De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET DOOPSFORMULIER

HOOFDSTUK V.

11 minuten leestijd

De veronderstelde wedergeboorte.
Het stuk van de veronderstelde wedergeboorte heeft de laatste tijden veel meer de belangstelling gehad, dan de vraag naar den zin en de beteekenis van den doop, waarmede wij gedoopt zijn. Dat wijst op een verkeerde instelling ten opzichte van de dogmatische vragen.
In de eerste plaats treedt hierdoor aan den dag, dat de menschen liever in negatieven dan in positieven zin zich bezig houden met de waarheid Gods. Men bestrijdt zoo gaarne de dwalingen, niet met het doel om daardoor zelf dieper in te dringen in de goddelijke waarheid, maar wijl het zoo streelend is voor het eigen gemoed om anderen van dwaalleeringen te beschuldigen ; op die wijze reikt men immers , zich zelf een brevet uit van rechtzinnigheid. Met droefheid toch moet ik constateeren, dat ik bij velen, die zich met kracht keerden tegen de leer van de veronderstelde wedergeboorte nimmer iets gemerkt heb van een poging om vrucht te betrekken uit het sacrament van den doop en anderen te leeren van hun doop een recht en geloovig gebruik te maken; men verwerpt wel het afwijkende gevoelen, maar geeft geen blijk, dat men de waarheid gebruikt tot zijns zelfs opbouwing in het geloof en de liefde. Nadat men ontkend heeft, dat de wedergeboorte aan' den doop voorafgaat, keert men zich niet tot den doop om daaruit kracht en troost te betrekken, maar men bekommert zich zoo weinig om zijn doop, dat het soms schijnt, alsof men enkel de leer van de veronderstelde wedergeboorte bestreden heeft om zich van zijn doop te kunnen afmaken als een weinig zeggend, aan alle menschen eigen, uitwendig teeken.
In de tweede plaats leert deze belangstelling voor het stuk van de veronderstelde wedergeboorte, hoe verkeerd men staat tegenover de verscheuring van Gods Kerk in deze landen. Genoemde leer is toch in hoofdzaak verdedigd door hen, die tot de Gereformeerde Kerken behoorden. Het valt niet te ontkennen, dat de belangstelling voor dit leerstuk en de afwijzing ervan mede verband houdt met dit feit. Indien men. de Gereformeerde Kerken beschuldigen kan zoo spoedig van de waarheid te zijn afgeweken, acht men zich sterker te staan in den kerkdijken strijd. Anders uitgedrukt, men zoekt te midden van de kerkelijke verwarring niet meer dan de rechtvaardiging van eigen kerkelijk standpunt ; hoe meer de andere kerken afwijken, hoe gemakkelijker die rechtvaardiging voor eigen bewustzijn wordt. Maar het gevolg daarvan is, dat de afwijkende gevoelens van andere Kerken, waardoor de scheur steeds dieper wordt, niet betreurd worden, maar tal van menschen zeer welkom zijn; zoo versterft het besef, dat Gods Kerk geslagen is met een groote breuk en kan zelfs het verlangen naar het herstel van deze breuk niet meer bovenkomen. Zoo komt het, dat sommigen op grond van de jongste geschillen en misverstanden in de Gereformeerde Kerken deze nog eens extra gingen opblazen om dan te spreken van heidendom en erger dan heidendom in de Gereformeerde Kerken. Want dit is niet enkel een misverstand; hier ligt de bedoeling ten grondslag de scheur tusschen de Kerken dieper te maken ter rechtvaardiging van eigen kerkelijk standpunt of van eigen Kerk.
Daarom hoop ik van harte, dat de lezers van deze artikelen hun kerkistische sympathieën en antipathieën zullen laten rusten, als we het voor en tegen van deze leer der veronderstelde wedergeboorte overwegen, opdat we onbevooroordeeld de getuigenissen van Schrift en belijdenis kunnen wikken.
De eenige reden, waarom wij dit stuk hier bespreken, is natuurlijk, wijl het doopsformulier in de bekende eerste vraag, spreekt van het geheiligd zijn van de kinderen in Christus. Bij de verklaring van deze woorden is er misschien nooit van eenstemmigheid sprake geweest onder de theologen van de 16de en 17de eeuw. Wanneer zij althans spreken over de gronden van den kinderdoop, is hun gevoelen over de vraag, of de kinderen beschouwd moeten worden alreede wedergeboren te zijn, niet eenparig. Maar zij hebben aanvankelijk over deze dingen niet getwist en elkander om der wille van dit verschil niet verketterd. Uit de wijze, waarop zij over deze dingen spreken en uit de plaats, die zij aan dit onderwerp in (hun verhandelingen geven, blijkt ten duidelijkste, dat zij hierin niet een punt hebben gezien van het allergrootste belang. Zelfs blijft bij de bespreking van dit onderwerp een verwijzing naar de eerste vraag van het doopsformulier vaak geheel achterwege.
Later wordt dat echter anders. Sommige predikanten krijgen bezwaren tegen het stellen van deze eerste vraag. De bekende van Lodensteyn te Utrecht is een van de eersten, die aan deze bezwaren uiting geven. Zij verstaan onder het geheiligd zijn in Christus een inwendige heiligheid, de wedergeboorte des harten. Het is hun echter onmogelijk te gelooven, dat al die kinderen, die ten doop aangeboden worden, wedergeboren zijn, want velen van hen geven later in het opwassen niet de minste blijken van geloof en bekeering. Daarom kunnen zij de vraag, zooals die daar ligt, moeilijk doen.
Het spreekt van zelf, dat er anderen waren, die niet het minste bezwaar tegen het stellen van deze vraag hadden. Dat zijn de volgelingen van Gomarus en Trigland, die met hun onderscheiding van uitwendig en inwendig verbond hier een uitweg uit de moeilijkheden zagen door te spreken van een uitwendige heiligheid, de heiligheid van het uitwendige verbond en in de eerste vraag van het formulier aan deze heiligheid wilden gedacht zien.
De aanvaarding van een tweeërlei verbond was echter in die dagen lang niet algemeen en velen bleven van meening, dat in de woorden van het formulier gedacht was aan een inwendige heiligheid. Daarom bleef er verzet tegen het doen van deze vraag en tal van predikanten wijzigden de vraag geheel willekeurig. Dr. H. J. Olthuis bespreekt in zijn reeds vroeger genoemde dissertatie de twist, die hierover in de provincie Utrecht ontstond, zeer uitvoerig en deelt mede, dat het besluit van de Synode van Utrecht, waarbij de predikanten bevolen werd om de formulieren en in het bizonder de vragen van het doopsformulier onveranderd voor te lezen, toch gesaboteerd werd en tal van predikanten voortgingen wijzigingen aan te brengen.
In 1727 kwam het tot een aanklacht tegen enkele predikanten, die zich hieraan schuldig maakten. Maar de zaak is niet afgehandeld. Zooals dat in die dagen zoo dikwijls gebeurde, als er oneenigheid dreigde — en de oneenigheid dreigde hier zeer groot te worden, wijl men zich overal in 't land met dezen strijd ging bemoeien — de Overheid greep in en de Staten van Utrecht verboden de Synode over het punt in kwestie verder te handelen. Ook mocht er niet meer over gesproken en geschreven worden. Een uniforme regeling werd op deze wijze in de meeste provinciën wel verkregen, maar een uniforme verklaring laat zich zoo maar niet opleggen.
In het standpunt van de bezwaarden heeft mij getroffen den nuchteren zin, waarmede zij de vraag van het formulier benaderden. Immers zij constateerden, dat deze vraag aan alle doopouders moest gedaan en alle kinderen van die ouders geldt zonder onderscheid. Deze opvatting is zoo klaar als de dag, maar we leggen er even den nadruk op, omdat velen de zaak, waar het om gaat, vertroebelen door hier alleen aan de uitverkoren kinderen te denken. Indien die mogelijkheid in de vraag besloten was, zouden Van Lodensteijn en de zijnen nooit bezwaar hebben gemaakt, want dat was juist hun gedachte, dat alleen de uitverkoren kinderen in Christus geheiligd waren. Daarom wilden zij de vraag wijzigen in dien zin, dat b.v. gevraagd werd aan de ouders, of zij geloofden, dat de kinderen, indien of voorzoover zij in Christus geheiligd waren, behooren gedoopt te worden. Wanneer men dezen voorwaardelijken zin uitdrukte met het verleden deelwoord — dat zij in Christus geheiligd zijnde, behooren gedoopt te wezen — was de verandering wel zeer gering. Maar verandering was huns inziens noodzakelijk, omdat de vraag, zooals die in het formulier staat, niet alleen op de uitverkorenen slaat, maar op alle kinderen zonder onderscheid en van deze allen konden zij niet gelooven, dat zij in Christus geheiligd waren.
Ook zijn er geweest, die wilden lezen, dat zij wellicht, waarschijnlijk in Christus geheiligd zijn en daarom gedoopt behooren te wezen. Hier wordt slechts één woord ingevoegd, maar dat men dat woord wilde invoegen en dan zijn bezwaren zag weggenomen, leert ons, dat de tegenwoordige vraag zonder verandering deze verklaring niet toelaat. De invoeging opent den weg voor de z. g. n. veronderstelling. Wie zegt, dat zij wellicht geheiligd zijn en ze op dien grond gedoopt wil zien, zegt ongeveer hetzelfde als hij, die veronderstelt, uit den aard der liefde aanneemt, dat zij geheiligd zijn. Maar de bezwaarden uit de 18de eeuw hebben terecht gezien, dat de vraag van het doopsformulier geen veronderstelling toelaat. Er wordt aan de ouders niet gevraagd, of zij veronderstellen, dat hun kinderen in Christus geheiligd zijn, maar of zij zulks gelooven, niet gelooven met een vaag vermoeden, maar gelooven met vastheid en zekerheid en of zij zulks gelooven niet alleen van enkele kinderen, maar van al hun kinderen.
Toen men echter gedwongen werd door de Synodes, gesteund door den sterken arm van de Overheid, om de formulieren en de vragen letterlijk te gebruiken, moest het er vanzelf toe komen, wilde men zijn consciëntie geen geweld aandoen, dat men de uitdrukking geheiligd in Christus niet meer gebruikte van een inwendige heiliging ; aan de wedergeboorte van de kinderen, die gedoopt werden, wilde men toen niet meer bij deze uitdrukking gedacht hebben.
Toch sluit dit niet in, dat voortaan allen de theorie van een uitwendig en inwendig verbond hebben overgenomen. Tal van vooraanstaande mannen bleven op grond van Schrift en belijdenis protest aanteekenen tegen de leer van de twee verbonden. De heiliging in Christus was hun niet de heiligheid van het uitwendige verbond, maar de heiliging van het ééne verbond der genade, waarvan de Schrift spreekt. Met de Dordtsche leerregels beleden zij, dat de kinderen niet heilig zijn van nature, maar uit kracht van het genadeverbond. Hoe zij deze heiliging verstonden, kan het beste duidelijk worden gemaakt met een aanhaling uit de Redelijke Godsdienst van W. a Brakel, die zijn werk wel geschreven heeft vóór de bekende troebelen, maar wiens opvatting met de geschillen reeds rekening houdt.
In het hoofdstuk van den Heiligen Doop schrijft hij (XXVI. 8) : „Het Formulier van den doop vraagt de ouders en de getuigen : Of zij niet bekennen, dat hunne kinderen in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten van Zijn gemeente behooren gedoopt te wezen. Om deze vraag wel te verstaan, zoo merkt: a. Dat het Formulier spreekt tot bondgenooten en hunne kinderen.
b. Geheiligd zijn wil niet zeggen, dat de kinderen nu in waarheid het beginsel des geloofs, der wedergeboorte en der heiligmaking deelachtig zijn. Ook niet, dat alle de te doopen kinderen en bizonder dit mijn kind uitverkoren is, bekeerd en zalig zal worden ; maar in het algemeen, dat de kinderen der bondgenooten, uit kracht van het verbond met de bondgenooten en hun kinderen opgericht, recht op deszelfs goederen hebben (de goederen deszelfs in recht hebben) en deze in bezitting zullen deelachtig worden in tegenstelling van de kinderen dergenen, die geen bondgenooten zijn, welke geen beloften hebben in het Woord, latende de zaligheid als zij jong sterven; aan de vrije en verborgen handeling Gods, zonder het een of ander met grond daarvan te kunnen zeggen. En wijl de kinderen der bondgenooten niets vertoonen, dat voor of tegen is, hebben wij ze niet te onderscheiden, maar hen uit kracht van de belofte voor kinderen Gods te houden, totdat zij het tegendeel vertoonen. Zoodat in Christus geheiligd zijn, is deel hebben aan Christus.
c. Geheiligd zijn is niet in een uitwendig verbond opgenomen zijn, want er is geen uitwendig verbond; de zaligheid van het kind en niet iets uitwendigs wordt van de ouders bedoeld ; de sacramenten zijn geen zegelen van een uitwendig verbond, maar alleen van het genadeverbond en teekenen en zegelen van de rechtvaardigheid des geloofs. Ook wordt het kind beleden in Christus geheiligd te zijn, wat van geen uitwendig verbond gezegd kan worden ; eveneens wordt beleden, dat het kind vóór den doop geheiligd is en daarom gedoopt moet worden; zoo wordt het dan niet een bondgenoot door den doop, maar het was dat al te voren en te voren was er geen verbond dan het verbond der genade".
Kenmerkend voor a Brakel is zijn besliste afwijzing van de leer der twee verbonden, maar eveneens de erkenning, dat geheiligd zijn in Christus nog niet inhoudt, dat de kinderen het beginsel des geloofs, der wedergeboorte en der heiligmaking deelachtig zijn.
Wat is die heiliging in Christus dan wel bij a Brakel, als zij niet de heiliging van een uitwendig verbond is en evenmin de wedergeboorte of het-in-zich-hebben van het beginsel des geloofs of der heiligmaking ? Ik laat aan mijn lezers de beslissing over, maar ik verwacht, dat zij het ook niet kunnen zeggen. M.i. nadert a Brakel hier zeer dicht tot het reformatorische standpunt, maar hem ontbreken de woorden om dit tot uitdrukking te brengen, misschien mede ten gevolge van den tijd, waarin hij leefde. De scholastiek had bijna alle reformatorische uitdrukkingen omgestempeld.
O. a/d IJ.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's