn.
Misschien schrijf ik binnenkort daarover wel eens.
Maar verloving en huwelijk blijven gewichtige feiten in het gezin. Er wordt over gesproken, er wordt aan verwanten en vrienden mededeeling gedaan, er wordt feest gevierd. Dat alles is niet slechts volkomen verstaanbaar, maar ook naar den wil van God. Bij sluiting van een huwelijk geeft een ouderpaar een dochter aan een zoon uit een andere familie, en een ouderpaar neemt een jonge vrouw aan uit een andere familie als kind. De jongeman neemt op zich voor zijn vrouw te zorgen, zooals haar moeder en vader dat tot op dit oogenblik deden. En de jonge vrouw krijgt de vereerende taak om voor haar man te zorgen, zooals zijn moeder en vader dit tot op den huwelijksdag hebben gedaan.
Beiden aanvaarden een werk, waaruit groot vertrouwen blijkt. Immers ouders vertrouwen toe de zorg voor hun eigen kind.
Weinig woorden zijn noodig, om u te doen verstaan van hoe groote beteekenis de familie is voor het huwelijk, en het huwelijk voor de familie.
Daarom roept God de ouders, om op verstandige wijze met hun kinderen over dit onderwerp te spreken.
Het Woord Gods biedt daartoe overvloedige gelegenheid. De zonde van ongeoorloofde huwelijken is niet een zonde, speciaal van onzen tijd.
Denk aan Genesis 6, daar het in zijn heillooze gevolgen geteekend wordt.
Lees Exod. 34 en Deut. 7, en ge ziet dat het In Israels wet verboden wordt, bijzonder met 't oog op gevaar voor afval van God en afgoderij.
Herinner u, hoe de Heere Salomo waarschuwt in 1 Kon. 11 : 2 : „zij (de vreemde vrouwen) zouden zekerlijk uw hart achter hunne goden neigen".
Genoeg om u te overtuigen dat Gods Woord ruime stof biedt tot onderrichting.
En deze onderrichting behoort te geschieden met verstand en op den rechten tijd. Met een kind van zes jaar gaat een vader of moeder nog niet daarover spreken.
Maar evenmin mag dit te laat gebeuren. De grondslag moet van jongsaf gelegd worden. Zoodra als 't kind daarvoor ontvankelijk is, moeten vader en moeder het kind opvoeden in de gedachte dat een huwelijk met een ongeloovige door God verboden is. En een huwelijk met iemand uit een andere kerk, ook al is hij een geloovige, zeer ongewenscht. En dat op overtuigende wijze.
Zoo kunnen zoon en dochter opgroeien in een sfeer waarin zulk een huwelijk contrabande is.
En de jongeman groeit op in de overtuiging,
ik mag geen vrouw nemen die niet met mij den Heere vreest, en wil geen vrouw nemen die niet met mij tot dezelfde kerk behoort.
Ondervinding leert van hoe groote beteekenis zulk ouderlijk onderricht is. En evenzeer blijkt dat het onderricht op de catechisatie en in persoonlijk gesprek weinig vruchtbaar is, indien 't geen bodem vindt in wat door de ouders is gezegd en geleerd. Niet zoo zelden stuit ge in zulk persoonlijk vermaan op bedoelden of onbedoelden tegenstand der ouders. Zij moeten het begrijpen dat hier rechte, scherpe lijnen moeten getrokken worden. Wie op zoetelijke wijze zegt: ik zou wel liever willen maar, heeft natuurlijk de vesting overgegeven. En het pleit verloren.
Als vader en moeder voor 't eerst van hun gevoelen blijk geven, als 't geval zich voordoet, komt 't telaat.
Of dit alles dan geen theorie is ? Of de liefde dit alles niet omverwerpt ?
Of er geen kinderen zijn, die niettegenstaande het tijdig onderricht en het liefderijk vermaan, toch hun eigen gang gaan ?
Om met dit laatste te beginnen, helaas zulke kinderen zijn er, maar dan hebt ge als ouders uw ziel bevrijd en kunt ge misschien pogen door de heerlijkheid van de liefde van Christus de andere partij voor den Heiland te winnen. Het gebed der rechtvaardigen vermag veel.
De liefde is een onbeschrijfelijke macht. Maar ook zij is gebonden aan Gods ordinantiën. En het kind moet diep ingeprent worden dat deze geëerbiedigd moeten worden, ook op het terrein van het liefdeleven. Uw kind mag geen liefde in dezen zin gaan koesteren voor een ongeloovige. Als dit wordt ingezien, zal de liefde, die uit God is, Gods ordinantiën niet omverwerpen.
En dan is dit alles ook geen grauwe theorie, die op het werkelijke leven niet past. Juist het tegendeel. Gods ordeningen passen voor het leven.
Onze zonde verstoort en verwoest ze.
En verwoest daardoor ook het leven. Misschien wijst iemand mij op godvruchtige ouders die leed dragen om een zoon of dochter die toch deze ordinantiën Gods niet eerde. Ook de Schrift wijst ze ons aan.
Gelukkig dan het ouderpaar dat zich niet voor den Heere te beklagen heeft, „het is ook mijn schuld, ik heb niet gedaan wat God van mij eischte". Het kan ook voorkomen dat zulk een vader en moeder schuld gevoelen en de gevolgen van hun zwakheid moeten dragen. God alleen weet hoevelen er zoo zijn.
En Hij weet ook hoevele zonen en dochteren door liefdevol vermaan en gebed van een verkeerden weg zijn teruggehouden, die later met hen samen den Heere daarvoor danken.
E.
D. H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's