KOHLBRUGGE
en de leer des heils
IV.
Kohlbrugge legt zeer sterk de nadruk op de weldaad en de genade Gods, dat wij een betrouwbaar vast Woord hebben, dat geschreven staat; „welk een voorzorg en barmhartigheid Gods is het, dat wij dit Woord op papier kunnen lezen en telkens mogen ervaren, dat wij ons daaraan houden kunnen, zooals het is, spreekt en geeft. Maar de duisternis, hardheid en onverstand des harten weet dat niet naar waarde te schatten. Heeft iemand echter een staatspapier, een wissel of een groot bankbiljet, of een testament waarin hem een erfenis vermaakt wordt, in de hand, dan weet hij zich wel te verlaten op datgene, wat op zulk een papier geschreven staat. {Schriftuitleggingen XV, blz. 52).
„Welk een genade, dat God Zijn Woord heeft willen doen opschrijven in een boek, dat Hij daarvoor zorg heeft willen doen dragen, dat dit boek ongeschonden tot ons gekomen is.
Wij hooren God spreken in dezen Bijbel, spreken door het ongeschapen Woord, Zijn Zoon Jezus Christus, spreken tot ons, dat wij uit onszelf leugenaars zijn en afgodendienaars. God spreekt van het Bijbelblad tot ons, onmiddellijk doordat Hij door Zijnen Geest datgene, wat Hij heeft doen schrijven, in onze harten drukt, zoodat wij het gelooven moeten — of middellijk doordat Hij de troost en de leer, die Hij door Zijn Apostelen en Profeten geeft in onze harten als een troost, en Zijn leer langzamerhand gronden en bevestigen doet" (Schriftuitleggingen XIX, blz. 361).
Het feit, dat Kohlbrugge er zoo sterk nadruk op legt, dat het geschreven Woord het Woord van God is, voert ons tot de vraag van de inspiratie van den Bijbel. Onomstootelijk staat het voor Kohlbrugge vast, dat de gansche Schrift door den H. Geest ingegeven is. „De Heilige Geest, de Geest van alle waarheid en gerechtigheid, heeft de Apostelen noodwendig altijd zulke woorden doen schrijven, die juist gepast waren, zoodat daarmee juist dat uitgesproken werd, wat deze Geest tot troost der Gemeente wilde gezegd hebben". (Licht und Recht, I, 24). „De Heilige Geest heeft reeds vóór onze geboorte gezorgd, dat het Boek er was, welks Woord Hij Zelf den schrijvers ingegeven heeft; woorden, door welke Hij zóó tot ons spreekt, zooals het geen mensch vermag te doen". (Feestpredicaties 367).
Hoe de Heilige Geest zulks doet zonder de persoonlijkheid van den schrijver zelf uit te schakelen, daarover spreekt Hij aldus : „God heeft zich weliswaar van sterfelijke menschen bediend, om bij tijd en ontijd Zijn Woorden neer te schrijven. Maar het waren menschen, door Hem gezonden, die Hij te voren tot arme zondaars had gemaakt en die Hij, met Zijn genade verrijkt, tot boden gemaakt heeft. Deze hebben de woorden gesproken en neergeschreven, ook die dingen, die de Heere tot hen gesproken en hun geopenbaard had en welke de Heilige Geest voor de geschiktste hield om te straffen, te leeren en te vertroosten".
(Schriftuitleggingen 19—363). En toch waren de heilige mannen Gods niet maar een machine, een bloote pijp, fluit of harp. In een. predicatie over Psalm 18 vs. 21—25 zegt Kohlbrugge daarvan : „David was van Christus vervuld, niet in de gedachten; overleggingen van z'n verstand, maar Christus was in den Geest waarachtig in hem. Wie sprak dus de woorden van dit lied ? David ? O, als een menschenkind op en voor zichzelf zulke woorden kon spreken, dan vond men zulke liederen ook bij de dichters dezer wereld. Omdat Christus deze woorden gesproken heeft, zijn en blijven het levende woorden, welke nu, evenals eens bij David, in de harten van alle verloste heiligen en geloovigen weerklinken, en ook van hunne lippen vloeien als eens van de lippen van David. David is daarbij niet bloot een werktuig geweest, zooals een levenloos ding, een fluit, of een harp, maar Christus heeft David Zijnen Geest meegedeeld, die hem óok levendgemaakt heeft" (Licht und Recht, 381). „De werking van de in het Woord tot ons sprekende Heilige Geest, het zich waarmaken van dit Woord in alle gevallen des levens, is een onomstootelijk bewijs voor de Goddelijkheid des Woords; ja, een mensch kan het met alle zekerheid weten, dat God tot hem van het bijbelblad spreekt. (Kohlbrugge spreekt in het verdere van deze predicatie van de onloochenbare, almachtige, wondervolle werkingen des Heiligen Geestes door het Woord in het hart van aangevochten zondaren). „Welk een vreugde, die men ook voor de gansche wereld zou willen ruilen". (Schriftuitlegging XIX, 364).
Hoe verhoudt zich echter het geloof, tot den tekst zelf, die toch in de grondtaal geschreven is en velerlei varianten heeft ? „De Heilige Geest in ons betuigt, dat de Geest, die in de Schrift getuigt en het geloof werkt, de waarheid is. Zoo zal de mensch het ook zeker weten, dat de Bijbel Gods Woord is, al zijn dan ook het Hebreeuwsch en het Galdeisch van het Oude-en het Grieksch van het Nieuwe Testament, de alleen authentieke talen, zoo zal hij zich daardoor toch niet in de war laten brengen. Hij laat de geleerden hun Hebreeuwsch en Grieksch, wanneer zij met hun kennis niet worstelen om het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. Hij bekommert zich ook niet veel om allerlei z.g.n. varianten in de verschillende afschriften van den Bijbel, toen hij nog niet gedrukt was. De ware geloovige is van God geleerd en de genadige God heeft er voor gezorgd, dat Hij met ieder in z'n eigen taal spreken kan en daartoe noch Latijn, noch Hebreeuwsch, noch Grieksch noodig heeft, tenzij dan tot gronding en bevestiging der leer op bepaalden tijd". (Schriftuitlegging XIX, 366).
Kohlbrugge is absoluut geen verachter der wetenschap. Immers, hij heeft zelf getracht, om den zin en beteekenis van den grondtekst zoo nauwkeurig mogelijk te verstaan, omdat hij in de Oostersche talen zeer thuis was. Maar het waarheidsbewijs van den Heiligen Geest staat boven alle menschelijke wetenschap !
Zoo is dus ook de inspiratie een zaak des geloofs. Niet van een geloof, in den zin van een louter „voor waar houden", maar van een geloof, dat de Heilige Geest werkt door het Woord. Men kan ook niet het Woord Gods zoeken achter het geschreven Woord; dat voert tot onduidelijkheid en willekeur. God werkt het geloof door het geschreven of gepredikte Woord en de zondaar hoort in het diepst van zijn hart uit het Woord de stem van zijn genadigen God.
Klaar en duidelijk leert de Schrift den weg om het heil te kennen. „Wat de uiterlijke vorm aangaat, die is altijd verhevener en schooner dan alles wat zich in stijl en taal verheven en schoon laat denken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's