JOHANNES BOGERMAN
1637 — 11 September — 1937
I.
Overeenkomstig onze mededeeling in „De Waarheidsvriend" van 29 Juli j.l., willen wij in een tweetal artikelen een en ander uit het rijke leven van den voorzitter der Dordtsche Synode (1618/'19) verhalen. Dit geschiedt, gelijk wij reeds opmerkten, omdat het op 11 September e.k. 300 jaar geleden is, dat hij uit dit leven scheidde.
Gelijk met alle menschen van beteekenis het geval is, zoo wordt er ook over Bogerman niet gelijkelijk geoordeeld. Zijn medebroeders hebben niet geaarzeld, hem den redder van Kerk en Staat te noemen. De Remonstranten daarentegen gaven hem den titel: „Boserman, het hoofd der snooden". Hoe deze geheel verschillende waardeering en beoordeeling mogelijk is, zal in deze artikelen wel vanzelf duidelijk worden.
Bogerman werd omstreeks het jaar 1576 te Upleward in Oost-Friesland geboren. Zijn vader was „Luthersch priester" geweest, wat zeggen wil, dat hij reeds, toen hij nog pastoor was, de Evangelische beginselen, zooals die door de Reformatie opnieuw aan de orde waren gesteld, beleed en heimelijk predikte. Met het oog op de opvoeding, die de jonge Bogerman heeft gehad, is het van belang, te weten, uit welk hout zijn vader gesneden was, die ongetwijfeld eigen stempel op zijn zoon gedrukt heeft. Hier viel metterdaad de appel niet ver van den boom ! En dat is gelukkig en een zegen des Heeren te achten. Bogerman zelf heeft later betuigd, dat hij van zijn vromen vader uitstekende lessen ontvangen heeft in geloof en Godsvrucht.
Ook de wetenschappelijke opvoeding van Bogerman heeft niets te wenschen overgelaten. Bekwame onderwijzers hebben hem het eerste onderricht gegeven. Op ongeveer 15jarigen leeftijd werd hij als student aan de Hoogeschool van Franeker ingeschreven. Hij onderscheidde zich al spoedig van de overige studenten door zijn vorderingen in de Hebreeuwsche taal. Voorts studeerde hij hier Grieksch en wijsbegeerte, terwijl hij de theologische colleges volgde van prof. Lubbertus e. a.
De studie van Bogerman geschiedde op Staatskosten. Dat hij voor een en ander zeer erkentelijk was, moge blijken uit het feit, dat een kleine in de Latijnsche taal gestelde verhandeling werd opgedragen aan de Gedeputeerde Staten van Friesland. De titel van dit bewijs zijner vorderingen en sympathie was:
Gelukwensch met de bevrijding van het vaderland en het herstel van den vrede. Het geschriftje handelt over de zege, op het pausdom behaald, en over den dank, dien men God verschuldigd is voor de vrije prediking van Zijn Woord. Ook over de overwinning, die het resultaat was van de geweldige worsteling met Spanje. Wij kunnen slechts aanduiden.
Met de op zichzelf reeds niet onbelangrijke studie hier te lande, was Bogerman's vorming niet gereed. Door de Staten eveneens daartoe in de gelegenheid gesteld, bezocht hij Hoogescholen in het buitenland. Van 1595—1599 vertoefde hij te Heidelberg, Geneve, Zurich, Lausanne, Oxford en Cambridge. Wie deze plaatsnamen eens rustig op zich laat inwerken, zal beseffen, dat ze voor Bogerman wat hebben beteekend. Hij was op deze wijze in de gelegenheid, mannen te ontmoeten, die voor de studie van de Calvinistische beginselen van waardij zijn geweest. Zoo hoorde hij: David Pareus, Th. Beza, Breitinger e.a. Het spreekt vanzelf, dat een man, die „aanleg" heeft voor theologische studie, op een tournee als Bogerman maakte, schatten van wijsheid en kennis opdoet, die voor een heel verder leven nimmer haar waarde inboeten. Wanneer zich aan eruditie een vroom gemoed paart, dan kan een man, die zich in deze gaven verheugen mag, voor Gods Kerk veel presteeren. Het leven van Bogerman bevestigt de juistheid dezer bewering.
Na zijn degelijke opleiding wordt Bogerman predikant te Sneek, waar hij op 23 September 1599 intree preekte. Er wachtte hem hier een heftige strijd tegen de Doopsgezinden, die in Sneek en omgeving menigvuldig woonden. Met kracht vatte Bogerman en zijn collega de pogingen aan, de volgelingen dezer secle tot het inzicht hunner dwalingen te brengen. Over het algemeen moet gezegd worden, dat het resultaat van Bogerman's ijver niet zeer bevredigend is geweest, aangezien men te doen had met hardnekkige en niet te overtuigen lieden. Ook de Overheid trad z.i. niet positief genoeg op.
Teneinde op dit gebied toch te doen, wat hun hand vond om te doen, vertaalde Bogerman tezamen met zijn collega een vlugschrift van Beza, dat zij : Een schoon Tractaat des Godgheleerden Theodori Bezae van de straffe, welcke de wereltlijcke overicheyt over de ketters behoort te oeffenen noemden. In dit boekje noemt Beza het een der eerste plichten van een Overheid, die zich het praedicaat „christelijk" toekent, de ketters te straffen, hetzij met den dood, hetzij anderszins. Ook deze door Bogerman ondernomen poging, de Doopsgezinden ten onder te brengen, sorteerde niet het gewenschte effect. Uit den aard der zaak, kan in dit artikel niet breeder op den inhoud van Beza's geschrift worden ingegaan.
In 1602 nam Bogerman een beroep naar Enkhuizen aan, waar hij, naar eigen getuigenis, wel prettig werkte, al vielen er ook hier schaduwen te constateeren. Het naburige Hoorn wekte om haar vergaande zedeloosheid de ergernis op van allen, die zich de zaak van Gods Koninkrijk op het hart gebonden wisten.
Bogerman oordeelde, dat de inwoners van dit stadje het lot van Sodom en Gomorra waard waren.
Slechts korten tijd bleef Bogerman te Enkhuizen, door een roeping naar Leeuwarden te aanvaarden. Na zijn genomen beslissing, kon hij maar niet aanstonds van standplaats verwisselen, aangezien Enkhuizen hem niet dan na zeer groote moeite wilde laten gaan. Omstreeks het midden van 1604 arriveerde Bogerman in Leeuwarden, nadat de Staten hem voor zijn opbreken uit Enkhuizen met aanzienlijke sommen hadden vereerd.
Thans iets over Bogerman's werkzaamheden in Friesland's hoofdstad.
Al vond Bogerman de Kerk in Friesland gezegend met 180 predikanten, toch was voortdurende waakzaamheid geboden tegen Atheïsten, Libertijnen en Jezuïeten, die de Kerk der Reformatie belaagden. Dat de rust elders is, ondervond ook Bogerman telkens. Scherp trad hij tegen de Jezuïeten op, niet aarzelend, hen wegens hun geveinsdheid en schijnheiligheid te vergelijken met de sprinkhanen uit de Openbaringen van Johannes. „Daar hij niet twijfelde, of men zou van het Jezuïetisch gespuis in de toekomende tijden nog meer gevaar te verwachten hebben, oordeelde hij het voor iedereen noodig, te weten, dat het de schadelijkste en schandelijkste pest was van den Satan en van den Anti-christ, waarvan men ooit had hooren spreken". Dientengevolge vertaalde Bogerman een geschrift van een Fransch papist, die de Jezuïeten heftig bestreden had, terwijl hij niet in gebreke bleef, den oorspronkelijken auteur te corrigeeren, wanneer de beginselen zulks eischten. Langzamerhand nam de bestrijding der Jezuïeten in hevigheid af, want andere gevaren bedreigden de Kerk, waarop thans alle aandacht moest worden geconcentreerd. De worsteling om de zuiverheid der beginselen, die naar de Heilige Schrift zijn, zou niet in een oogenblik beslist zijn, maar zou jaren vergen. De lezer heeft het wellicht reeds begrepen, dat wij hier de Arminiaansche twisten op het oog hebben, die ook in 1618/'19 op de Dordtsche Synode een belangrijk deel der debatten in beslag genomen hebben.
Zonder de opkomst der Remonstrantsche beweging in den breede te willen nagaan, herinneren wij aan de benoeming van Jacobus Arminius tot hoogleeraar aan de Universiteit te Leiden, hetgeen in 1603 plaats had, en waarmede de onrechtzinnigheid haar intrede in de theologische wereld deed. Hand over hand nam de strijd toe. Onwillekeurig werden alle predikanten, die gaarne voor de zuiverheid der leer op de bres wilden staan, in het conflict betrokken. Zoo ging het Gomarus, en zoo ging het ook Bogerman.
Nadat de twist in een zeker stadium gekomen was, drongen verschillende kerkelijke instanties aan op een nationale Synode, waar de strijd uitgevochten zou kunnen worden. Om allerlei redenen, welke wij thans niet kunnen bespreken, was een Synodale vergadering sedert 1586 achterwege gebleven, alhoewel toen besloten is, om de drie jaren een nationale Synode te houden. (Zie: dr. F. L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, Utrecht 1889, blz. 497). De algemeene Staten, die zich in kerkelijke zaken een bevoegdheid aanmatigden, die niet in overeenstemming was met haar roeping, weigerden verlof tot het houden van een nationale Synode te geven. Ten laatste kwam het echter tot een z.g.n. voorbereidende vergadering, waar de Remonstrantsche twisten aan de orde zouden komen. Op 22 Mei 1607 vond de bijeenkomst plaats, waar behalve Bogerman (de jongste van allen), o.m. Gomarus, Arminius, Uytenbogaert, Helmichius en Lubbertus tegenwoordig waren. De resultaten dezer vergadering waren niet groot.
Het is van belang iets mede te deelen over den indruk, die het verloop der vergadering op Bogerman maakte. Wij citeeren daartoe eenige passages uit een brief, dien hij aan zijn vriend Helmichius schreef :
„Hierop leggen zij het klaarblijkelijk toe, dat zij, als alles op losse schroeven gezet is, in troebel water visschen en aan hunne partij zoovelen mogelijk verbinden, opdat zij tegelijk partij en rechters zijn, en eindelijk óf het hunne verwerven, óf het zoover brengen, dat althans aan het onze ongestraft getwijfeld wordt in den boezem der Kerk. En deze schandalen worden door een doctor en hoogleeraar bedreven, die een zuil moest zijn. Goede God, hoe bezorgd ben ik voor de Nederlandsche Kerk, indien die lieden niet bijtijds onderdrukt worden !"
Wanneer men de gemoedsgesteldheid van Bogerman overweegt, dan kan men zich niet ontworstelen aan den indruk, dat hij den toestand, waarin de Vaderlandsche Kerk verkeerde, zeer somber inzag. Wij zeggen niet: tè somber. Hij zag donkere onweerswolken aan alle kanten dreigend boven de Kerk hangen. Hij zag scheuring en verdeeldheid, een gevolg van allerlei kettersche gevoelens, die welig tierden. De historie heeft bewezen, dat Bogerman niet te pessimistisch zag.
Nadat Arminius in 1609 gestorven was, werd in zijn plaats Vorstius tot hoogleeraar te Leiden benoemd, wat uiteraard op een hevig verzet van de zijde der Gereformeerden stuitte, wijl in velerlei opzicht zijn streven met dat van Arminius overeenstemde. Ook Bogerman publiceerde over dezen strijd een geschriftje, hetwelk door de Staten van Holland verboden werd. De bij de boekhandelaren aanwezige exemplaren werden in beslag genomen. Al scheen het aanvankelijk, alsof de onrechtzinnige partij zou zegevieren, het einde heeft bewezen, dat de Schriftuurlijke beginselen van Bogerman c.s. het gewonnen hebben van de ketterij, die het goede zaad des Evangelies dreigde te verstikken.
D.
d. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's