De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De beweging van Möttlingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De beweging van Möttlingen

12 minuten leestijd

IV (Slot).
Theologische bezwaren.

Wij hooren wel eens opmerken, dat het niet geoorloofd is, op een of andere beweging critiek te oefenen, wanneer men er zelf geen kennis mede gemaakt heeft. Zoo zou, men een bezoek aan Möttlingen gebracht moeten hebben, om er iets over te mogen zeggen, terwijl men samenkomsten van de Oxford-beweging moet hebben bijgewoond, om tot spreken bevoegd te zijn. Met deze opvatting kunnen wij om twee redenen niet accoord gaan. In de eerste plaats zijn bovengenoemde bewegingen in woord en geschrift wel zóó naar buiten getreden, dat iedereen, die zulks wenscht, uit de papieren der bewegingen kan te weten komen, wat ze zijn en bedoelen. De beginselen, waaruit Möttlingen en Oxford leven, zijn van zóó algemeene bekendheid, dat men de bewegingen geenszins behoeft mis te verstaan of onrecht te doen, indien men die toetsen gaat aan een maatstaf, waaraan zij behooren te beantwoorden, vanuit positief christelijk standpunt. Vervolgens achten wij een en ander geoorloofd en geboden, omdat de bewegingen zich bij voorkeur beroepen op den apostolischen tijd, waarvan zij zelf geen ooggetuigen geweest zijn. Veelal wil men dus een methode, die men zelf volgt, bij anderen afkeuren. Zonder ons geweten te bezwaren, mogen wij over Möttlingen en Oxford er gerust een oordeel op na houden, mits dit op zelfstandige studie gefundeerd is.
Dat wij een en andermaal Möttlingen met Oxford combineerden, heeft een redelijken grond. Beide bewegingen vertoonen veel overeenkomst, al zouden wij niet willen gaan in de richting van hen, die in Möttlingen een meer democratische, en in Oxford een aristocratische beweging zien. De overeenkomst ligt o.i. meer in het theologisch uitgangspunt. Beter ware het misschien geweest, wanneer wij het woord theologisch tusschen aanhalingsteekens hadden gezet, want van theologie in den waren zin des woords is eigenlijk bij geen van beide bewegingen sprake. Omdat de bewegingen in dit opzicht geenerlei pretentie hebben, doen wij ze met deze bewering geenszins onrecht. Wij komen hierop nog wel terug.
Zooals reeds in ons eerste artikel werd opgemerkt, wil Möttlingen terug naar den apostolischen tijd. Een nieuw Pinksterfeest moet beleefd worden, terwijl de gaven en krachten, die toen werkzaam waren, wederom; opgewekt en toegepast moeten worden. Men gaat dus uit van de gedachte, dat dit mogelijk is. De gaven des Geestes, die de apostelen hadden, worden dan ook niet als bijzondere beschouwd, doch men meent, dat zij ook thans nog zeer wel kunnen voorkomen. Wij hebben hier te doen met een cardinale theologische fout, die wij onder geen voorwaarde mogen laten passeeren. Oogenschijnlijk mag zij onschuldig schijnen, in den grond van de zaak randt zij het karakter van de Heilige Schrift op niet ongevaarlijke wijze aan. Laat ons dit aantoonen !
Dat Möttlingen inderdaad zich binden wil aan en teruggrijpen naar de eerste christengemeente, blijkt uit het boekje van ds. Plug. Op de vraag, of er in Möttlingen werkelijk iets bijzonders gebeurt, antwoordt hij, dat dit inderdaad het geval is, wanneer men let op de heerlijke dingen, die er geschieden, en waarvan men zelden hoort. Vervolgens zegt hij echter : „Maar aan de andere kant moeten we zeggen : neen, want het gaat in niets boven het evangelie uit. Wat heeft het evangelie in de eerste christenen, naar de Handelingen der Apostelen en de brieven van Paulus ons leeren, uitgewerkt ? Is het niet hetzelfde, n.l. dat het een kracht was tot zaligheid ; hooren wij niet van geestesgaven, van wonderen en teekenen, van waarachtige liefde en eensgezindheid, van zichzelf verloochenen en alleen leven voor Christus als den Heer ? " In dezen geest zegt ds. Plug nog meer. Volgens, hem zijn de broeders zóó kinderlijk, en naar eigen oordeel zelf zóó niets, dat de Heiland door hun hand groote wonderen en teekenen kan laten gebeuren, zooals we dat van de Apostelen lezen.
We staan dus voor de vraag, of het waar is, dat de uitstorting van den Heiligen Geest zich niet beperkt tot den Pinksterdag van Handelingen twee, maar zich telkens herhaalt of althans herhalen kan, als wij er maar vurig genoeg om bidden. Is het waar, dat er thans nog geschieden kan, wat er in den tijd der Apostelen plaats greep ? Heeft de Heilige Geest Zich in onze dagen.teruggetrokken, en moeten wij dus bidden om een nieuwe openbaring van Hem ?
De oude Blumhardt stelde de volgende vragen : 1. Waarom wordt zoo beslist aangenomen, dat de gaven der Apostelen bijzonder geweest zijn ? 2. Met welk recht wordt beweerd, dat de tekst Joh. 14 : 12 (Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden : die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meer doen dan deze.) a. alleen op de Apostelen betrekking heeft en b. onder die meerdere dingen niet wonderen rekent ? 3. Waarom is het groote verschil tusschen den tijd der Apostelen en onzen tijd niet een straf, die de gemeente ondergaat ? 4. Met welk recht wordt beweerd, dat de kracht tot vergeving der zonden alleen verleend was aan de Apostelen ?
Hierop kan in het algemeen 't volgende worden geantwoord.
Het is een groote dwaling, te meenen, dat een nieuw Pinksteren zou mogelijk zijn. Wij zeggen : het is onmogelijk. Sedert Zijn uitstorting wóónt de Heilige Geest op aarde. Volgens Gods eigen belofte zou Hij nimmer meer van Zijn Kerk wijken. Zoodat een twijfelen aan deze waarheid zonde is voor God. Ook al zien wij kortzichtige menschen het veelal niet, niettemin staat net vast, dat de Heilige Geest nog steeds op deze aarde verblijf houdt. Nog steeds gaat de Geest der Waarheid voort, de wereld te overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Dat wij daar zoo weinig van zien, en Zijn kracht zoo weinig ervaren, ligt niet aan een eventueel teruggetrokken zijn van den Geest in den hemel, doch daaraan, dat ook wij Hem steeds wederstaan. In dit opzicht zijn wij als de Joden in Jezus' dagen. Wij willen tot Hem niet komen, alhoewel Zijn Geest onder ons woont en werkzaam is. De begeerte naar een nieuw Pinksterfeest is dus een verloochening van wat God reeds eenmaal in de historie deed. De heilsfeiten zijn niet voor herhaling vatbaar en ook niet als zoodanig bedoeld. Wie dit toch meent, ziet niet in, dat God Zijn Kerk op den Pinksterdag een schrede verder gebracht heeft op den weg, die naar de voleinding aller dingen leidt. Wanneer het waar zou zijn, dat het Pinksterfeit zich herhalen kon, (doch het is Gode zij dank niet waar !), dan zijn de heilsfeiten van weleer niet absoluut geweest in voltrekking en doel. De Heilige Schrift is dan niet genoegzaam om Gods openbaring, voor zoover wij die kennen moeten, te leeren verstaan. Op deze wijze is de weg geopend tot de groote ketterij, dat God ook buiten Zijn Woord om nog openbaringen geeft. Dat dit in strijd is met de algenoegzaamheid van den Bijbel, behoeft niet in den breede betoogd te worden. Indien de heilsfeiten zich zouden kunnen herhalen, dan is het werk Gods in Christus zonder waardij gebleken. Christus' vleeschwording. Zijn lijden, sterven en opstanding hebben voor de Kerk van alle eeuwen, die na Hem gevolgd zijn en nog volgen zullen, blijvende beteekenis. Zoo roept de dag waarop Petrus zijn Pinksterrede hield, niet om een soortgelijke in Rotterdam, of in Möttlingen, of onverschillig waar ! Laten wij ons houden aan het Woord van God, dat zegt, dat de Heilige Geest uitgestort is. Het anders te zien is een miskenning van Zijn Woord, dus zonde.
Er is meer.
Ook de misvatting, dat de gaven en krachten, die in de eerste christengemeente werkzaam waren, zich wederom kunnen en moeten openbaren, is ernstig.
Wanneer Möttlingen wat meer aan Schriftstudie deed, dan zou het weten, dat niemand minder dan de apostel Paulus zich tegen het bijzondere, dat de jonge Kerk kenmerkte, verzet heeft. Er waren in de gemeente van Corinthe, men zie 1 Cor. 12, geestes-aristocraten, die de voorkeur gaven aan het buitenissige. De verschillende gaven, die men in die gemeente kon aantreffen, men leze 1 Cor. 12 en 14, waren aanleiding tot veel strijd, hetgeen de apostel betreurt. Op zichzelf waren de diverse gaven goed, want het was God, die ze gegeven had, maar wanneer zij in de gemeente een twistappel gingen worden, dan was het beter, vast te stellen, dat het tot stichting der gemeente beter is, 5 woorden te spreken met zijn verstand, dan 10.000 in een vreemde taal. De bijzondere profetie, die in de gemeente van Corinthe in overvloedige mate gevonden werd, was volgens Paulus goed, mits men ook den uitleg geven kon van hetgeen men in zijn extatischen toestand gezien, gehoord of ervaren had. Kon men dat niet, dan kon men het buitengewone, hoe 'mooi en interessant dit op zichzelf ook wezen mocht, beter achterwege laten . Wanneer men met zijn bijzondere geestesgaven niet stichten kon, dan was het gewone te prefereeren boven het aparte. En het is de weg van het gewone, dien de apostel toont, als hij zegt : „En ik wijs u eenen weg, die nog uitnemender is", doelende op de liefde, die de Kerk in de toekomst stichten, bouwen en leiden kan.
Staan wij dus naar wonderen en teekenen, en naar bijzondere geestesgaven, dan hebben wij wel te beseffen, dat wij daarin de onderrichting van den apostel niet ter harte nemen. Wij hebben Gods openbaring in Zijn Woord, en mogen niet staan naar dingen, die God alleen maar noodig geoordeeld heeft voor Zijn Kerk, toen zij nog in de „kinderschoenen" stond. Al was het geestelijk leven in de eerste Christelijke Kerk voor ons om er jaloersch op te worden, — wij beschikken over Gods openbaring, zooals Hij die in den Bijbel heeft willen bezorgen, welke in dien tijd nog in wording was. Bewegingen als die van Möttlingen doen een misplaatst beroep op den Bijbel, wijl zij zijn karakter miskennen, en hem onze gevoelens en strevingen willen opdringen.
Wie wel eens wat gelezen heeft over de godsdienstige opvattingen van de volgelingen van Möttlingen, zal weten, dat ze zeer oppervlakkig zijn. Vele menschen, die voelen voor Möttlingen of Oxford, kunnen een onverbiddelijke critiek oefenen op de Kerk. Wij zullen geenszins ontkennen, dat er aan de Kerk wel een en ander hapert, en dat de beleving van waarachtig christelijke beginselen dikwijls veel te wenschen overlaat. Wat wij echter nimmer kunnen goedkeuren is dit, dat die onbarmhartige critiek komt van menschen, die óf nooit tot eenige kerk hebben behoord, óf, indien zulks wel het geval is, ter plaatse, waar 't behoort, niet voldoende mede gearbeid hebben om misstanden te helpen verbeteren. Ook haperde het bij de meesten der laatsten niet zelden aan de kennis en beleving der ware beginselen. Uit deze overwegingen is de oppervlakkigheid, waarmede de meeste aanhangers van Möttlingen over de Heilige Schrift en de stukken der leer spreken, verklaard. Al is er in de kerken veel kaf onder het koren, — het is in zijn algemeenbeid niet waar, dat Möttlingen de Waarheid beter bewaart en bevordert, dan de kerken.
Het spreken over zonde en genade is bij Möttlingen niet Schriftuurlijk gefundeerd. Over de uitverkiezing hoort men niet. De bekeering ligt er in eigen hand en macht. Van alle " dogmatiek " is men wars. Op het „leven" komt het aan, enz.
Een van de teksten, waarop men zich wel beroept, is Jacobus 5 : 14 en 15. „Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren. En het gebed des geloofs zal den zieke behouden en de Heere zal hem oprichten, en zoo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden". Zonder lang bij deze plaats stil te staan, die ook door de Roomsche Kerk is aangegrepen ter verdediging van het laatste oliesel, waarvoor ook geen grond is, staat volgens de theologen wel vast, dat ook hier sprake is van gebruiken, die de Kerk uit het apostolisch tijdperk kenmerkten, en die God later voor Zijn Kerk niet meer noodig geacht heeft. Blijven wij er tóch naar staan, dan willen wij wijzer zijn dan God, die met ons op deze wijze niet meer handelen wil. Thans zijn wij aangewezen op Zijn Woord. Laten we daarop dan ook acht hebben, en er niet van afwijken, door kracht te zoeken in richtingen, die wij niet mogen inslaan. Wij moeten nuchteren zijn en waken.
Of alle menschen, die „het" bij Möttlingen meenen gevonden te hebben, te veroordeelen zijn ? Niet gaarne zouden wij hierop bevestigend antwoorden. Alleen bij den Heere berust absolute oordeel over alle gedragin­gen van menschen. Wij blijven daar dus af. Een mensch kan schrikkelijk dwalen, en toch een kind van God zijn. Moeten wij dan, als dit zoo is, al dergelijke bewegingen maar onbesproken laten, en maar laten voortwoekeren ? Antwoord : geenszins ! Indien wij de Waarheid Gods weten mogen, dan rust op ons de zware roeping, het ons toebetrouwde pand rein te bewaren. En te strijden tegen alles, wat aan de zuiverheid der leer in den weg staat. Dat wij hierin getrouw mogen bevonden worden, is de bede, die ons eiken dag weer opnieuw past.
Onze conclusie moet ten slotte zijn : niet Möttlingen, maar Gods Woord en Geest alleen brengt genezing, ook al zouden wij ziek zijn en blijven I
Eenige Literatuur :
J. Hesse, Joh. Christoph Blumhardt, in : P. R. E. 3e Aufl. Bnd. 3, S. 264.
J. J. Buskes Jr., De beide Blumhardt's Een strijd om het Koninkrijk Gods, Baarn z.j.
Dr. J. H. Gunning J.Hz., Friedrich Stanger van Möttlingen, in : Stemmen des Tijds, 15e Jrg., Zeist 1026, blz. 321.
Ds. W. A. Plug, Möttlingen, 2e druk, Baarn z.j. (In dit boekje vindt men een literatuurlijst, waarin ook geschriften der beweging zelf opgenomen zijn).
Ds. S. J. Popma, Möttlingen, in : Refajah, 34e Jrg., Zeist 1934/35, blz. 177. I J. Lammertse Lz., Gebedsgenezing in Möttlingen, in : Het Schild, 18e Jrg. 1936/37, blz. 217.
Dr. P. Jasperse, Geloofsgenezingen in Möttlingen ? in : De Reformatie, 15e en 16e jaargang.
Dr. J. H. Haverkate, in : Refajah, 34e Jrg. Wondergenezingen,
D.

d. Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De beweging van Möttlingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's