MEDITATIE
ALLE GERECHTIGHEID VERVULD
„Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga henen naar de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch, die opkomt; en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hem aan hen, voor Mij en u." Mattheüs 17:27.
De Heere Christus is van Nazareth in Kapernaüm gaan wonen. Het is Zijn stad. En nu heeft Hij voor eenigen tijd die plaats verlaten, doch is thans juist wedergekeerd. Tijdens Zijne afwezigheid heeft men de jaarlijksche tempelschatting geïnd en zal men óók Hem daarom vragen zoodra de gelegenheid zich voordoet.
Ieder in Israël is verplicht, boven de twintig jaar oud zijnde, een heilige halve sikkel of didrachme bij te dragen voor het onderhoud van den eeredienst. Het is een hefoffer voor den Heere. Nauwgezet begeert men dat te bewaren en dit kan een goede gewoonte geheeten worden.
Maar nu wenden ze zich niet onmiddellijk tot den Christus Zelve, Simon Petrus wordt aangesproken of zijn Meester de verschuldigde didrachme zal betalen, want anders hebben ze een schoone oorzaak tegen Hem gevonden. En in den Heere wordt reeds de discipel achtervolgd, wat deze heden antwoorden zal. De aanhangers van den Borg en Zaligmaker genieten in het algemeen niet veel rust in deze gejaagde en vijandige wereld.
Petrus met zijn krachtige natuur het opnemende voor zijn Meester, in oprechte liefde voor Hem ontstoken, zegt aanstonds: „Ja." Zonder daar eigenlijk verder bij na te denken, immers wetende dat zijn Heere, De God der Gerechtigheid is.
Evenwel is aan den Kenner aller harten niets ontgaan. Hij, meerder dan de Tempel en alle Tempelschatting vraagt nu aan Zijn jonger, van wie de koningen der aarde schatting eischen, van hunne zonen of van de vreemden. Simon antwoordt natuurlijk: van de vreemden, waarop de Christus verklaart, dat dan de zonen vrij zijn.
Merkt het op, hoe duidelijk spreekt hier de Heere Jezus Zijn innig Zoonschap tegenover Zijn dierbaren Vader in de hemelen uit om Simon Petrus te bezegelen, hetgeen deze in de deelen van Caesarea Filippi betuigd heeft: ,, Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods", maar wat de discipel thans niet zoo sterk heeft bedacht.
Waarlijk Christus alleen is voor Zichzelf volkomen vrij van alle tijdelijke schatting, hoeveel te meerder hebben wij Hem dan te leeren kennen en prijzen, dat Hij eene eeuwige schatting betaald heeft voor arme en verloren zondaren, in de verdienste van Zijn verzoenend bloed aan het kruishout van Golgotha. Israël mag het hefoffer betalen, de Heere Christus zal Zijne reine ziele wegschenken tot een schuldoffer om de eeuwige redding van Zijn uitverkoren Sion.
Toch bespeuren we ook hier, dat de Zone Gods nooit ergens eenige aanstoot heeft willen geven. De schatters van Kapernaüm kennen Hem als den grooten en algenoegzamen Betaalmeester niet en dus wenscht Hij voor hen alzóó niet een rots der ergernis te zijn. Later zullen ze van Zijn rantsoen vernemen en — het wellicht dan ook verwerpen.
Petrus komt thans wederom op de leerschool van Zijn Meester. Hij moet naar de Galileesche zee gaan en den angel uitwerpen. Neen, de Christus opent niet de gewone beurs, die Judas bij zich draagt, geen visschersscheepje en geen net worden thans door den ervaren visscher gebruikt, de alvermogende Majesteit handelt naar Zijn Bestel en alles, evengoed in de zeeën en in de diepten, moet Hem gehoorzaam zijn, luisteren naar Zijne wenken.
Toch, de discipel wordt door den Heere aan het werk gezet. Waar de Heilige Geest Zich door den Zone Gods belieft te verheerlijken, daar is altijd werk. Het is de arbeid voor de uitbreiding van het Koninkrijk der hemelen, juist tot meerdere versterking en bevestiging van een diep afhankelijk zondaarshart, zooals bij Simon Petrus.
Dan weerklinkt het aanbiddelijk getuigenis van den Borg en Middelaar : „En neem den eersten visch, die opkomt en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden". De Heere regeert!
Zoo behaagt het den Christus des Heeren, om Zijne heerlijkheid te openbaren en om opnieuw te verklaren, dat Hij Gods eeniggeboren Zoon is. God uit God uitgegaan, niet met de gewone middelen te willen betalen, maar van de altoos rijk gevulde schatkist van Zijn geliefden Vader.
Welk een almacht toch van den Heere. Eén visch en op die ééne visch komt het thans aan. Die heeft den stater, dat is twee didrachmen bij zich. Neen, niet een voor Petrus alleen en voorts niets. De Zone Gods stelt Zichzelf onder de heilige Wet. Ik denk hier aan Zijn volzalig woord:
„Want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen", naast de uitspraak van Paulus: „Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden onder de Wet".
Ziet nu even op het getuigenis van den Christus. Eén stater. Dat is precies genoeg. Simon moet er tevens uit verstaan, dat iedere gunst des Heeren eene groote gave en weldaad van den hemel is, van Hem, van Wien alles in vrije ontferming afdaalt en gelijk de Kerke Gods belijdt: „Door U en door U alleen om het eeuwig welbehagen".
We lezen verder niet of de discipel het zoo heeft bevonden, naar de Heere het zegt en belooft. Dat spreekt immers vanzelf. De Heere heeft het verzekerd, Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er, de visschen der zee zijn Hem alle onderworpen.
En in dat vast betrouwen op Zijn Meester is Petrus heengegaan. Nog bekent de Heere Christus : ,, Neem dan dien stater en geef hem aan hen, voor Mij en u". De Zaligmaker zegt hier niet: geef hem voor ons. Want hier ligt de groote scheiding, de eerbiedige afstand tusschen den Zone Gods en den verdorven zondaar, den Heilige Israels en den overtredenden mensch, óók al heet deze Simon Petrus en al is hij uitverkoren in Hem van vóór de grondlegging der wereld.
Dat nu mag de jonger nimmer vergeten ! En bijna heeft hij het gedaan. Christus Jezus plaatst Zich onder de Wet, maar geheel vrijwillig. Wij liggen allen onder die Wet voor God verdoemelijk en verloren. Hij heeft in wondere goedheid het recht der Wet willen voldoen, opdat wij Hem in onze doodelijke armoede en ellende zullen mogen belijden : „Wees ons genadig, o ! Heere om Uwe goedertierenheid." Zoo spreekt de Verlosser óók tot Maria Magdalena van Mijn Vader en uw Vader, Mijn God en uw God. Wat is Maria meer dan een behouden zondares !
Welgelukzalig, wie de breuke heeft leeren kennen bij het ontdekkende licht van den Heiligen Geest, juist voor dien mensch mogen de woorden „voor Mij en u" tevens een nauwe samenvoeging bevatten, een zeer heerlijke vereeniging door Zijn genade alleen.
Want als Petrus den stater aanschouwt, weet hij, dat hij er toch bij behoort en dat de Heere voor hem eveneens heeft betaald. Het is genoeg, ja mede voor den discipel des Heeren. De getrouwe Borg en Verzoener heeft óók voor hem vereffend, óók zijn schuld is betaald geworden.
Door Christus' schatting, veel meerder dan zulk een stater, door de betaling in het dierbare bloed des kruises is het weder mogelijk geworden, dat de breuke geheeld en weggenomen wordt en dat de Zone Gods een doodschuldig zondaar met Zich verzoent en voor eeuwig met een Drieëenig God vereenigt. In Hem en in Hem alleen, is de volle prijs geschonken aan de allerhoogste Majesteit. Vandaar óók de eerbied, vreeze en aanbidding, die het vrijgekochte Sion voor den Christus des Heeren heeft leeren kennen, als zondaren gerechtvaardigd. En een geheiligd volk roemt in een geduchten Heere der legerscharen, want wie zijn en blijven zij in zichzelf!
Petrus heeft niets gehad om te betalen, daarom gij, die, niets den Heere hebt aan te bieden dan schuld en nog eens schuld, de Heere alleen doe het uwe arme harten smaken, wat "de apostel Petrus later geschreven heeft aan de klein-Aziatische gemeenten : „Alzoo wetende, dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud verlost zijt uit uw ijdelen wandel, maar door het dierbaar bloed van Christus als van een onbestraffelijk en onbevlekt lam.
Voor Mij en u! Hoe meer de breuke erkend en toegevallen : „Heere ga uit van mij, want ik ben een zondig menschenkind", des te inniger dan tot Hem uitgedreven door de trekkende kracht des Heiligen Geestes om voor eeuwig met Hem verzoend te mogen zijn tot heerlijkheid en prijs des hemelschen Vaders. Ja, om eenmaal in den Tempel Gods daarboven den algenoegzamen Betaalmeester, Christus Jezus, groot te maken. Het doe ons belijden met den dichter der oudheid : „Zijn' is de zee, z' is door Zijn kracht, Met al het droge voortgebracht. 't Moet alles naar Zijn wetten hooren. Komt, buigen w' ons dan biddend neer! Komt, laat ons knielen voor den Heer, Die óns gemaakt heeft en verkoren".
Psalm 95:3.
Dordrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's