MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Een mooi nieuwtje vandaag voor den koopman", zei Pierkje, die ondertusschen weer van haar zenuwtoeval bekomen was en natuurlijk niet in den kring kon worden gemist.
Maar Klaske, die sinds den vorigen avond bij haar bezoek ten huize van vrouw Kalma een gansch anderen indruk van hem gekregen had, en, óók met het oog op het gaan naar „Lucht en Veld" dezen middag gaarne bij Murk in den pas wilde blijven, gevoelde zich plotseling geroepen het voor hem op te nemen. Zij was er nog niet zoo zeker van, dat hij veel spreken zou over hetgeen hen allen vervulde. Had hij zich niet, evenals de weduwe, binnenshuis gehouden, zonder zich schijnbaar veel aan te trekken van den rouw die zoo onverwacht over de gemeente gekomen was ? En dat, niettegenstaande hij getrouwer dan één van allen geregeld naar kerk ging?
Doch een ander merkte op, dat dit niets dan grootschheid was. Manke Murk begon zoo langzamerhand een heele „meneer"' te worden, die zich onder het volk, waarmede hij vroeger op en neer ging, niet meer thuisgevoelde. Als hij bij Siderius of den directeur van de fabriek of bij andere groote mannen uit den omtrek kwam, zou hij zijn woordje hierover wel kunnen doen, maar hier niet; de menschen waren hem zeker te min. Natuurlijk óók de reden, waarom vrouw Kalma niet gezien werd ; alles onder zijn invloed. Voorheen was zij zoo niet.
Ach, hoe kwam ook hier, gelijk overal op de groote markt van het leven, waar de hartstocht hoogtij viert, tot uiting het woord van den Apostel, dat de menschen van nature „hatelijk zijn en elkander hatende".
Ditmaal had Klaske het bij het rechte eind. In gedachten verzonken reed Murk de straat uit, naar bulten, het vrije veld in, waar een bont bloemtapijt de groene graslanden dekte, waar het. vroolijk vee, nog maar kort uit stal en hok losgelaten, zich te goed deed aan het malsche gras, dat onder de koestering van een heerlijke lentezon bij den dag groeide, en waar allerlei lieflijke geuren de lucht vervulden. Hier vond Murk zijn element, opgegroeid als hij was tusschen het vee en de veldbloemen, en waar hij, door het licht van Boven, nu dok langzamerhand weer oog kreeg voor de grootheid Gods, die ook in deze werken Zijner handen de almacht en wijsheid en goedheid van Zijn heilig Wezen openbaarde. Maar ditmaal geen vroolijkheid zooals anders, als hij gewoon was te zingen of een onschuldigen kwinkslag tot een voorbijganger had. Voortrijdend zat hij stil voor zich uit te staren.
Een enkele, dien hij ontmoette, hield hem even staande : „Of het waar was, dat de dominé zoo plotseling den dood gevonden had, en onder welke omstandigheden. Er was toch geen „kwaad spel bij ? Men hoorde tegenwoordig van zulke vreemde dingen."
Wonderlijk, dacht Murk, hoe spoedig dergelijke berichten de wereld in waren, 't Scheen wel alsof zij op de vleugelen van den wind voortgeplant of als radiotelegrammen door den ether overgeseind werden. Maar van hem werd men anders niet gewaar dan dat de dominé op het onverwachts de eeuwigheid was ingegaan.
De eeuwigheid in. En juist in dat woord lag de grond, van zijn diepe denken ; — óók van zijn tegenzin, om vandaag met allerlei menschen in aanraking te komen, die allen hetzelfde van hem zouden wenschen te hooren, en, indien mogelijk, met alle bijzonderheden daarbij. De dominé was de eeuwigheid ingegaan, en dit gold voor hem nog iets anders, dan sterven. Het beteekende : een ingaan in de eeuwige wereld, onzichtbaar voor het natuurlijk oog, met tal van onopgeloste raadselen en duizenden onbeantwoorde vragen, maar waarvan dit vast stond, dat de mensch daar maaide, wat hij hier gezaaid had en wat hij hier ten deele werd, daar voor eeuwig volkomen was. Wat gaf die gedachte aan het leven een waarde. Hoeveel tijd was ook in zijn leven niet voorbij gegaan, waarvan gezegd moest worden : nutteloos en vruchteloos en dat nog niet alleen, maar veel erger, ingaande tegen den wil van den Heiligen God, zonder Hem te verheerlijken en Zijn lof te vermelden. Veel kostbare tijd ging heen met te wandelen op eigen gekozen wegen, doende den wil des vleesches en der gedachten. Was het niet waar, ook van hem, wat hij dezer dagen in het mooie boek van Bettex over „Twijfel", had gelezen, dat tegen al de geboden Gods, welke Hij in Zijn heilige wet gegeven had, was gezondigd, niet één enkel gebod uitgezonderd ; dat er geen mensch leefde, tegen wien hij niet overtreden 'had en er geen seconde in zijn leven voorbij gegaan was, in welke hij niet in overtreding was geweest ?
Een ontzettende gedachte ; die hem stil maakte, vooral in dit uur, waar de ernst der eeuwigheid zoo geweldig op hem los kwam. Er was maar één zaak, die hem hiermede verzoend kon doen zijn : „de zekerheid der zondevergeving in het offerbloed van Golgotha".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's