De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

MET DE GESCHIEDENIS DER REORGANISATIE-VOORSTELLEN
I.

Velen onzer zullen zich nog herinneren, dat de Synode in 1927 een Commissie van vijf leden benoemd heeft, om de zaak van de reorganisatie der Kerk nader te bezien en daaromtrent een rapport op te stellen. In die Commissie hadden zitting : prof. Haitjema, dr. Riemens, ds. van Grieken, ds. te Winkel en dr. Locher. Deze Commissie heeft 17 maal in den Haag vergaderd en toen in 1929 bij de Synode ingediend een „Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement voor de Nederlandsche Hervormde Kerk". (Uitgave : H. Veenman en Zonen. Wageningen. ƒ 0.75).
Bij de opstelling van dit Ontwerp, waarin een geheel nieuw Algemeen Reglement werd voorgesteld, is men uitgegaan van de gedachte, dat in de tegenwoordige organisatie de ambtsidee is verdwenen, waarvoor het besturen-apparaat in de plaats is gekomen. De eigenlijke kerkelijke vergaderingen zijn verdwenen en aan de Besturen (Classicaal Bestuur. Provinciaal Kerkbestuur en Algemeene Synode) is alle macht overgedragen.
De tweede gedachte, die men zich voor oogen stelde was, dat in de tegenwoordige Reglementen wel over de belijdenis gesproken wordt (want de Hervormde Kerk is óók volgens de Reglementen een belijdende Kerk) maar met zulk een vaagheid, dat moeilijk of in 't geheel niet is uit te maken, wat met deze belijdenis, die genoemd wordt en ook moet worden gehandhaafd (Art. 11 Algem. Regl.), wordt bedoeld, en wat verstaan moet worden onder „geest en hoofdzaak" van de beginselen der Hervormde Kerk of het „Christelijk karakter" van deze. (Waaruit de toeleg blijkt om van de Hervormde Kerk een ja en neen Kerk te maken, met de leuze : „voor elck wat wils" en dus zonder getuigenis en beleving van de kerkelijke belijdenis).
Daarom ontwierp de reorganisatie-Commissie een „Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement", waarbij het oorspronkelijk karakter onzer Hervormde (Gereformeerde) Kerk weer tot z'n recht zou komen en zoowel het ambt als de belijdenis kerkelijk zouden kunnen functioneeren, naar de beginselen en de hoofdlijnen van de klassiek-Gereformeerde presbyteriale Kerkorde, waarbij uit den aard der zaak (óók om de continuïteit der geschiedenis en eventueele juridische verwikkelingen) rekening moest worden gehouden, met 't meer dan een eeuw bestaande (sinds 1816).
Onze Hervormde Kerk is sinds 1816 „verburgerlijkt" en „verwereldlijkt". Dit wil zeggen : zij is met haar Besturen en Reglementen ingericht naar 't model en het beginsel van de burgerlijke vereenigingen ; en zij is, wat haar belijdenis betreft, van het goddelijk geopenbaarde Evangelie afgezakt tot de wereldsche beschouwingen van de wetenschap en van de cultuurwereld, zonder kerkelijk getuigenis.
De structuur van het besturen-apparaat is iets dat geheel vreemd is aan het wezen van de Kerk, waar, naar de inzetting des Heeren ons in Zijn Woord geopenbaard, dé ambten gegeven zijn, tot opbouwing van het Lichaam van Christus en tot volmaking der heiligen. Het kerkelijke is sinds 1816 verloochend en het burgerlijke aan de Kerk opgelegd, met de gedachte de Kerk te verlagen tot een burgerlijke vereeniging tot bevordering van godsdienstige en zedelijke belangen, waarbij het ideaal was, dat alle godsdienstige menschen, die het wèl meenen, in die verburgerlijkte Kerk zouden worden opgenomen en samenwonen „tot heil des Volks" en „tot nut van 't Algemeen".
Daarbij paste de ontaarding van de belijdenis. De Kerk moest haar absolute Boodschap der zaligheid, haar geopenbaarde belijdenis van den éénigen Naam, die onder den hemel is gegeven tot verlossing en heil, loslaten en op hetzelfde vlak gaan staan van de wetenschappelijke-, van de cultuur-wereld, om te komen met allerlei menschelijke opvattingen en meeningen, die waar kunnen zijn, maar die ook disputabel gesteld mogen worden, om door andere en betere te worden vervangen. Van het goddelijk vlak moest de Kerk (die een soort Vereeniging was) verplaatst (verlaagd) worden naar het menschelijk, naar het wereldlijk vlak. Het ambt weg, de belijdenis weg en de getuigenis der Kerk wèg
Verburgerlijkt is de Hervormde Kerk — omdat zij het geestelijk ambt veracht en verwerpt en leeft bij een besturen-apparaat, dat de Kerk onmondig maakt en haar van haar wezen berooft.
Verwereldlijkt is zij — omdat zij het heilgeheim van de Evangelieboodschap, begrepen in haar aloude belijdenis, dat Jezus is de Christus de Zoon des levenden Gods, die haar van Boven door den Vader is geopenbaard, en waarop de Heiland Zijn gemeente bouwt (Matth. 16) heeft verwaarloosd en losgelaten en disputabel heeft gesteld, tegelijk ja en neen zeggend, waar het gaat om het Evangelie van Christus, den Gekruisigde.
Het ambt weg, de belijdenis weg, het levend Getuigenis der Kerk weg....
Het „Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement*' bedoelde drie dingen. Ten eerste: het herstel van het kerkelijk leven door herstel van het geestelijk ambt, waarmee gepaard gaat het verwerpen van het burgerlijk reglementen-en besturen-apparaat ; het herstel dus van de presbyteriaal-synodale regeling voor de regeering van de Kerk ; met de kerkelijke vergaderingen in de plaats van het instituut der vaste Besturen, die nu in de plaats van de Kerk zelve zijn gekomen (nooit en nergens mag en kan de Kerk zelve spreken of beslissen of handelen).
En het tweede wat het Ontwerp bedoelde was : het herstel van de kerkelijke belijdenis, omdat Christus Zelf vraagt : „en gij, wie zegt gij dat Ik ben? " (Matth. 16). De Kerk van Christus mag haar heilgeheim en Evangelieboodschap niet verzaken, niet verheimelijken noch disputabel stellen (waarbij haar belijdenis waar kan zijn, maar tegelijk de mogelijkheid wordt opengelaten, dat het ook anders kan wezen). De Kerk moet kloek en geloovig belijden en getuigen wat haar van boven als de grootste schat ter zaligheid is geopenbaard en toevertrouwd. „Op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen" heeft de Heiland gezegd. Matth. 16 : 18. Hetzelfde waarin de Heiland behagen schept, voor de wereld tot zaligheid zijnde, daarin moet ook de Kerk behagen scheppen en daarin alléén ! Zij moet geen ander Evangelie kennen en van geen ander Evangelie willen weten, dan van het Evangelie van Jezus Christus en dien gekruisigd.
Om het geestelijk ambt eenerzijds en de belijdenis anderzijds moet het gaan. En in dat verband komt dan ook als van zelf de zaak van de leertucht aan de orde. Want in een Kerk, die niet verburgerlijkt is bij reglementen en besturen en die niet verwereldlijkt is door een neutrale grondslag, maar Kerk van Christus wil zijn met het geestelijk ambt en de belijdenis der zaligheid in Jezus Christus den Zoon des levenden Gods, hoort het getuigenis der Kerk, het uitdragen van haar belijdenis naar alle kanten en het verweer tegen alle ondermijning en verleugening en loochening van haar geloofsbelijdenis.
Allen die over die beide dingen willen heenpraten, en zoowel het geestelijk ambt als de belijdenis blijven kleineeren, willen ook niets weten van leertucht, en vinden dat dan een onding, dat niet scherp genoeg kan worden veroordeeld en dat niet dikwijls genoeg aan de kaak kan worden gesteld.
En ja — in een verburgerlijkte Kerk, waar het geestelijk ambt wèg is en het besturenapparaat werkt, geldt alleen maar de vraag, of alles „eerlijk en met orde geschiedt" ; of de molen behoorlijk draaien kan en of aan de reglementen en voorschriften van de vereeniging gehoorzaamd wordt.
En in een verwereldlijkte Kerk, die geen van Christus wil zijn met haar geheel éénige en goddelijke Evangelieboodschap der zaligheid, het Evangelie van Jezus Christus, van den éénigen Naam, die onder den hemel is gegeven tot verlossing en heil — in zoo'n Kerk, die haar aard verloochent, haar roeping verzaakt en haar getuigenis vergeet, hoort leertucht natuurlijk niet thuis. De leer, de belijdenis, is immers dan disputabel gesteld ; 't kan net zoo goed waar als onwaar zijn, wat er geloofd en geleerd wordt ; wie zal 't uitmaken ?
Maar wordt het geestelijk ambt aanvaard en stelt men zich op den grondslag der belijdenis, dan moet de Kerk van Christus uit haar geloofsbelijdenis, als levend bezit, spreken en getuigen naar alle kanten, maar dan moet zij óók wederstaan, bestraffen en, waar noodig, uitbannen wat in strijd is met de boodschap der zaligheid.
Bij de Christusbelijdenis, van den Vader geopenbaard, komt nu eenmaal helaas ! in deze zondige wereld óók de geest der ontkenning en loochening van de waarheid Gods tot openbaring. En de Kerk van Christus, die levende, belijdende en getuigende Kerk wil zijn en mag zijn en moet zijn, heeft hier een heilige roeping van den Heere ontvangen.
Bij de besprekingen in de buitengewone vergadering van de Synode ter behandeling van dit „Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement", waarin het geestelijk ambt en de belijdenis werd verdedigd, is wel gebleken, dat velen van deze kerkelijke dingen, voor de Kerk van Christus onmisbaar, niets, maar dan ook niets moesten hebben en er niet 't minste besef van hadden, dat de Hervormde Kerk nu haar kerkelijk karakter verloochent, haar kerkelijke roeping verzaakt en haar kerkelijk getuigenis vergeet.
Van het kerkelijke der Kerk moest men niets, maar dan ook niets hebben.
En Donderdag 9 Januari 1930 werd het „Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement" met 10 tegen 9 stemmen verworpen, en werd het niet aan de Kerk voorgelegd. Aan de Kerk werd geen gelegenheid gegeven dit „Ontwerp" in hare vergaderingen te bespreken. En dat met 10 tegen 9 stemmen ! Waarbij de vrijzinnigen zich als één man er tegen hebben verzet, helaas ! geholpen door enkele rechtzinnigen, waarbij we altijd nog bijzonder denken aan den gewieksten voorzitter der Synode, dr. Weyland, van Veere (intusschen overleden), die zoo oer-conservatief in deze dingen was (in andere dingen soms niet) en niets, maar dan ook niets wilde weten van eenig desbetreffend voorstel.
(Wordt voortgezet.)

HET INSTITUUT GODSDIENSTONDERWIJZER
Het onaangename, verschrikkelijke geval met den heer J. Kars, te Keeten, gemeente Capelle a/d IJssel — die in een gebouw preekte, waarvoor indertijd, toen de heer Asmus daar nog werkte, ook in onze Hervormd Gereformeerde Gemeenten gecollecteerd is, om met geld van anderen daar het werk te steunen en tot uitbreiding te brengen, maar dat sinds dien tijd danig van karakter is veranderd, (waarom we met collectebrieven en collectanten toch wel héél voorzichtig moeten zijn, als dat niet officieel gewaarmerkt is !) is aanleiding geworden om over het instituut Godsdienstonderwijzer nog eens na te denken en met elkaar daarover van gedachten te wisselen.
Het schrijven van de heeren Neerings van Dordt en Asmus van Moordrecht, gaf daarbij richtlijnen en wenken. Het schrijven van den heer Romijn van Vlaardingen ging toen den kant uit van : „voor Godsdienstonderwijzers moest de weg geopend worden om dominee op Art. 8 te kunnen worden" (het werd een deformatie van de Kerk genoemd, dat zulks niet gebeurde onder ons). En daarnaast en daarna ontvingen we nog een paar brieven, gedeeltelijk met verschillende verstandige opmerkingen, doch ook wel bedenkelijke aanwijzingen en beschouwingen bevattend — echter met aanteekening van „persoonlijk" en „vertrouwelijk" en „niet als Ingezonden bedoeld". Voor dat alles zijn we ten slotte heel dankbaar, want de zaak gaat hoe langer hoe meer dringen onder ons, om tweeërlei oorzaak : omdat we veel te veel menschen krijgen, die het examen voor Godsdienstonderwijzer doen met de eenige bedoeling „om dan te gaan preeken", en in de tweede plaats, omdat we gelukkig langzamerhand. meer dominees krijgen voor onze Herv. Geref. Gemeenten ; misschien straks ook voor ordelijk en officieel geregeld Evangelisatie-werk (zooals b.v. in de Gereformeerde Kerken dit belangrijke werk wordt aangepakt).
Nu hebben wij, in aansluiting aan de verstandige opmerkingen van den heer Neerings van Dordt, reeds opgemerkt, dat er bij velen — niet alleen bij de acte-bezitters, maar ook bij de Kerkeraden — een totaal verkeerde gedachte betreffende 't instituut Godsdienstonderwijzer gevonden wordt.
Vooraf willen wij zeggen, dat wij voor vele Godsdienstonderwijzers — uit onzen eigen kring, alsook uit de kringen, die ons het naast verwant zijn — groote eerbied hebben. We hebben mannen gekend, die prachtig werk verricht hebben. We hebben b.v. den heer Asmus gekend in z'n vroegere periode als staande en arbeidende tusschen menschen in het Noorden van ons land, die heelemaal
„bewerkt" moesten worden, zooals een Zendeling werken moet onder de heidenen of een stads-evangelist in de achterbuurten.
Totaal vervreemd van alles — verwilderd — onverschillig — ruw — diep ellendig zijn er velen. En we denken b.v. aan een man als den Evangelist Braak Hekke, die jaren, een heel menschenleven bijna, in Drenthe heeft gecolporteerd, gepredikt, gewerkt, geëvangeliseerd ; en in Emmer-Compascuum als een geacht Evangelist prachtig werk heeft verricht. Op geen vergadering van den Schoolraad of de Unie „Een School met den Bijbel" te Utrecht, ontbrak hij. En met groote dankbaarheid denken wij er nog altijd aan terug, dat onze oudste dochter een jaar lang bij hem in huis geweest is en in den familiekring is opgenomen geweest, toen zij onderwijzeres was in dat Drentsche heide-dorp, waar intusschen — mee door den gezegenden arbeid van den kleinen, kloeken, geloovigen Braak Hekke — een kerkelijke gemeente is gesticht met Kerkeraad en eigen predikant nu.
Wat zijn er tal van mannen, eenvoudige, dappere, geloovige mannen geweest, die als stoere werkers armoede, koude, vijandschap, haat en tegenwerking hebben verduurd, ervarend, dat God een God der trouwe is. Die altijd gedachtig is aan hetgeen Hij beloofd heeft, dat Zijn Woord niet ledig zal wederkeeren, zeggend: „Zaaier, zaai in Gods Naam voort !"
Groote eerbied hebben we voor mannen van vroeger en van nu, die in moderne streken onder een verarmde en schier heidensche bevolking hebben gearbeid des daags en des nachts, des zomers en des winters, bij voorspoed en tegenspoed, ervarend, dat Hij, Die het beloofd heeft, ook getrouw is en het ook doen zal, wat Hij wilde toezeggen.
Maar het moet ons van het hart, dat er langzamerhand een groote schare van mannen komt, die de acte van Godsdienstonderwijzer trachten te krijgen, om dan geen enkele poging na te laten en met alle mogelijke en onmogelijke middelen te bewerken, dat ze toch vooral 's Zondags als een dominee kunnen gaan preeken, hier en overal. Waaronder er dan zijn, die het zóó weten aan te leggen, dat ze vooral „dierbaar" spreken en preeken, zoó „dierbaar" (waarbij ze soms zelf lang zoo „dierbaar" niet zijn), dat er geen dominé tegen op kan. En dan kruipen ze overal tusschen, waar ze niet het minste recht toe hebben, nog afgezien van hun karakter en van hun gaven.
Ze hebben daar niet het minste recht toe. En hier heerscht een afschuwelijk misverstand, waaromtrent opheldering en klaarheid en — verandering moet komen !
Zoo kregen we enkele maanden geleden b.v. een brief van iemand. Achter op de brief stond een reusachtig vierkant stempel met blauwe, groote letters gevuld, waarvan de korte inhoud was : Mijnheer N. N., Godsdienstonderwijzer te N.N., met straat (dijk) en nummer.
Wat was dat nu voor iemand ? Dat was een particulier, wonend in een zekere, niet onvermaarde dorpsgemeente, die enkele jaren geleden examen voor Godsdienstonderwijzer gedaan had en de acte van het Classicaal Bestuur ontvangen had — en meer niet.
Zoo iemand is natuurlijk absoluut geen Godsdienstonderwijzer. Zoo iemand heeft examen gedaan, is geslaagd (na een studie van twee of drie jaar, met een examen dat drie uur duurt — zet dat nu eens naast de studietijd en het examen van iemand, die dominé wil worden) en krijgt dan de bevoegdheid om naar de betrekking — geen ambt, maar betrekking — van Godsdienstonderwijzer te solliciteeren.
Letterlijk luidt het stuk, dat degene, die examen gedaan heeft, ontvangt, als volgt : „Het Classicaal Bestuur van geëxamineerd hebbende N.N., oud jaar, wonende te , verklaart hem (haar) bevoegd om" en nu komt het — „bevoegd om te staan naar den post" (let op dat woord !) „van Godsdienstonderwijzer
(Godsdienstonderwijzeres) en gerechtigd om" — en nu komt het weer — „na verkiezing door den Kerkeraad eener gemeente in die gemeente godsdienstonderwijs te geven, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op het Godsdienstonderwijs in de Nederlandsche Hervormde Kerk".
Ons dunkt, dat deze acte voor zich zelf spreekt. Het is zoo duidelijk, dat een kind het begrijpen kan.
En nu gaat toch de spraakmakende gemeente er iets anders van maken en de betrokken personen doen daaraan ijverig mee. Want „men" zegt gewoonlijk, dat iemand, die examen gedaan heeft, nu „Godsdienstonderwijzer is" en „preeken" mag, overal „preeken" — alleen mag zoo iemand nog niet de Sacramenten bedienen en dus niet doopen of 't Avondmaal bedienen. Dat laatste weet men en dat gebeurt dan ook niet. Maar het „preeken" staat boven allen twijfel bij velen.
Men noemt zich „Godsdienstonderwijzer", als men het bij lange na nog niet is. Men laat een stempel maken om op eiken brief af te drukken ; men laat kaarten drukken, om met gedrukte kaart zich, vooral in gemeenten die vacant zijn, bij den Kerkeraad bekend te maken en aan te bevelen. Waarbij men zichzelf uitgeeft voor Godsdienstonderwijzer — dat men niet is. En waarbij m: en zich dan aanbiedt en aanbeveelt om te „preeken" — wat niet mag.
Zouden we niet liever tot den weg van orde en eerlijkheid terugkeeren ?
Wanneer men examen wil doen (naar art. 43 Regl. Godsdienstonderwijs) geeft men zich op bij het betrokken Classicaal Bestuur, dat aangewezen is, tot „het examineeren van degenen, die tot het geven van godsdienstonderwijs verlangen te worden toegelaten".
Als men geslaagd is, heeft men een acte van toelating.
De weg staat dan open om te solliciteeren, als er ergens een „post van Godsdienstonderwijzer" open is. Daartoe heeft men de bevoegdheid „om te staan naar den post van Godsdienstonderwijzer". Daartoe is men gerechtigd. En als men dan door „verkiezing door den Kerkeraad eener gemeente, in die gemeente „aangesteld is", is men Godsdienstonderwijzer, om met en naar de instructie van den Kerkeraad in die bepaalde gemeente te werken „overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op het Godsdienstonderwijs".
Dat is de weg. Wandel in dezelve en wees oprecht !
Waarbij natuurlijk in onze Ned. Hervormde Kerk helaas ! óok nog de weg en de mogelijkheid is, dat men ergens door het Bestuur van een officieele en goed gecontroleerde „Evangelisatievereeniging ten bate van de Ned. Hervormde Kerk" kan benoemd worden, om dan in geordend verband als Evangelist-Godsdienstonderwijzer werkzaam te zijn.
Die weg is er óók.
En in dien weg, in dien geordenden weg, kan er soms prachtig, heerlijk werk verricht worden.
Met eerbied en dankbaarheid denken we aan meer dan één man van vroeger en van nu !
Nog één opmerking.
Iemand schreef ons : Hoevelen zijn er tegenwoordig niet, die de acte van Godsdienstonderwijzer halen — eigenlijk bestemd dan voor meerdere ontwikkeling, om de kennis dienstbaar te maken voor Wijkwerk in grootere gemeenten of Vereenigingswerk op het platteland en in de stad — die bij hun gewone betrekking op 't kantoor, in den winkel of in de school, des Zondags uit preeken gaan en daarbij niet zelden de Sabbath's reize misbruiken, met de bedoeling als „bijverdienste", om zoo aan een dubbel inkomen te komen ? "
Wij laten deze opmerking hierbij gaan. Omdat het misschien óók een kant van deze zaak is. In elk geval dan iets dat, volgens het Regl. Godsdienstonderwijs en naar luid van de acte, die men heeft ontvangen, verboden is.
En wat verboden is, is verboden.
Laten alle dingen eerlijk en met orde geschieden, zegt God in Zijn Woord.

LASTER
In de laatste weken — en maanden — is ds. Kersten bezig om vooral de Christ. Gereformeerden lastig te vallen met allerlei beschuldigingen in betrekking tot hun Doopsbeschouwing en „verbondsontzenuwende leer". Zoowel prof. Van der Schuit als prof. De Bruin, docenten aan de Theol. S(phool te Apeldoorn, klagen daarover en spreken van „laster". Wij gelooven, dat deze beide heeren gelijk hebben. Ds. Kersten meent, dat hij de rechte Verbondsbeschouwing heeft en hij alléén en verheerlijkt daarin zijn Kerkengroep. Nergens anders deugt er ook maar één haar van. Natuurlijk niet in de Gereformeerde Kerken, ook niet in de Hervormde Kerk — misschien een enkele „Kerstiaan" uitgezonderd — en nu ook in de Christ. Gereformeerde Kerk niet meer. En heel vroom zucht ds. Kersten nu: „Dat de oogen ook van de Christ. Gereformeerden voor de ook onder hen verbreide verbonds-ontzenuwende leer toch nog meer en meer opengaan".
Wat is het toch jammer, dat de laster de laatste jaren onder de broederen hoe langer hoe meer toeneemt. Waarom kan men elkander niet meer de eere geven die eere toekomt (Rom. 13 vers 7), ook al verschilt men in enkele dingen ?
Maar ja — als men de verschillen niet opblaast en als men niet met laster werkt, valt het recht van bestaan voor eigen kerkje en groepje weg. En dat zou wel het allervreeselijkste zijn van wat gebeuren kan. Daarom maar gelasterd en gescholden, dan rijzen eigen papieren in waarde, bij degenen, die — niet kunnen of niet willen onderscheiden wat waarheid en leugen is. Jammer, dat op 's Heeren erve in het midden des volks het wapen van laster en leugen en kwaadspreken en woordenverdraaiïng enz. zoo dikwijls gebruikt wordt. Zonder pardon rooft men elkanders goeden naam en zoekt liever het nadeel dan het voordeel van een ander.
Dat is zonde. Het is zonde voor God. Het is zonde tegenover onzen naaste en nog wel tegenover onze broeders en zusters in den Heere.
Of geldt dat laatste misschien óók al niet meer ?

DE ROEPING TOT EVANGELIE-DIENAAR
Over de roeping van jonge menschen, die dominé willen worden, wordt wel gesproken ; en er wordt dan gevraagd : welke moeten de kenmerken van zulke jonge menschen zijn, waaraan anderen kunnen gewaar worden of die roeping er waarlijk is. Is veelheid van woorden een kenmerk ? Is uitstallen van allerlei geestelijke dingen een kenmerk ?
Ook prof. Geels heeft 't er over, in verband met het eventueel aannemen en toelaten van 'leerlingen aan de Theol. School der Christ. Gereformeerde Kerk te Apeldoorn. In zijn „Veluwsche brieven" in „De Wekker" schrijft hij er over als volgt :„Natuurlijk, het gaat niet aan, om aan jonge menschen, die naar het heerlijk werk staan, eischen te stellen, welke niet in overeenstemming zijn met leeftijd en ervaring. Het gaat niet in de eerste plaats om de mate des geloofs, maar om het beginsel des geloofs. Bewijst het leven, dat er genade aanwezig is. Het genadeleven heeft zijn eigen kenmerken. Al dat uitstallen van geestelijke zaken beteekent zoo weinig ; in de levensopenbaring wordt ons een maatstaf tot controle aangegeven. Hoe is het karakter? Is er lust niet alleen, maar ook een aangrijpen van gelegenheden om het Evangelie uit te dragen in Zondagsschool en Evangelisatie ? De gevallen hebben zich voorgedaan, dat aspiranten met veel ophef getuigenis aflegden van hun roeping, maar ten aanzien van het bekend maken van den Naam tot zaligheid nimmer iets gedaan hadden. Dat klopt niet. Zou het mogelijk kunnen zijn, te deelen in genade en van Christus te kunnen zwijgen? Daarvoor behoeft men nog geen predikant te zijn. Daarvoor heeft men eiken dag gelegenheid in de omgeving, waarin men leeft".
Prof. Geels wijst er in een ander verband op, dat 'het woord des Heeren, tot Abraham gesproken, luidde : „Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht". Belijdenis en leven moeten het sieraad der waarheid dragen. Zij, die den berg des Heeren beklimmen, moeten hebben „reine handen en een zuiver hart" (Psalm 24). Levensheiliging als de vrucht van geloofsgemeenschap met den Hoogepriesler onzer belijdenis, die de Waarheid is.
De zonde verleugent het leven, de genade herstelt in het licht der waarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's