De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

SYNODALIA
De zittingen van de Synode 1937 zijn weer beëindigd. Er zijn dit jaar 21 dagvergaderingen geweest en er is heel wat besproken, vastgesteld, goedgekeurd, aangenomen en — verworpen. Onze totaalindruk is, dat er hard, maar rustig gewerkt is, met goede voorbereiding. Tal van commissies hebben de zaken eerst bestudeerd en er zijn tal van goedbewerkte rapporten uitgebracht. Dat maakte, dat men geregeld kon doorwerken en er rustig kon worden beraadslaagd en overlegd, vóór een beslissing viel.
De vrouwelijke diaken is afgewezen. De regeling voor de Groote Steden is aangenomen. Voorloopig heeft men aanvaard de z.g. Groote Steden-raad. De kosten, er aan verbonden, zullen door de groote steden zelf moeten worden betaald. Er zal geen besturende macht aan dezen nog te creëeren raad gegeven worden.
Het arbitrage-voorstel, door de Vereeniging van Kerkvoogdijen aan de hand gedaan, is verworpen. Maar drie advocaten en twee predikanten zijn benoemd om aan de Synode van het volgend jaar iets anders en iets beters voor te leggen. Tot leden van deze commissie werden benoemd : ds. J. D. J. Addink te Heeze, mr. G. Vixseboxse te Almelo, mr. H. Mulderije te Amsterdam, mr. J. H. Bybau en ds. E. van Meer te Utrecht.
De motie-Kampen inzake het beruchte afscheid van den communistischen ds. Boers, te Roordahuizum, die een reis naar Rusland mocht gaan maken op kosten van zijn politieke vrienden, is door de Synode behandeld en met 14 tegen 5 stemmen is uitgesproken, „dat bij dat afscheid een en ander niet in orde was". Gelukkig, dat dit is erkend. Intusschen zit ds. Boers in Rusland. Misschien dat hij daar tot de ontdekking komt, dat er daar óók iets niet in orde is..........
De liederenbundel van ds. Hasper zal geen ingang in de Kerk verkrijgen. Uit het verslag van het Synode-lid, de heer M. ter Stal, oudouderling van Veenendaal, bleek, dat er zooveel bezwaren van allerlei aard waren, dat men algemeen er vóór was dezen weg niet op te gaan. De Synode zal nu haar eigen bundel aan de Kerk „aanbieden" ; waarvan het auteursrecht nu aan de Synode komt en blijven zal ; wat met de oude Gezangenbundels zoo héél anders is en blijft. De nieuwe bundel zal 275 liederen bevatten, waarvan 120 uit de tegenwoordige bundels. Voor de eerste maal zal als drukker optreden de fa. Brandt & Zonen te Amsterdam. In 1805 heeft de Synode zonder één voorbehoud de bundel verkocht aan één uitgever — maar dat is nu totaal en radicaal anders. Behoudens de Synode zelve, is er geen instantie meer, die aanspraak kan maken op rechten inzake de liederen, die gezongen zullen worden in de Hervormde Kerk. „Van een geheel nieuwe berijming der Psalmen is afgezien. Maar wel is duidelijker nu aangegeven het onderscheid van heele en halve noten, als hulpmiddel voor een levendiger rythme bij het zingen". Deskundigen op muzikaal gebied zijn geweest : dr. Joh. Wagenaar, wijlen de heer Wolff, dr. Bernet Kempers en prof. dr. G. van der Leeuw. De Psalm-en Gezangenbundel saam zal nu voor lage prijs verkrijgbaar worden gesteld.
De kwestie ds. Hupkes, van Zwaagwesteinde, die zoowat op „dood spoor" geloopen was, is door de Synode weer opnieuw in actie gezet. De besluiten van het Prov. Kerkbestuur van Friesland en de Syn. contracta (in de zaak ds. Hupkes) zijn thans vernietigd en de zaak is opnieuw in handen gesteld van het Classicaal Bestuur van Dokkum.De Raad van Beheer berichtte, dat er nog 179 achterstallige gemeenten zijn, waaronder 116 vacant. Het aantal niet-betalende gemeenten vermindert gestadig, en zoo kan er ook hier en daar weer beroepen worden.
Inzake de godsdienstonderwijzers is besloten, dat de opleiding door een schriftelijke cursus niet officieel gerekend zal worden ; de candidaten zullen vóór het examen een bewijs moeten overleggen, dat ze onder leiding van één of meer predikanten hun opleiding ontvingen. De studietijd zal van 2 op 3 jaar worden gesteld. Het examen zal niet meer kosteloos zijn, maar f 10.— moet worden betaald voor de Generale Kas. Zij die de acte bezitten, zullen in vacante gemeenten mogen voorgaan onder goedkeuring van den Kerkeraad ter plaatse en den praetor van den Ring.
De combinatie Bozum-Lutkewierum (Ring Sneek), door 't Prov. Kerkbestuur van Friesland reeds goedgekeurd, is door de Synode afgewezen.
Ds. F. Tammens, van Oostwold (> Gr.), die 25 jaar lid van de Synode is geweest (voor de prov. Groningen), heeft afscheid genomen, nu hij emeritus wordt. Hij was een zeer ijverig lid en heeft veel werk verricht, waarvoor hij alleszins bekwaam was. Zijn opvattingen waren oud-liberaal en hij behoorde tot de oud-moderne school.
Tot secundus quaestor-generaal is benoemd mr. F. J. Brevet van Rotterdam (Kralingen).
Er zijn in 1936 drie nieuwe predikantsplaatsen gesticht, maar, door combinatie, zijn er ook drie predikantsplaatsen opgeheven.
Er zal een diaconaal advies-bureau worden opgericht, waarin zitting hebben mr. F. A. Nelemans, ds. C. J. van Paassen, N. Janssen te Utrecht, A. Folmer te Den Haag en de heer W. J. Hemmes te Utrecht. Dit bureau wil de administratie van de diaconieën op hooger peil brengen.
De professoren dr. De Vrijer en dr. Berkelbach van der Sprenkel willen gaarne een centraal gebouw stichten, waarin alle bestuurslichamen enz. hun Bureaux kunnen hebben. Deze aangelegenheid zal verder door het moderamen der Synode en de genoemde professoren overwogen worden.
Inzake de Vluchtheuvelkerk te Zetten werd besloten het verband met de Ned. Hervormde Kerk te verlengen.
Met het combineeren van kleine gemeenten gaat het niet zoo vlot. We ontleenen aan 't rapport van ds. Barbas deze bezwaren : Het eischt veel voorzichtigheid en veel overleg. De geestesgesteldheid is vaak zoo verschillend. Sommige gemeenten zouden wel samengevoegd willen worden, maar niet onder de herderlijke zorg van den predikant, die er nu staat. Er is maar een enkele gemeente, waar het zou gaan.
Door de Class. Besturen van Appingedam en Leiden en door het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland zijn besprekingen gehouden met de z.g.n. weigerachtige gemeenten, om zoo mogelijk tot overeenstemming te komen, opdat het beroepingswerk kan worden ter hand genomen.
Over de verhouding tot de Indische Kerken, die nu een geheel nieuwe organisatie hebben, zal nader worden beraadslaagd, als inlichtingen verkregen zijn.
De wijzigingen van het Reglement voor de weduwen-en weezen hulpbeurs en het Hulppensioenfonds, noodig geworden doordat men thans op 65-jarigen leeftijd emeritus kan worden, zonder dat men 40-jarigen dienst heeft, zijn goedgekeurd en vastgesteld.
In verband met een brief van ds. Ten Kate te Brussel, zal over de verhouding tot Hervormde predikanten in het buitenland aan de Synodale Commissie advies worden gevraagd om tot een Voorstel te kunnen komen.

UIT DE GESCHIEDENIS DER REORGANISATIE-VOORSTELLEN III.
De artikelen 6 en 7 kunnen we overslaan, handelend over Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche Gemeenten — en de Provinciale ressorten met hunne Classes (waarbij alleen zij opgemerkt, dat de Waalsche Gemeenten, die nu een onevenredig groote plaats innemen, in artikel 7 van het Ontwerp geplaatst zijn als een Classes in het Provinciale ressort van Utrecht ; de provincie Utrecht heeft daar 4 Classes en wel Utrecht, Amersfoort, Wijk — en dan de Waalsche Gemeenten).
Artikel 8 is weer belangrijk. Het luidt : „De kerkelijke vergaderingen bepalen hare werkzaamheden binnen de grenzen harer bevoegdheden, zoodat zij niets behandelen, wat uitsluitend tot den werkkring van een andere vergadering behoort ; en een meerdere vergadering ook niet overgaat tot behandeling van wat in eersten aanleg in een mindere vergadering behoort, tenzij het in deze niet kon afgehandeld worden.
Kerkelijke vegaderingen hebben het recht, in zaken, welke tot hare bevoegdheid behooren, voorstellen in te dienen en voorlichting te vragen bij de vergaderingen van het breedere ressort, waar zij onder behooren".
Hier blijkt uit, dat het Ontwerp voor onze Hervormde Kerk niet het Besturen-apparaat begeert, , waarmee dan ook radicaal gebroken wordt, om weer te kunnen komen tot de echte kerkelijke vergaderingen — Kerkeraad, Classicale Vergadering, Provinciale Synode en Nationale Synode — waar de Kerk zelve kan spreken, oordeelen en handelen, naar de orde van het klassiek Gereformeerde Kerkrecht. Men heeft zich hier in het Ontwerp aangesloten bij artikel 30 van de Dordtsche Kerkorde — en bij wat in 't begin van de Dordtsche Kerkorde als grondbeginsel van het Gereformeerd Kerkrecht is vooropgesteld. Het Concept-reglement van 1809 (uit de dagen van Koning Lodewijk Napoleon, zie Hooyer, Kerkenordeningen blz. 499) had dit beginsel ook vóóraan staan. Zie ook het Ontwerp van prof. Slotemaker de Bruine en ds. Blanson Henkemans, van het jaar 1905.
Art. 9, dat nu volgt, was aldus geformuleerd : „Het bestuur en opzicht over de Gemeenten, zooals dat volgens art. 5 Algem. Reglement door de verschillende kerkelijke vergaderingen uitgeoefend wordt" (hebt Ge gelet op elk woord, dat hier staat? !) „beoogt in het bijzonder de toegewijde zorg voor den bloei der Nederlandsche Hervormde Kerk, de handhaving harer leer, met name van de eerbiediging van Gods Woord als regel van geloof en leven (art. 7 Ned. Geloofsbelijdenis) en de prediking van het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere (Zondag 6, Heidelb. Catech.), de uitbreiding van Gods Koninkrijk, de bevordering van de kennis der heilswaarheid en van christelijke zeden, en de aankweeking van liefde voor Vorstenhuis en Vaderland".
De „toelichting" bij dit artikel 9 luidt :
„Art. 11 van het tegenwoordig reglement. De, nummering van 1616 komt met deze overeen, wat betreft den inhoud en de strekking van dit artikel. De Commissie bedoelt de uitdrukking „handhaving harer leer" te verduidelijken in dier voege, dat de centrale beteekenis van Gods Woord en van den Christus als middelpunt daarvan, waarmede de Hervormde Kerk staat en valt, duidelijk, met verwijzing naar onze Confessie, worde vermeld. De uitdrukking „de uitbreiding van Gods Koninkrijk" wil aanduiden, dat in de zorg voor den bloei der Kerk als vanzelf de toewijding aan de Zending behoort besloten te liggen ; gelijk bij de zorg voor de Hervormde Kerk het geloof aan „ééne heilige, algemeene Christelijke Kerk" uitdrukkelijk wordt verondersteld".
Art. 10 luidt : „De leden van deze kerkelijke vergaderingen worden gekozen op de wijze, welke verder in de verschillende hoofdstukken van dit Reglement is aangegeven.
Aan elk van de leden der kerkelijke vergaderingen, behalve aan de kerkeraadsleden en predikant-leden van Classicale Vergaderingen, wordt een secundus toegevoegd, die de vereischten heeft om als lid op te treden.
Bij tijdelijke ontstentenis van den primus, treedt de secundus voor hem op als gewoon lid. Bij aftreding tusschentijds van den primus wordt de secundus gewoon lid gedurende den tijd, voor welken de primus aangewezen was".
Men ziet hieruit, dat, naar het karakter van de Kerk, alles opgebouwd wordt naar het beginsel van de kerkelijke vergaderingen, waarbij de Kerkeraad de grondvergadering is. daarop volgt de Classicale Vergadermg, verder komen de Provinciale Synoden en dan tenslotte de Algemeene Synode.
In art. 11 wordt dan o.a. gezegd (wij nemen het maar niet in z'n geheel op) : „De leden der kerkelijke vergaderingen en commissies stemmen in de samenkomsten, tot welke zij zijn afgevaardigd altijd hoofdelijk en zonder aan lastbrieven gebonden te zijn".
In de „toelichting" wordt, wat dat laatste betreft opgemerkt : „Uit het tegenwoordige Art. 10 is de clausule : „zonder aan een lastbrief gebonden te zijn" overgenomen. Een „bindend mandaat" is niet aan te bevelen. Dit behoort alleen thuis in een stelsel, dat éénzijdig het Kerkverband van onderop opbouwt. Het overleg plegen van een meerdere vergadering, dat aan een stemming vooraf gaat, wordt vrijwel illusoir, als te voren alle stemmen over de aangelegenheid reeds gebonden zijn".
Met deze beschouwing zijn we het geheel eens. Die werkelijk waarde hecht aan de meerdere vergaderingen, gelijk ieder Gereformeerd-voelend mensch toch doet, moet niet beginnen van te voren door de kleinere vergadering de bespreking op de meerdere vergadering, waar meerdere Kerken geconcentreerd vergaderen, te binden en machteloos te maken.Wij gelooven toch aan de belofte van den Heiland, aan Zijn Kerk gegeven, dat de Heilige Geest zal leiden in alle waarheid. Natuurlijk zijn de besprekingen in de kleinere vergadering van beteekenis, maar men moet niet van te voren de beraadslagingen van de meerdere vergaderingen, waar een grooter aantal Kerken samen komen, onder aanroeping van den Naam des Heeren, afsnijden. De „breedere" vergaderingen moeten niet van haar beteekenis en werking beroofd worden.
Art. 12 slaan we maar weer over en noemen hier Art. 13. Dat luidt :
„Geene algemeen bindende reglementen, of veranderingen in de bestaande, kunnen worden vastgesteld dan door de Algemeene Synode" (zie Art. 5^).
„Geene bijzondere reglementen voor provinciale ressorten, of veranderingen daarin, kunnen in werking worden gebracht, dart door de Provinciale Synoden, na de goedkeuring dér Algemeene Synode te hebben ontvangen ; geene bijzondere reglementen voor classicale ressorten, of veranderingen daarin, dan door de Classicale Vergaderingen, na de goedkeuring der provinciale Synoden te hebben verlangd ; geene bijzondere reglementen voor de plaatselijke Gemeenten, of veranderingen daarin, dan door de Kerkeraden, na de goedkeuring te hebben ontvangen van de Classicale Vergadering.
Deze goedkeuring van een meerdere vergadering mag niet geweigerd worden, tenzij het blijken mocht, dat de bijzondere reglementen met de algemeene in strijd zijn".
Hier zou men kunnen opmerken, dat in Art. 5 de rij der vergaderingen begint bij den Kerkeraad en opklimt tot de Classicale Vergaderingen, de Prov. Synoden en ten slotte tot de Algemeene Synode, en dat nu hier in Art. 13 begonnen wordt met de Algemeene Synode, om af te dalen langs de Prov. Synoden en Classicale Vergaderingen naar den Kerkeraad.
Maar de „toelichting" zegt o.i. terecht :
„Wij behielden de opeenvolging van het huidige Art. 12 (van het tegenwoordige Algemeene Reglement) van het algemeene naar het bijzondere : dus van Synode tot Kerkeraad.
Daartegen schijnt ons in dit verband geen bezwaar, omdat de reglementen met de breedste werkingssfeer eerst genoemd worden".
De opmerking wordt echter dan niet achter gehouden : „Het Concept-Slotemaker de Bruine—Blanson Henkemans keert de volgorde om, en begint hier ook van ónder óp met de Kerkeraden en de bijzondere reglementen der plaatselijke Gemeenten".
Wij, voor ons, zijn het met de volgorde-Slotemaker de Bruine méér eens dan met het Ontwerp-1930. Maar daarover valt natuurlijk te praten.
Opgemerkt moet hier ook worden, dat in het Ontwerp-1930 in dit verband geen sprake is van Ringen en Ring-reglementen, omdat de Ringen absoluut geen kerkelijke vergaderingen zijn ; ze passen in 't geheel niet in het kerkelijk verband, maar zijn eigenlijk (heel onnatuurlijk) niet anders dan een domineeskring. De regeling b.v. van de vacaturenbeurten komt niet toe aan den Ring (dominees-kring) maar aan de Classis, die daarvoor op de Classicale (kerkelijke) vergadering regelingen treft. [In de tweede Afdeeling art. 30—37 wordt over De Ringen afzonderlijk gehandeld].
Art. 14 luidt : „Ieder lidmaat en lid der Kerk is verplicht de besluiten, uitspraken en beslissingen van de bevoegde kerkelijke vergaderingen te eerbiedigen, evenals iedere kerkelijke vergadering die van de meerdere vergaderingen, behoudens het recht van hooger beroep en de aanvrage van herziening of vernietiging dier besluiten, uitspraken en beslissingen".
We slaan nu maar een aantal artikelen over (want we kunnen hier niet alles noemen) en beginnen weer bij het tweede deel van het Ontwerp waarboven staat : II. Bijzondere bepalingen. Hoofdstuk I handelt dan over : de Gemeenten en hare Kerkeraden, de Ringen en hunne Vergaderingen.
En art. 19 luidt dan : „De plaatselijke Gemeenten blijven bepaald binnen de grenzen, waarin zijn nu bestaan, zoolang daarin op wettige wijze, bij dit Reglement aangegeven, geen verandering zal zijn gemaakt.
De erkenning van Stichtingsgemeenten en haar verband met de Gemeenten, binnen welker grenzen zij gevestigd zijn en met de Kerk in het algemeen, worden in ieder afzonderlijk geval door de Synode geregeld."
Art. 20 : „Grootere Gemeenten kunnen worden ingedeeld in territoriaal afgebakende buurtgemeenten, welke tezamen een centrale Gemeente vormen.
Deze indeeling geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de vorming van buurtgemeenten.
Aan elkander grenzende Gemeenten kunnen, op de wijze, in genoemd Reglement aangegeven, tot een Centrale Gemeente worden vereenigd en in buurtgemeenten worden in­ gedeeld".
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's