De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

UIT DE SYNODE
Wij meenen goed te doen hier nog een en ander „Uit de Synode" mee te deelen en we doen dat aan de hand van brieven van een lid der Synode in „De Geref. Kerk", het wekelijksch orgaan der Confessioneelen. We krijgen het dus uit de eerste hand én wel in vertellenden vorm, wat nog wel zoo aangenaam is als wanneer er een zakelijke opsomming wordt gegeven van 't geen besproken en verricht is.
Allereerst iets over de zaak—ds. Boers, de beruchte predikant van Roordahuizum, die zoo tot barstens toe vol zat van communistische gevoelens a la Rusland, ook bij zijn afscheid.
In goeden toon, maar zakelijk en ernstig is over deze dingen in de Synode gesproken. Trouwens over de goede toon valt in de Synode niet te klagen. Waarom zou men ook altijd tegen elkaar moeten uitvaren als vechtende straattypen en waarom zou men zich ook altijd van beleedigende woorden en lasterlijke aantijgingen moeten bedienen ?
De briefschrijver schrijft : in „De Geref. Kerk"
„Zoo hebben we dan gister het gebouw weer verlaten, waar we drie en een halve week met elkaar hebben gebeden en gepeinsd, gewogen en naar wegen gezocht, gedebatteerd en ook wel gestreden. Ja ook, gestreden. Maar weet ge, wat me trof en goed deed ? Dit, dat de toon altijd goed was. Al stonden de meeningen lijnrecht tegenover elkaar, al betrof het de meest principieele zaken, al hield men aan eigen standpunt soms vast met een taaiheid, die een buldog zou eeren, toch ontbrak ieder woord, waardoor men elkander zou kunnen beleedigen of pijn doen. De Pres. behoefde gelukkig nimmer iemand tot de orde te roepen. Er wordt vaak heel veel kwaads van de Synode gezegd. Heel veel lof krijgt ze niet ! Ik ga ze ook heusch niet in alle opzichten verdedigen. Maar in dit opzicht kan ze aan menige, ook kerkelijke, vergadering tot een voorbeeld worden gesteld. Waarom moet het perse „persoonlijk" worden, en bijtend, en grof ? Zou dat meer zijn naar den wil van den Koning der kerk, meer uit den Heiligen Geest ? "
En dan komt hetgeen we bedoelen rakende de kwestie—ds. Boers.
„De toon is goed gebleven ook in de zaak-Boers. Ge weet : na de bewogen zittingen, het vorig jaar daaraan gewijd ; na de tuchtoefening, nadien op dezen predikant toegepast, heeft zijn afscheid uit zijn laatste gemeente Roordahuizum, weer de gemoederen in beweging gebracht. En we kunnen het terdege begrijpen. De Classicale vergadering van Kampen had een motie aangenomen, dat ze diep geschokt was over het God-onteerend optreden van genoemden leeraar in zijn afscheidsdienst, waardoor tevens de kerk tot een voorwerp van bespotting was gemaakt in de oogen der wereld, en vroeg, of er geen tuchtmaatregelen konden worden toegepast op hen, die aldus Art. 11 van het Algem. Regl. overtraden. Er zijn heel wat woorden gewijd aan die motie. Al is de uitslag misschien niet geheel naar uw zin geweest (en ook niet naar den mijnen), ge moet niet meenen, dat men zich ervan met een „Jantje-van-Leiden" heeft afgemaakt. Met tusschenpoozen is er drie maal over de zaak gehandeld. Er waren er, die ze zoo maar terzijde wilden leggen. Zelfs werd geoordeeld, dat gemelde Classicale Vergadering de grenzen van haar bevoegdheid overschreden had, door zich te bemoeien met datgene, wat buiten haar classicaal ressort plaats vond. Maar daartegen kwam direct verzet. Ik heb me over de motie verheugd. Er sprak ontroering uit over misstanden, die ergerlijk zijn. En tegelijk het besef, dat we niet zelfgenoegzaam in slaap mogen vallen, wanneer het bij ons maar goed is ; dat we bij elkaar behooren, voor elkander verantwoordelijk zijn, ook Roordahuizum een deel van onze kerk is. Daarom hebben we sympathie met Kampen gevoeld. Maar weet ge, wat zoo jammer was ? Kampen bleef geheel in gebreke bewijzen te noemen. Waaraan had ze haar gegevens ontleend aangaande het afscheid van dezen communistischen dominee? Waarschijnlijk aan de couranten. Maar het is gebleken, dat de verslagen van dagbladen (ik denk aan één, dat ik niet met name zal noemen, waarin woorden als „gezwets" voorkwamen) sterk tendentieus waren en ook niet geheel waar. Daarop kan een hoogste kerkvergadering toch niet afgaan ? Of had ze het van leden, die persoonlijk tegenwoordig waren geweest ? Maar waarom dan niet namen genoemd ? Er was een vergadering van het Prov. Kerkbestuur van Friesland gewijd geweest aan dit afscheid, waarin ook kerkeraadsleden uit de bewuste gemeente waren gehoord, die heel anders oordeelden over dit afscheid, en sterk protesteerden tegen de courantenverslagen. Het was moeilijk, zekerheid te verkrijgen. Maar wel is vast komen te staan, dat gebed en votum en zegenbede bij dezen afscheidsdienst hebben ontbroken.
Dat schijnt trouwens gewoonte te zijn geweest bij dezen prediker. Ik vind het heel vreeselijk, met u, dat zulke toestanden kunnen voorkomen in onze kerk. Wat ik vooral daarin beluister, is : de schreeuw om reorganisatie. Het moet anders worden in onze kerk. Er moet een weg worden gezocht, waar door aan zulke ongehoorde dingen (en dan niet alleen bij een afscheid !) een eind kan worden gemaakt. Maar we zitten nog midden in den kerkdijken nood. God geve, dat het niet lang meer moge zijn. Het eind van de besprekingen is geweest, dat tegenover een minderheid, die de motie van Kampen als kennisgeving wilde aannemen, de groote meerderheid niet wilde, dat de Synode aldus stilzwijgend dit afscheid zou dekken. Dat heeft ze ook niet gedaan. Bij alle onzekerheid, die er over dit afscheid bestond, heeft ze haar afkeuring uitgesproken over het aanstootelijke, dat in ieder geval plaats heeft gevonden. Geheel bevredigd zijt ge misschien niet: Laat ik u zeggen : ik evenmin."
Dan wordt ook nog' op gemoedelijke toon geschreven over den nieuwen Gezangenbundel en de Psalmen en Geestelijke liederen van ds. Hasper.
„Ik moet u ook nog iets over den nieuwen gezangbundel schrijven. We krijgen een nieuwen gezangbundel. En hartelijk hoop ik, dat we door dien nieuwen bundel niet nog een nieuwe partij erbij krijgen, maar dat in onze kerk aan den onverkwikkelijken gezangenstrijd, er door een eind wordt gemaakt, ofschoon ik vrees, dat dit laatste wel een utopie zal blijken te zijn. We zullen ons maar niet al te blij maken erover, want hier spreken ook andere motieven mee, dan alleen principieele bezwaren. Ofschoon : moed houden ! Weten; kunt ge het nooit."
„Aan dezen nieuwen bundel is wel een lange geschiedenis verbonden. In '28 is de commissie al gevormd, eerst met het doel, den gezangbundel en den vervolgbundel te herzien, en later om aan den vervolgbundel nog weer een nieuwen vervolgbundel toe te voegen. Gelukkig is in '32 deze opdracht gewijzigd ; anders was er ongetwijfeld hierdoor nog weer een nieuwe partij geboren. De opdracht is toen aldus geworden, dat een geheel nieuwe bundel zou worden samengesteld, waarin natuurlijk oude gezangen zouden worden opgenomen en liederen uit den vervolgbundel en geheel nieuwe. Natuurlijk zouden er ook worden geschrapt. En ik zeg daarachter : gelukkig. Er zijn er toch heel wat, die sterk het stempel dragen van den tijd van hun geboorte, den oppervlakkigen zelfgenoegzamen, rationalistischen tijd, die daarom ook nooit worden gezongen. Andere hebben een heel bedenkelijke dichterlijke waarde. Deze worden tot onze blijdschap in den nieuwen bundel gemist. In hun plaats komen andere, dikwijls machtig mooie, uit den schat der kerk van andere landen. Ik kan niet anders zien : het lijkt me wel een vooruitgang. De Psalmen blijven ongewijzigd en — gelukkig — ook ongeschift. Aan een nieuwe berijming daarvan heeft zich de commissie niet gewaagd. Al is deze berijming niet voorbeeldig, dit viel buiten haar bevoegdheid. Trouwens, een nieuwe berijming zou toch, indien eenigszins mogelijk, door alle kerken tezamen, die den tegenwoordigen bundel gebruiken, ter hand moeten worden genomen. Anders gaat er weer een stukje van de eenheid, die er nu tusschen de verschillende kerken is, teloor !
De nieuwe gezangbundel is nu klaar. Op het laatst dreigden er nog moeilijkheden te komen. Ge hebt natuurlijk van de nieuwe psalmberijming van ds. Hasper gehoord. Ge kent natuurlijk ook zijn mooien bundel : „Geestelijke liederen uit den schat der eeuwen." Nu was van sommige kanten de vraag voorgelegd aan de Synode, de kerk de vrijheid te schenken, ook deze in de godsdienstoefeningen te mogen gebruiken. De Synode is niet ingegaan op dit verzoek. Naar ik meen, terecht. In den tijd, waarin juist de nieuwe bundel aangeboden wordt, kon dit niet anders dan verwarring stichten. En het is toch de vraag of het gewenscht is dat één mensch, hoe begaafd hij ook zijn moge, zonder kerkelijke opdracht, zulk een gewichtig werk ter hand neemt, en zijn bundel wordt overgenomen door de kerk. Bovendien — al bezit deze nieuwe Psalmberijming gelukkige vondsten, het is een bezwaar, dat regels, waarbij Christus' gemeente leeft, die haar heel lief zijn geworden, noodeloos worden veranderd of geheel worden gemist. De Synode heeft haar groote eerbied uitgesproken voor de omvangrijke arbeid van ds. Hasper (hier mag wel van een levenswerk worden gesproken), maar zij heeft gemeend, niet te mogen ingaan op het verzoek tot invoering van zijn twee bundels.
Maar van den nieuwen gezangbundel kunt ge straks kennis nemen. De Synode legt hem natuurlijk niet op, voert hem niet gebiedend in, biedt hem alleen aan, aan de kerk. Niemand zal dus in zijn geweten bezwaard worden erdoor. Met de psalmen, en de geheele liturgie, zal hij, in een boekje van 1000 blz., voor den prijs van f 1.50 (bij 100 ex. voor f 1.25), omstreeks Januari te koop zijn. God geve, dat hij geen aanleiding geve tot nieuwen strijd, maar mee mag werken tot versterking van het geloof der gemeente, en tot verheerlijking van God en het Lam."
Dan nog iets over het voorstel in zake de Godsdienstonderwijzersopleiding en wat met deze kwestie samenhangt, voornamelijk het preeken van degenen, die geen godsdienstonderwijzer zijn :
„En nu ga ik een eind zoeken, waarde vriend. Ik zou u misschien nog iets kunnen vertellen van de voorloopig aangenomen wetswijzigingen, waarbij nadrukkelijk vastgelegd wordt, dat alleen aangestelde godsdienstonderwijzers in een godsdienstoefening mogen voorgaan (in vacante gemeenten alleen met toestemming van den kerkeraad en den praetor van den Ring), dat de vereischte studietijd wordt verlengd tot drie jaar (in plaats van twee), dat het volgen van een schriftelijken cursus niet meer als genoegzaam mag gelden, maar de voorbereiding onder de persoonlijke leiding van een predikant moet plaats vinden — maar ik ga daarop niet door. Dit punt komt vanzelf nog wel later ter sprake, wanneer de kerk zich heeft uitgesproken daarover."

OVER DE SYNODE
We willen hier ook een stukje overnemen van ds. de Voogd van Delft „over de Synode", 't Gaat over het besluit van de Synode in zake het Reorganisatie-voorstel.
Ds. de Voogd schrijft dan in de Delftsche Kerkbode :
„De Synode heeft besloten op 12 Januari a.s. een buitengewone Synode samen te roepen tot bespreking van het reorganisatieontwerp, 't Ontwerp zelf zal zoo spoedig mogelijk in druk verschijnen en zoo zal in zoo groot mogelij ken kring, ook door de pers dit ontwerp kunnen worden besproken.
We kunnen niet zeggen, dat we dit besluit der Synode toejuichen. Ik waag me niet aan een oordeel over de reorganisatieplannen. Deze kerkrechtelijke problemen liggen wel wat buiten mijn lijn : ik ben een simpele dominee, die graag 't gewone domineeswerk, 't herdersambt verricht. En over de finesses van deze ingewikkelde plannen durf ik niet oordeelen.
Maar mij dunkt, dat de Synode goed had gedaan eens zelf een oordeel te vormen en het ontwerp — met haar oordeel — aan de classicale vergaderingen voor te leggen.
Dit uitstellen tot 12 Januari maakt den indruk van „de kat uit den boom kijken". Een lichaam als de Synode behoort leiding te geven en niet allereerst eens te vragen, wat er al zoo over dit rapport zal gezegd worden.
Immers nu is het gevaar niet denkbeeldig, dat het heele reorganisatie-ontwerp de classicale vergaderingen niet bereiken zal. Allen en ieder — ook zonder iets met de zaak uitstaande te hebben — zal nu over het ontwerp gaan schrijven. Het wordt een babylonische spraakverwarring ! De kopstukken van onze kerkelijke richtingen zullen hun oordeel ten beste geven. „Kerkopbouw" heeft al aangekondigd, dat het in de bedoeling der redactie ligt om het September-nummer geheel aan dit nieuwe ontwerp te wijden, terwijl het moderamen in het begin van September zijn houding zal bepalen.
Dat is allemaal goed en best.
Maar niet alleen de kerkelijke leiders zullen zich laten hooren. Roomsch en liberaal zullen hun stem verheffen. De „neutrale" pers zal haar kolommen openzetten om het ontwerp te laten afmaken. De „rechtzinnige medewerkers" zullen daar braaf aan meewerken.
En zoo zal er, éér het 12 Januari is, een stroom van bezwaren te berde gebracht zijn. Zal het oordeel der Synode, door al die bezwaren niet beïnvloed zijn ? Ik ben niet overtuigd dat alle leden van deze uitgestelde Synode onaandoenlijk zullen zijn voor al deze ongevraagde — of neen gevraagde — praeadviezen.
Nog eens, over 't ontwerp zelf kan ik niet oordeelen.
Maar dat er dingen in onze kerk moeten veranderd worden, staat vast.
En daarom was het zoo goed geweest als ons leidend orgaan eens de reorganisatie had behandeld. Desnoods dan in een verlengde zitting. Want grondige bestudeering is natuurlijk noodig.
Maar eerst het advies der Synode !
Daarna dat van Jan-en-alleman."
Wij kunnen best begrijpen, dat ds. de Voogd zoo schrijft. Er zit zeer zeker een element van waarheid in.
Maar — het is nu eenmaal zoo geloopen. En nu hopen we maar, dat allen die het wèl meenen met onze Vaderlandsche, Nationale Kerk, die nog altijd in 't midden van het volksleven staat en moet blijven staan, aan de hand van Gods Woord en de belijdenis der Kerk, zooveel mogelijk zullen willen doen, om die Kerk in deze te dienen en alle krachten zullen willen inspannen om haar te helpen. Waar een wil is, is ook een weg.

HET WERKVERBOND (1)
De mensch is van goddelijken oorsprong, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Wij zijn van Gods geslacht. (Hand. 17). „Adam was de zoon van God" staat er in Lucas 3 vs. 38 te lezen.
God heeft hem ook geheel en al z'n plaats aangewezen. Dat heeft de mensch zelf niet gewerkt, maar hij heeft alles ontvangen, van zijn Schepper en Maker. Zijn Maker was zijn Vader en uit des Vaders hand heeft de mensch alles verkregen voor tijd en eeuwigheid.
Des menschen plaats in het midden van de schepping is hem van God aangewezen en hij is door God gemaakt tot heer van de schepping. Hij zag door alles heen en kende het wezen der dingen, zóó gaf Adam alles een naam. Heel de schepping was hem onderworpen en hij kreeg een cultuurtaak op alle terrein des levens, om in alles en met alles zijn God te dienen en groot te maken. Des daags en des nachts stond de mensch in het groote heiligdom, waar alles geroepen en geschapen was, om Gods eer te verkondigen. Engelen en menschen. De Engelen in den hemel en de mienschen op aarde. Toen was het ongerept en heilig alles en het was der Engelen lust in den hemel Gods wil te doen en de mensch begeerde het en deed het, zooals de Engelen daar boven.
In de Engelenwereld is toen de zonde gekomen en ieder van de Engelen heeft voor zich gekozen vóór of tegen God ; en een deel is afgevallen en ze zijn duivelen geworden in de hel, terwijl een ander deel staande is gebleven, staande als gedienstige geesten rondom Gods troon.
Noch in den staat der duivelen, noch in den staat der Engelen is nu verandering te denken. Dat is Gods ordinantie en bij al de verborgenheden in deze, die vele zijn, is het ons toch zóó geopenbaard in Gods Woord, opdat wij en onze kinderen de verborgenheden zouden laten voor den Heere, maar de geopenbaarde dingen zouden weten en betrachten tot Gods eer en tot ons nut. (Deut. 29:29).
Uit de Engelenwereld is de zonde op aarde gekomen tot den mensch, den koning der schepping, in wien heel de schepping, naar Gods bestel, begrepen was. Viel de mensch in zonde en vloek en dood, zoo zou de schepping vallen in vloek en ellende en gansch het schepsel zou zuchtende zijn tot de Heere, naar Zijn eeuwig welbehagen, de groote wedergeboorte zou doen doorbreken met een nieuwen hemel en een nieuwe aarde. En de mensch zelf zou, indien hij zondigde, in den dood, den geestelijken dood, den lichamelijken dood en den eeuwigen dood vallen — tenzij de Heere naar Zijn eeuwigen Raad verlossing zou geven voor Zijn erfdeel, in Christus, Sions Borg en Middelaar begrepen zijnde.
Hier worden we bepaald bij den bijzonderen weg dien de Heere met den mensch gehouden heeft van den beginne af aan.
We noemen dat gewoonlijk de weg des verbonds en we spreken dan vóór den val van het Werkverbond.
Heel duidelijk leert de Schrift — en dus zegt God Zelf het ons — dat God den mensch geschapen en geplaatst heeft in verbondsrelatie tot Zich Zelf. Het verkeer, de omgang, de verhouding van God tot den mensch, dien Hij geschapen had naar Zijn beeld en dien Hij gesteld had tot een hoofd van gansch het menschengeslacht, is de weg des verbonds. Van een verbondsverhouding spreken we van den beginne afaan. Dat begint niet na den zondeval, maar dat is van vóór den zondeval, dat is vanaf het eerste oogenblik ; dat zit in de schepping van den mensch zelf, omdat God zóó in de schepping van den mensch wenschte op te treden.
Hier is geen sprake van eenige daad, nog minder van eenige verdienste des menschen. 't Is alles uit God, gelijk het door Hem gewild is en tot Zijn eer zou strekken. God is de eerste ; God begint. God verordent en doet het alzoo. Hij neemt daartoe redenen uit Zich Zelf. Het zijn Zijne gedachten. Het is de raad, het eeuwig overleg van Zijn wil.
Zoo is de verbondsverhouding uit God. En zoo is het verbond zelve, het werkverbond, door God opgericht. Het is éénzijdig of monopleurisch in oorsprong. Er is niets van den mensch bij, het is alles uit God. Het is niet Adam, die zegt : laat ons een verbond oprichten. Het is God, Die het openbaart en geeft aan den mensch, die naar Zijn beeld geschapen is, in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid.
Zou dus de mensch door het verbond der werken de zaligheid en het eeuwige leven verdienen en zou hij dan kunnen zeggen : dat is mijn werk ? Geenszins ! En zóó beschouwd zou het woord werkverbond wellicht hier en daar misverstand kunnen wekken. Het is niet, dat nu de mensch door zijn werk de zaligheid zou verdienen. Want de zaligheid, het eeuwige leven, geeft God aan den mensch, dien Hij schiep naar Zijn beeld, aan Adam „de zoon van God" (Luc. 3 : 38) en aan al diens nakomelingen. Daarin had de Heere lust om dat alles te geven en om het nu zóó te geven. Het is alles Gods geschenk, vol gunst en liefde, zooals God, de Vader, den mensch liefhad in het Paradijs.
Niets van het werken van den mensch om het te verdienen moet hier tusschen komen. Het zou Gods eer te na komen. Het zou het Godsgeschenk bederven. Alles dankt de mensch aan God. Van verdienen is geen sprake — ook vóór den val niet.
Dat er daarom zijn die wel bezwaren inbrengen willen tegen dien naam: werkverbond kunnen we nu wel verklaren. Men is zoo bang voor dat „werken" van den mensch ; waarbij van den werkenden mensch zoo gemakkelijk de verdienende mensch gemaakt wordt.
Maar dat misbruik dat men maken kan — en dat er gemaakt wordt — van den naam „werkverbond", behoeft toch geen oorzaak te zijn, om dat woord „werkverbond" uit te bannen en daarvoor in de plaats te zetten een geheel ander woord.
Want we moeten dien naam „werkverbond" goed begrijpen en naar de juiste beteekenis uitleggen en verklaren, dat is onze plicht in deze ; gelijk de Christelijke Kerk dan ook van ouds dat woord „werkverbond" gebruikt heeft.
Als we dus aannemen en erkennen, dat er bij den mensch, bij Adam, geen sprake kon zijn van verdienen — dan moeten we verder gaan en onderzoeken hoe God Zelf nu wilde, dat de mensch, goed en naar Zijn beeld geschapen, het eeuwige leven, dat , een geschenk, een toegedachte en toebedeelde gave Gods is voor den mensch, deelachtig zou blijven en in volle heerlijkheid eeuwig in bezit zou krijgen.
En dan is het antwoord, dat de Heere, de God des Verbonds, Adam als bondeling opnam en hem als partij in de verbintenis plichten en rechten gaf, hem roepend tot gehoorzaamheid in liefde. En dat moest getoond worden in de werken. Want de mensch moest den Heere daadwerkelijk vrij en van harte gehoorzaamheid toonen, wat het eeuwige leven zou bevestigen voor hem, en al zijn nakomelingen — of, wanneer hij Gods gebod (proefgebod) overtrad, zou hem de eeuwige zaligheid ontgaan als straf op de zonde, voor hem en voor al zijn nakomelingen.
Dat verbond nu noemen we daarom liever niet „verbond van Gods gunst" (zooals er zijn, die dat hebben voorgesteld in den laatsten tijd) maar blijven we noemen „verbond der werken".
Zeker, het is gunst van God, om den mensch het leven tot in eeuwigheid te schenken na volbrachte gehoorzaamheid, want de Heere, de Schepper, zou volstrekte gehoorzaamheid hebben kunnen eischen, zonder hem daarvoor zoo'n heerlijke toekomst als loon in uitzicht te stellen. Maar wij' blijven den mensch zoo gaarne zien als bondeling, die tot gehoorzaamheid geroepen is.
Hierin eert God den mensch, hem opnemend als verantwoordelijk en zelf beslissend en zelfwerkend bondgenoot ; waarbij de eisch der gehoorzaamheid van God uitgaat, met belofte des eeuwigen levens wanneer de mensch voor Gods aangezicht wandelde in oprechtheid, en met bedreiging van den eeuwigen dood, indien hij Gods weg verliet en Gods gebod verachtte en schond.
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's