Psalm 32 : 1-2-3.
De zegen der Schuldbelijdenis.
Welzalig hij, wiens schuld is weggenomen, zoodat hij niet voor eeuwig om zal komen ! Welzalig hij, wien God de schuld vergeeft, en die, verzoend, voor 't oordeel niet meer beeft !
Welzalig hij, wien God geen enk'le zonde ooit meer verwijt, noch nu, noch te eeuw'ger stonde ; wiens bang gemoed door Gods lankmoedigheid van zelfbedrog en leugen is bevrijd !
Ik werd verteerd, zoolang ik had gezwegen ; ik heb gebruld, verkommerd neergelegen ; 't was of mijn ziel verkwijnde dag en nacht, daar 'k niet mijn schuld voor 's Heeren aanschijn bracht.
Want Uwe hand deed mij onduldbaar lijden ; 't was als de brand van heete zomertijden, wanneer de zon verzengt en 't leven doodt, 't Was of de kracht uit mijn gebeente vlood.
'k Bekende eind'lijk U oprecht mijn zonden, 'k Verborg geen kwaad, door U in mij gevonden.
Ik zeide toen : „Wat God ook doe of laat', ik zwijg niet meer, 'k belijd aan God mijn kwaad !"
Toen heb ik Hem in tranen en gebeden al wat ik wist, bekend, 'k heb schuld beleden! En wat deed God, Wiens toorn den^ zondaar slaat ?
Gij kwaamt tot mij, vergaaft mij al mijn kwaad.
(Uit : Het Boek der Psalmen, nieuwe vertaling van ds. Hasper).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's