De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

„BEDREIGD, MAAR VEILIG”.

7 minuten leestijd

„Saevis tranquillus in undis". (Rustig te midden van woedende baren). Willem I, Prins van Oranje.

„Door het geloof", zoo lezen wij in Hebreen 11, „heeft Noach, door goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin, door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is".
De goddelooze wereld in Noachs dagen, hoe zag zij van de toppen der bergen over den grooten watervloed met benijding op de ark, het voorwerp van 120-jarigen spot. Wanhoop eenerzijds, vrede en gerustheid anderzijds. Hemel en aarde werden bewogen. En in dit schrikbarend tooneel was Noach gerust. Vlak boven zijn hoofd hoort hij den neêrstroomenden regen, om zich heen het gekrijt en gekerm der menschen, het gehuil en gebrul der dieren, het geraas en gebriesch der wateren onder zich en te midden van dit alles zit de geloofsheld rustig in de ark. Hoe zoo ? Hij wist, dat de HEERE, die de wateren regeerde, hem ook in die wateren wilde brengen, maar niet minder, dat diezelfde God, die hem daarin als had ingesloten, hem ook daarin wilde bewaren. Gelukkige, geloovige Noach ! Hoe gerust en veilig was het leven uwer ziel te midden van deze hooge en verbolgen wateren des kwaads !
Zien wij dit nog iets nader in het licht
van het Schriftwoord: „Ja, in een overloop van groote wateren zullen zij hem niet aanraken". Psalm 32 vs. 6b).
Ziehier, waarde lezer, een greep uit Davids onderwijs, gelijk hij, bearbeid van 's Heeren Geest, ons dit in den 32sten Psalm geeft. Een zucht uit een zielroerend gebed, 'n brokske uit den psalmbundel, door onze Vaderen terecht als het gebedenboek aangemerkt. Paulus las hem blijkens Rom. 4 vers 6—8. Historisch schijnt hij op den Sisten psalm te moeten volgen. In dezen toch belooft David den overtreders des Heeren wegen te leeren en in onzen psalm komt hij zijne belofte na. Zoo meent dan Hugo de Groot ook, dat deze psalm bestemd was om jaarlijks op den Grooten Verzoendag te worden gezongen, wanneer er een algemeene belijdenis van zonden gedaan werd. Belijdenis van zonden, vruchtgevolg van derzelver beleving, gaat immer gepaard met gebed, het eerste en laatste toevluchtsmiddel der geloovige ziel.
Zoo stond dan ook Davids leven schier geheel in dit merkwaardige teeken van 's Heeren bijzondere gunst. En, geen wonder, als wij opmerken, dat hij in het Woord aangeteekend staat als 'n Man naar Gods harte. Groot verschil met zijn schoonvader Saul, dien hij opvolgde, op den troon. Van dezen vermeldt de Schrift, dat hij Gods hand met zich had. Deze had uiterlijk voorspoed, hij versloeg duizenden; Davids weg daarentegen kronkelde zich in en door diepen tegenspoed, al versloeg hij zijn tienduizenden. En toch was hij, hoe paradoxaal 't ook schijne, voorspoedig als 'n man naar Gods harte. De Heere liet Zijner handen werk aan Zijn knecht David niet varen, maar Saul liet Hij los, gelijk de Heere dan ook, na zijn ellendig einde, Samuel beval geen leed over hem te dragen.
Ons tekstwoord spreekt van groote wateren, ja, van derzelver overloop. In den eigenlijken zin kende ook David in Kanaan natuurrampen ; meer dan eens was de Kison ten voorbeeld, zóó, dat er geheele legers door vernietigd werden. Evenwel gebruikt hij deze uitdrukking in overdrachtelijken zin en is hij gedachtig aan den veelvuldigen tegenspoed des rechtvaardigen. Zoo gebruikt hij 't zelfde beeld in psalm 42 : „O, mijn God ! mijne ziel buigt zich neder in mij. De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruisch uwer watergoten; al uwe baren en uwe golven zijn over mij heengegaan". Of, ook. in psalm 69 : „Verlos mij, o God! want de wateren mijner ellende zijn gekomen tot aan de ziel en de vloed overstroomt mij".
Er moet dus gedacht worden aan rechtstreeksche bezoekingen des Heeren, of aan de kwellingen der wereld en des Satans, die Hij in zijne wijsheid toelaat. Zij zijn menigvuldig en soms zéér zwaar ; daarom spreekt de dichter van „een overloop van groote wateren".
Rechtstreeksche bezoekingen. Hoe dikwerf waren zij Davids deel. Zeker, zij waren bitter, en toch in den nasmaak zoet, zéér zoet zelfs, als hij in die druk-en proefwegen zijne ziel voor den Heere wel bedreigd maar veilig weet, uitroept: „Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw Woord". „Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uwe inzettingen leerde". (Ps. 119 vs. 67 en 71). Zoo dienen de tegenspoeden in 's Heeren bestel om het hart van Gods kinderen nederig en teeder te houden, gelijk 't ook o.m. in Davids leven zoo duidelijk uitkomt, als de Heere Zijn goddelijke roede op hem legt en hij uitroept: „Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan". (Ps. 39 vers 10). Bedreigd, bezocht en toch veilig!
Kwellingen der wereld. En van de wereld buiten ons, èn van de wereld in ons. Van buiten schrik, van binnen vrees. Ach, der dagen een, zuchtte David, zal ik door de hand van Saul nog omkomen! Neen, David, Sauls afgunst wordt immers boven mate getemperd door Jonathans' liefde. En afziende van dezen dierbaren vriend, wiens vriendschap — let wel! — pas eindigde in zijn graf, kwam hij toch telkens weder waar hij wezen moest, bij zijnen God. En „David sterkte zich in den Heere, zijnen God". (1 Sam. 30 : 6), of, gelijk Paulus uitroept: Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn !" (Rom. 8 vers 32).
En toch, ach, die wereld in David, in ons !
Eens, jaren geleden, wees ik 'n reeds lang in den Heere ontslapen kind Gods op 'n, helaas, goddeloos dorp, de plaats zijner tijdelijke inwoning. Aldaar had een mijner toenmalige ambtgenooten 'n vacaturebeurt vervuld. Na afloop zeide hij : „Ik geloof, dat ik in Sodom ben geweest..." In verband met deze verklaring, vroeg ik dan onzen vriend: „Woont gij niet in Sodom ? " Met een glimlach keek hij mij even aan en, eveneens wijzend in de richting van zijn woonplaats, antwoordde hij op ernstigen toon: „Dat is 't ergste niet" en daarna de vinger richtend op zijn hart, ging hij voort: „dit Sodom is veel erger, want ik woon er in twee, dominé". Hoe treffend gezegd, niet waar! Dit toch was zijn dagelijksche bevinding. Maar, gelukkig, op 's Heeren tijd en wijze, wordt iedere Loth uit de diepweggezonkene Sodoms bevrijd en in het op het gebergte gelegen Zoar veilig binnengeleid. Laat het vleesch dan maar begeeren en in opstand zijn tegen den geest, en omgekeerd, een overloop van groote wateren de ziel benauwen, geen nood : „Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan ! Bedreigd en toch.... zoo wonderlijk veilig!
Eindelijk : aanvechtingen des Satans.
De apostel Paulus waarschuwt de gemeente van Corinthe : „Opdat de Satan over ons geen voordeel krijge : want zijne gedachten zijn ons niet onbekend". En, voorwaar, ook aan David, 'n Adams kind, ging hij niet voorbij. Jeremia weende in het verborgen over Juda's zonde en, nog eens, Paulus, hij kon niet dan weenende spreken over den wandel van hen, die hij vijanden noemde van het kruis van Christus. (Pil. 3 vers 18). En David ? Lees slechts de pericope Psalm 119 : 136—158. Zij vangt aan met de woorden: Waterbeken vlieten af uit mijne oogen, omdat zij Uwe wet niet onderhouden". Ook hij kende maar al te zeer den hem aanporrenden sterkgewapende, die zijn hof (hart) bewaart. (Lukas 11 vers 21). Dit baarde hem geen, vrede. Integendeel! Ziende op de uitgangen zijns harten, zijns levens, was hij dan niet de trotsche, sterke eik, maar, in contrarie, de ter aarde neigende treurwilg gelijk, die gebogen en als met de neus in het stof treurde en weende om de zonden van anderen, niet 't minst om die van eigen akker. En toch, hij wanhoopte niet, al ware hij die dikwerf nabij, want niet minder dan Job, mocht ook David, ziende op den sterkeren Gewapende, op den beloofden Messias, trots alle in-en uitwendige bedreiging, zich veilig weten in dfen jubelzang: Ik weet, mijn Verlosser leeft".
Een net belemmerd' onze schreden; Een enge band hield ons bekneld : Gij liet door heerschzucht ons vertreden:
Gij gaaft ons over aan 't geweld. Hier scheen ons 't water t' overstroomen.
Daar werden wij gedreigd door 't vuur; Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen, Verkwikkend ons, ter goeder uur.
Otterlo (Gld.)
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's