De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KOHLBRUGGE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KOHLBRUGGE

en de leer des heils

6 minuten leestijd

VIII.
Genade is een opvoedende, tuchtigende genade, wekt waarachtige kennis van zonde en maakt hongerig naar haar. Dat noemden de vaderen voorloopende (voorafgaande) genade, en Kohlbrugge zegt : „Er kan geen zaligmakende kennis van de genade aanwezig zijn, want de grondslag ontbreekt, namelijk zulk een kennis van eigen ellende, die goddelijk bedroefd maakt". (Licht und Recht, deel 10, blz. 5)
De eerste uitwerking van de zaligmakende genade is de roeping. God roept door Zijn Woord. Deze roeping geschiedt met machtige stem. „Hoe menigmaal zij ook tot zwijgen gebracht wordt door werken, die een schijn hebben, tot zwijgen gebracht en overstemd door de zichtbare dingen, waarmede men de innerlijke onrust verjaagt, tot zwijgen gebracht en overstemd door allerlei soort godsdienst, zij laat zich toch .steeds opnieuw hooren. In het verborgen, in het hart, leeft een waarheid en roept: Menschenkind, geef u aan Mij over ; zooals gij zijt, deugt gij niet; mensch zijt ge, maar ik wil uw God zijn". (Licht und Recht, deel 1, blz. 13 ; vergelijk Amsterdamsch Zondagsblad, deel 7, blz. 176).
In de roeping begint het tweede stuk van den gouden keten der zaligheid (Rom. 8 VS. 30) van Gods eeuwige raadsbesluit des vredes zich te verwerkelijken. ,,Als God een mensch krachtig roept, dan is dit het eerste, dat Hij door almachtige genade den mensch overtuigt, waarlijk overtuigt van zijn verloren en verdorven toestand. Dit wordt den menscih geopenbaard in de roeping, welke geschiedt door Christus, door God den Heere, door het evangelie, maar niet door de wet".
(Amsterdamsch Zondagsblad, deel 12, blz. 272).
Wij moeten echter niet bij onze zwakheid en onmacht blijven staan, „maar het is onze roeping, zooals zij door geheel het Woord gaat, dat wij tegen zulke onmacht onze toevlucht nemen tot des Heeren genade, macht en sterkte, berouwvol bekennend, dat het bij ons niet is, en dan van de zonde en onmacht afzien en niet het Woord ontvluchten met klagen over gebrek aan kracht, aan leven en genegenheid, maar aan de woorden des Heeren oor en hart leenen en dus heilige eerbied toonen voor datgene, wat Hij zegt en gebiedt en daaraan gevolg geven". (Licht und Recht, deel 10, blz. 19).
De roeping is algemeen. Zij komt tot allen. „Gods bedoeling wordt u dus gepredikt, dat Hij alles geeft om niet. Er wordt geen onderscheid gemaakt. Wat arm is en ellendig, wat geen aanzien heeft, wat verworpen is, wat in zich zelf dood is, bij wien geen raad noch redding is, met wien het geheel uit en verloren is, dat wordt 'geroepen". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 118).
Terwijl de roeping zoo komt tot allen, komt zij alleen bij de uitverkorenen tot uitwerking. De roeping gaat uit tot allen, maar niet bij allen is het geloof en de gehoorzaamheid jegens de roeping.
Gods werkwijze in de roeping is verschillend. Sommigen roept Hij op deze manier, anderen weer anders, sommigen in de prilste jeugd, anderen als ze volwassen zijn, sommigen zelfs in het uur van den dood. Maar aan " allen „ openbaart het de Heilige Geest door Gods Woord en Wet, dat hij geheel onbekwaam is tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Hij leert hem ook de noodzakelijkheid der wedergeboorte en doet hem inzien, dat hij alleen uit Hem, den Geest, wedergeboren kan worden". (Licht und Recht, ' deel 5. blz. 15). Alles, wat zoo het Woord gelooft en aan de roeping tot het wonderbaar licht van den volzaligen God gehoorzaamt, wat zoo geroepen is, dat is naar het voornemen geroepen.
De Heilige Geest leert niet slechts de noodzakelijkheid van bekeering en wedergeboorte. Hij brengt die ook tot stand, Hij alleen. „Wat is dat, zich bekeeren ? Zich tot God wenden met erkenning zijner zonde en zich aan het Woord van genade en zondenvergeving geheel overgeven met het volkomen voornemen des harten, in de genade te volharden. Waarvan moet men zich bekeeren ? Van alle aanmatiging tegenover God, alsof men iets was of iets waard was en in het algemeen van alle ongerechtigheid". (Die Lehre des Heils, blz. 64).
„De bekeering van een mensch is alleen een daad van de almachtige genade des Geestes. Maar de Heere bedient zich van middelen, en hoewel de bekeering zelf altijd een onmiddellijke daad Gods is, zoo doet Hij het toch niet zonder Zijn Woord, en zoo is het geloof uit het hooren van het Woord Gods. Daarom eert God hem niet, die de door Hem verordineerde middelen, de prediking, niet eert en niet handelt volgens de prediking". (Feestpredicaties. blz. 32).
Bestaat er ook een vast kenteeken van een waarachtige bekeering ? Kohlbrügge zegt in een preek over Zacheüs (Lucas 19 VS. 1—10) : „Ziet hier een waarachtige bekeering, waaraan wij ons allen onderzoeken kunnen. Want wie waagt het, zich er voor God op te beroemen, dat hij niet zou schuldig zijn aan overtreding van het achtste gebod ? en wie zoekt, hoewel ook bekeerd, niet liever allerlei uitvluchten, om in 't bezit van het onrechtvaardig verkregen goed te blijven ? En dat is de toetssteen, of men waarlijk uit het geloof van Christus gerechtvaardigd is, dat men zijn naaste, dien men onrechtvaardig behandeld heeft, gerechtigheid laat wedervaren en niet te trotsch is, het voor hem te willen bekennen, dat men gezondigd heeft". (Die Herrlichkeit "des Eingeborenen vom Vater, deel II, blz. 89).
Ook zal men aan de vruchten der bekeering kunnen merken, of men waarlijk tot God bekeerd is. Want de vruchten van waarachtige bekeering zijn : „hartelijke vernedering voor God, of de erkentenis, dat men niets is ; oprechte waardeering van alle geboden Gods en een hart, dat tot deze geboden geneigd is ; eenvoudig geloof aan Gods genade en erbarming in Christus Jezus en ongeveinsde overgave van zichzelf voor het heil van den naaste" (Die Lehre des Heils, blz. 65). En evenals de 'boete meer dan één keer voorkomt, zoo komt ook de bekeering 'meer dan éen keer voor. Zeker komt de bekeering eens voor het eerst, maar bij die eene keer blijft het niet. „Een mensch moet niet naar zichzelf vragen, wat hij is of niet is, maar zich steeds van alle verkeerd handelen bekeeren en alleen naar God vragen, die in menschen een welgevallen beeft". (Die Lehre des Heils, blz. 66).
Petrus was niet onbekeerd, toen de Heere Jezus tot hem de woorden sprak (Lukas 22 vs. 32) : Als gij eens bekeerd zult zijn, zoo versterk uwe broeders. „Hij was waarlijk bekeerd en had een goed geloof. O, hoe heeft hij het gesmaakt, door en door gesmaakt, dat bij den Heere alleen woorden van eeuwig leven zijn. En wat heeft hij daarmee gedaan ? Herhaaldelijk zegt hij van zijn lieven, dierbaren Heiland, met vloeken en eeden en zelfverwenschingen : Ik weet niets van dezen mensch, ik ken dezen Jezus niet". (Passionspredigten, blz. 159).
Als de Heere echter zegt: Als gij eens bekeerd zult zijn, zoo meende Hij zijn zelfverheffing boven de andere discipelen en zijn ongeloof aan het tot hem gesproken woord. „Vóór de bekeering, na de bekeering, altijd moet het bij het oude gebed blijven: Wees mij genadig, o God, en straf mij niet in Uwen toorn". (Passionspredigten, blz. 159).

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KOHLBRUGGE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's