De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De beteekenis van den Gereformeerden Bond voor de Ned. Hervormde Kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De beteekenis van den Gereformeerden Bond voor de Ned. Hervormde Kerk

9 minuten leestijd

Gaarne sta ik deze lezing, gehouden op 31 Maart 1937 te Gouda voor de afdeeling van den Geref. Bond aldaar, af tot plaatsing in De Waarheidsvriend. Misschien kan zij als propagandamiddel dienst doen. De ingewijden zullen er bekende dingen in terugvinden. De meeste stof ontleende ik aan het Gedenkboek van den Geref. Bond, 1906—1931. De overige literatuur, die ik ervoor nalas, laat ik in een voetnoot afdrukken. *)
Als laatste der sprekers, die gevraagd zijn in de afgeloopen winter lezingen voor uw afdeeling te houden, zou ik handelen over de beteekenis van den Gereform. Bond voor de Ned. Herv. Kerk. Dit onderwerp lijkt eenvoudiger dan het is. Immers de beteekenis van iets voor iets anders wordt bepaald door hetgeen dat eerste in het belang van het tweede doet. Ik zou dus kunnen volstaan met u een opsomming te geven van de werkzaamheden van den Geref. Bond, daar de Bond pretendeert te werken in het belang van de Hervormde Kerk. Maar zoo eenvoudig is de kwestie niet. De moeilijkheid schuilt al direct in dat laatste: het belang van de Hervormde Kerk. Werkt de Bond in het belang van onze Kerk? U begrijpt, dat deze vraag verschillend zal beantwoord worden, naar gelang van het standpunt, dat men inneemt. Een vrijzinnige bijv., die zijn positie in de Hervormde Kerk bedreigd voelt door het streven van den Geref. Bond, zal heftig neen schudden, wanneer hem die vraag wordt voorgelegd en zal den Geref. Bond zeer gevaarlijk achten voor de Hervormde Kerk. In zijn statuten noemt de Bond n.l. als het doel van zijn arbeid: de oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val. En tot die toestand van verval rekent hij, dat er in haar plaats is 'voor vrijzinnigen, dat zijn menschen, die zich niet gebonden achten aan het gezag van Gods Woord, die dat gezag niet eens erkennen. Oprichting der Kerk uit haar val beteekent dus voor de vrijzinnigen: uitsluiting — tenminste, als zij vrijzinnig willen blijven. Nu moet men echter niet meenen, dat de Geref. Bond het er op toelegt om de vrijzinnigen buiten de deur te zetten. Veel liever zag hij, dat ook de vrijzinnigen zich bogen voor het gezag van Gods Woord, m. a. w. dat zij afstand deden van hun vrijzinnigheid. Dan eerst zou hij zijn doel bereikt hebben. Immers dat doel wordt in de Statuten nog nader omschreven met de woorden: tot wederverkrijging van haar plaats (n.l. van de Kerk) in het midden van ons volk, haar vanouds door den Heere aangewezen. En dat doel is zeker niet bereikt als menschen, die lot haar behoord hebben, niet alleen er buiten staan, maar zich ook vijandig tegen haar betoonen. De strijd gaat dus niet tegen personen, maar tegen beginselen. Daarom zullen bij een behandeling der beteekenis van den Geref. Bond voornamelijk zijn beginselen ter sprake moeten komen. In die beginselen is zijn beteekenis gelegen.
Nu zou men denken, dat iedereen, die het met die beginselen eens is, waardeering voor de Bondsactie zal hebben en een positieve beteekenis voor de Hervormde Kerk aan, den Bond toekennen. Van mij, die lid ben van den Geref. Bond, kunt u althans niet anders verwachten. Toch is dat niet bij iedereen, die uit de Gereformeerde beginselen leeft, het geval. Eenigen tijd geleden sprak ik met een Hervormd collega, die dan ook Gereformeerd is, hoewel geen lid van den Gereform. Bond. Toen ik hem vertelde, dat ik deze lezing moest houden, zei hij: als ik ervoor gevraagd was, had ik gezegd: ruim dien heelen Bond maar zoo gauw mogelijk op! Hij bedoelde dus: de Geref. Bond heeft geen enkele positieve beteekenis voor de Hervormde Kerk.
U ziet derhalve, dat bij de beoordeeling der beteekenis van den Bond, behalve de beginselkwestie, nog een andere factor in 't spel is. De vraag is ook: wat verwacht men van den Bond, welke eischen stelt men aan hem ? Staat men nog steeds op het oude standpunt, en meent men, dat het mogelijk is de Kerk langs politieken weg te bevrijden van de haar in 1816 opgelegde organisatie? Als de Bond daarnaar was blijven streven, inderdaad, dan moest erkend worden, dat hij niets bereikt had. Maar sedert langen tijd heeft de Bond dit streven opgegeven, of liever: zijn krachten niet meer daaraan verspild. Onder de tegenwoordige omstandigheden bleek de opheffing der synodale organisatie bij kon. besluit een onmogelijkheid. Daarom legt de Bond zich in zijn nieuwen vorm meer toe op de verbreiding en verdediging der Gereform. waarheid in onze Kerk, waarbij het einddoel evenwel blijft: de oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val.
Tot toelichting van deze wijziging is het noodig u iets te vertellen over het ontstaan en de eerste levensjaren van den Geref. Bond. De wijziging greep n. 1. reeds plaats in de eerste levensjaren.
De Geref. Bond is geboren uit den nood der Kerk. De nood der Hervormde Kerk is gelegen in haar inrichting, welke in strijd is met haar wezen. Ds. v. d. Linden, van Kootwijk, zou u spreken over de Hervormde Kerk. Ik behoef er dus niet veel van te zeggen. Slechts enkele dingen wil ik in uw herinnering terugroepen om het ontstaan van den Geref. Bond verklaarbaar te maken.
Sinds de dagen der Hervorming bestond in de Nederlanden de Gereformeerde Kerk. Op de Nat. Synode van Dordrecht in 1618 en '19 heeft zij haar orde gekregen en is haar leer vastgesteld. In den revolutietijd, aan 't einde der 18e eeuw en het daarop volgende Napoleontische tijdperk, is alles in Nederland echter in de war geraakt. Ook de Kerk leed daaronder. Haar goederen werden door den Staat genaast. Toen is koning geworden Willem I. Hij wilde orde op zaken stellen. Maar daarbij is hij ook getreden in de rechten der Kerk. Hij legde haar in 18, 16 bij kon. besluit de synodale organisatie op, waaronder wij nu nog leven. Zooals ik reeds zei, is deze organisatie in strijd met het wellen der Kerk. Zij gaat uit van dé liberalistische onderstelling, dat de Kerk een vereeniging, een genootschap is. en wel een genootschap, waarin voor alle gezindten plaats is. De leer der Kerk werd dan ook op non-activiteit gesteld. Wel werd de leer nooit afgeschaft, maar er is geen toezicht op haar handhaving. De Hervormde Kerk heeft dus geen leertucht. Iedereen kan leeren wat hij wil, zonder dat het hem daarbij moeilijk wordt gemaakt. In 1852 volgde een nieuw koninklijk besluit, waarbij de Koning zich terugtrok, maar de organisatie der Kerk bleef dezelfde. Zij behieid dus haar gebreken.
Zoo was het mogelijk, dat in het begin van deze eeuw een hervormd predikant, Louis Bahler genaamd, propaganda maakte voor het Boeddhisme. De leer van Boeddha vond hij mooier en beter dan de leer van Jezus. Wel volgde een procedure, maar... ds. Bahler werd vrijgesproken !
In dienzelfden tijd kwam het ministerie-Kuyper ten val. Dit christelijk ministerie had reeds vele goede dingen tot stand gebracht. Maar de liberalen, die niet van een christelijke regeering houden, erkenden dat niet. Zij gingen lasterpraat rondstrooien en maakten de Hervormden wijs, dat dr. Kuyper het op den ondergang der Hervormde Kerk gemunt had. Het gevolg was, dat bij de volgende verkiezing het ministerie Kuyper moest aftreden.
Een en ander deed de vraag rijzen : kan de kerkelijke kwestie in Nederland niet worden opgelost ? En is het niet mogelijk, dat met name de Hervormde Kerk van haar knellende organisatie wordt bevrijd ? Reeds de geleerde staatsman Groen van Prinsterer, een oprecht christen met Gereformeerde beginselen, had voor de vrijmaking der Kerk gestreden. Deze kwestie kwam nu opnieuw aan de orde. Door iemand, die zich Auco Nescri, d.i. ik wensch onbekend te blijven, noemde, werd een programma opgesteld, dat o.m. inhield : intrekking der kon. besluiten van 1816 en 1852 en vereeniging van alle Gereformeerden in Nederland, dus ook de Afgescheidenen en de Doleerenden tot een zelfstandige, naar eigen wensch in te stellen kerkelijke organisatie.
In het Geref. Weekblad betuigde prof. Visscher zijn instemming met deze brochure van Auco Nesciri. Hij hoopte, dat zich een groote partij om het erin voorgesteld^ plan zou scharen. Inmiddels verscheen er een tweede brochure van dezelfde hand, waarin nog eens op de „vrijmaking der. Kerk" werd aangedrongen. We zijn nu nog steeds in het jaar 1905.
Dan wordt op den 19en Januari van het jaar 1906 door eenige mannen, die meenen, dat de tijd gekomen is, om de kerkelijke kwestie ter hand te nemen, te Utrecht een vergadering belegd. Het zijn de heeren : prof. Visscher, prof. Rengers Hora Siccama, dr. de Lind van Wijngaarden, ds. Jongebreur en het Tweede Kamerlid Duymaer van Twist. Waarom slechts deze vijf? Op een latere vergadering deelde prof. Visscher mede, dat deze om practische en tactische oorzaken zoo klein gehouden was. Wel waren nog eenige andere heeren uitgenoodigd, maar deze wenschten, op ds. Gewin van Utrecht na, die verhinderd was, een afwachtende houding aan te nemen.
Het doel der samenkomst was: van gedachten te wisselen over de wenschelijkheid en mogelijkheid eener Organisatie van de leden der Ned. Herv. Kerk, die de Geref. beginselen waren toegedaan. Die organisatie zou dan ijveren voor de vrijmaking der Kerk, los vah de syn. organisatie. Bij de bespreking van dit onderwerp kwam de vraag naar voren, hoe de vrijmaking der Kerk tot stand zou kunnen komen. Het oordeel van prof. Visscher was: alleen langs politieken weg, dus door ingrijpen der regeering. De regeering had de synodale organisatie opgelegd. Zij zelf moest dus ook de Kerk er weer van bevrijden.
Prof. Rengers zag echter niet veel heil in het streven naar dit doel, of liever gezegd, in dit middel tot bereiking van het doel. Allerlei wettelijke voorschriften zouden moeilijkheden opleveren. Hoe zal ook de kwestie der kerkelijke goederen moeten worden opgelost?
Besloten wordt, in elk geval een vereeniging op te richten. Lid dezer vereeniging kunnen alleen worden leden der Ned. Hervormde Kerk. En de bedoeling is om Hervormd te blijven. Afscheiding ligt niet in het voornemen, en men wil geen afstand doen van goederen en rechten.
Vóól-de vergadering wordt opgeheven, wijst men nog een commissie aan, bestaande uit de heeren prof. Visscher, prof. Rengers Hora Siccama, ds. Gewin en dr. de Lind van Wijngaarden. Aan deze commissie wordt opgedragen een beginselverklaring te ontwerpen, die op de eerstvolgende bestuursvergadering ter tafel zal komen.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De beteekenis van den Gereformeerden Bond voor de Ned. Hervormde Kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's