MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming; uitgever J. H. Kok te Kampen
Toen begreep zij hem. Zóó was hij, anders dan de menigte, omdat hij zooveel dieper voelde. En als straks de klokken zouden beginnen te kleppen, ten teeken, dat „de ure gekomen was", gelijk Jurjen, de aanspreker, gewoon was te zeggen, als iemand moest worden uitgedragen, dan zou Murk met zijn gedachten in stilte hier aan de uitvaart van den leeraar deelnemen en zich bezighouden met de overdenking van de dingen der eeuwigheid.
Nog even kwam Klaske aan de deur. Haar reis naar „Lucht en Veld", een paar dagen geleden, was van dien aard geweest, dat zy het zaak vond zoowel Murk alsook vrouw Kalma te vriend te houden, aangezien het haar duidelijk gebleken was, dat beiden bij Siderius en vrouw hoog aangeschreven stonden.
„Ga je met mij mee, buurvrouw ? " vroeg zij, terwijl zij het nooit gebruikte kerkboek met zilveren haak, 's vaders erf, fier voor zich hield. Maar buurvrouw had ook geen lust. Liever zou zij met Murk zich gaan verdiepen in de verborgenheden van het leven na den dood en van hem willen weten, hoe hij dacht over hetgeen de eeuwigheid bracht voor allen, die waren heengegaan. Daar sloeg de torenklok één, weldra gevolgd door een herhaald „bim bam!" van den klepel, ten teeken, dan Jurjen met zijn zwarten staf van dragers in aantocht was.
Toen werd het haar te eng, alleen in de kamer. Natuurlijk waren de kinderen bij het kerkhof, om daar door het jonge groen der pas ontloken heesters heen te gluren en te trachten iets te zien van dat geheimzinnig gedoe, daar naast dien verschen aardhoop, waar de diepe kuil het lijk van den dominé wachtte. Baije had nog wel flauwe herinneringen aan de begrafenis van haar vader, waar het óók zoo toeging, en zij aan de hand van moeder gestaan had, toen die zwarte kist langzaam naar beneden gelaten werd, tot zij stond op den bodem van het graf.
Moeder had toen zoo gesnikt, onder dien zwarten sluier, waarmede haar gelaat bedekt was, en toen had zij ook moeten schreien, omdat het alles zoo naar was. Daar stond de dominé toen ook bij en nu brachten de menschen hem zélf hier heen, niet eens zoo heel ver weg van het graf van haar vader, dat daar ginds, bij dat kleine steentje lag, waarop zijn naam geschreven stond, 't Sprak van zèlf, dat zij en al de andere kinderen dat zien moesten, waar uitdrukkelijk met het oog op deze gebeurtenis de school vrij-af had. Doch des te eenzamer gevoelde de moeder zich en onderging opnieuw haar eigen leed.
„Wat is die dood toch vreeselijk, Murk", kwam zij, en zette zich tegenover hem aan tafel. Aanstonds begreep hij haar. Vrouw Kalma doorleefde opnieuw de smart van het eigen scheidenswee en vertoefde in gedachten bij haar dooden. Haar hart had behoefte aan de vertroosting van een levenswoord, 't welk bij de graven niet te vinden was. Daarom ging zij niet met de menigte naar buiten, maar kwam hier. Langzaam keek hij op van de H. Schrift, den vinger leggend bij de plaats tot zoover hij gelezen had.
„Ja, dat is hij, vrouw Kalma. In den dood is niets dan verschrikking en ellende. Daarom is het leven van de kinderen der wereld ook zoo arm en hun toekomst zoo hopeloos donker. Zooals dat versje 't zegt:
„Open de wieg en gesloten de kist Dat zijn de palen van 't aardsche gewemel. O, ik zou weenen, wanneer ik slechts wist. Van een opene wieg, een gesloten kist, En óók niet van een open hemel.
Want Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus hopende waren, zoo waren wij de ellendigste van alle schepselen."
„'k Denk anders wel eens: waartoe is de mensch eigenlijk geboren ? 't Leven is niets dan moeite en verdriet, en dan in het eind nog die dood met al dat lijden, dat aan dezen vooraf gaat en waarvoor wij allen bang zijn".
„Dat is juist de vloek van de zonde, vrouw Kalma, dat wij daardoor onderworpen worden aan de heerschappij van den dood en de mensch zijn vrijheid en heerlijkheid verloor".
„Maar waaróm die zonde dan toch ? Waarom liet God al die ellende in de wereld komen ? Alles was toch Zijn werk, zegt de Schrift, en ook, dat Hij de Eenige, Almachtige is, en toch laat Hij toe, dat heel de Schepping bedorven wordt en het menschelijk geslacht verzinkt in het lijden, om tenslotte onder te gaan in den dood ? "
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's