KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONZE KONINGIN VERJAART
Het is met oprechte vreugd en groote dankbaarheid, dat wij Dinsdag 31 Augustus hebben herdacht, dat H.M. onze geëerbiedigde Koningin mocht verjaren. Weer heeft de Heere haar een jaar gespaard en met blijde opgewektheid mogen wij het uitspreiden, dat de zegeningen zóó vele zijn, dat we recht verheugd den verjaardag mochten vieren.
Het Koninklijk Huis geniet groote voorrechten.
Ons land en ons volk mag zich verblijden in veel goeds.
Den Heere zij dank !
God zegene onze beminde Landsvrouwe, met het Prinselijk echtpaar. En dit jaar worde in Gods gunst een goed jaar voor Oranje en Nederland !
Lang leve onze Koningin !
HET WERKVERBOND (2)
In het werkverbond, dat de Heere Zelf met den mensch oprichtte en waarin Hij Adam als bondshoofd stelde, beloofde God aan den mensch. Zijn beelddrager : indien Gij Mij gehoorzaamt, liefhebt en vertrouwt met uw gansche hart, zult gij eeuwig leven en opklimmen tot heerlijkheid. Maar tegenover die belofte des Heeren stelt Satan, de afgevallen Engel, zijn leugenwoord. En de mensch bouwt zijn leven en toekomst op het leugenwoord van den menschenmoorder van den beginne en 't Woord des Heeren heeft geen bekoring meer voor hem. Hij jaagt nu een ideaal na, dat bedriegt en de ondergang is voor alles wat leeft.
Zoo is de mensch ongehoorzaam in het werkverbond, trouweloos, afvallig, en zijn val is groot.
De staat der rechtheid van Adam vóór den val was nog niet de staat der heerlijkheid, het leven in den hof van Eden was nog niet het eeuwig leven in bestendigheid. En krachtens zijn schepping is er begeerte in het harte des menschen naar hoóger en heerlijker toekomst. Daartoe zou hij, die nog zondigen kon, in den weg der gehoorzaamheid gekomen zijn, om dan te verkeeren in een onvalbaren staat van niet meer te kunnen zondigen. Hij moest zich daartoe oefenen in liefde, vertrouwen en gehoorzaamheid. Hij moest gevormd worden tot de volmaaktheid en heerlijkheid, en in zekeren zin gold voor Adam: „die volharden zal in het goede, zal leven tot in eeuwigheid".
Zoo moest hij de proef der gehoorzaamheid doorstaan.
De Heere heeft het hem toen niet zwaar gemaakt. Van alle boomen van den hof mocht hij vrijelijk eten, alleen van één boom, door den Heere aangewezen en met name genoemd, opdat de mensch het wezen, de aard en de beteekenis van het proefgebod zou kennen („de boom der kennis des goeds en des kwaads") mocht hij niet eten. Daarbij hield de Heere hem een heerlijke toekomst voor oogen. Heel de aarde zal Paradijs worden ; de hemelen zullen zich voor den mensch ontsluiten; de plaats in den troon is hem bereid. En omdat God zulk een heerlijkheid voor den mensch bereid had, moest zijn ziel, inplaats van stil te rusten in 't geen hij heeft, zich verlangend spannen naar de heerlijkheid, welke voor hem weggelegd is.
Zóó heeft in den wereldmorgen in het Paradijs de mensch gehoopt en verwacht, verwachtend uitziende naar de schatten van deze aarde, hem door zijn Schepper gegeven met alles wat er op en wat er in is ; begeerig zich uitstrekkend naar de zaligheid des hemels, nu God met hem wandelde op aarde.
Niet op grond van eigen fantasie spant zich de ziele des menschen tot deze hooge, heilige, heerlijke, eeuwige toekomst, als hij zich verblijdt als uit het ruischen van den wind door de toppen der boomen blijkt, dat God, zijn God en Vader, tot hem komt.
Het zijn de woorden, de beloften des Heeren, die hem tot grond en vastigheid zijn bij zijn hope en tot steun en sterkte bij zijn geloof. Want God had niet alleen gedreigd : „ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven", maar Hij had óok het eeuwige leven in het vooruitzicht gesteld. Dan zou de mensch niet sterven, maar leven, en de gansche aarde zou zich verblijden, de hemel zou juichen, de Engelen Gods zouden zingen. (Zooals er nu blijdschap is bij de Engelen over één zondaar, die zich bekeert).
Staande op de vaste rots van Gods toezeggingen, mocht de mensch vanuit een blij heden uitzien naar een veel schooner en heerlijker toekomst : altijd bij God te zijn en het eeuwige leven onverliesbaar te bezitten, hemel en aarde saam vervuld met Gods heerlijkheid — waarvan een glimp te zien was in de oogenblikken, als God nederdaalde en wandelde met den mensch.
Dat alles kon de mensch alleen in den weg der volstrekte gehoorzaamheid en van volkomen en zuiver vertrouwen bereiken en deelachtig worden. Dan zou God het hem alles geven naar Zijn belofte.
Bij die verwachting, bij die spanning, bij dat verlangend uitzien, bij dat ten deele zien en genieten — is Satan, de vader der leugen gekomen, listiger zijnde dan iemand of iets. Bij die activiteit, bij dat handelen en wandelen van den mensch in de loopbaan hem door den Heere voorgesteld — is de duivel, de booze, gekomen met zijn verzoeking.
De menschenmoorder van den beginne loert op hem, zooals de brieschende leeuw loert op z'n prooi, begeerende deze te verslinden. En de mensch is in des boozen strik gevallen ; de mensch is Gode ongehoorzaam geweest, de mensch heeft gezondigd, zonder oorzaak, verleid zijnde door den duivel.
Het proefgebod past bij de zedewet, welke de Heere den mensch ingeschapen had. Tegenover doen stond niet-doen ; tegenover goed stond kwaad ; tegenover vertrouwen wantrouwen ; tegenover geloof ongeloof ; tegenover liefde haat.
't Ging om doen of niet-doen. Doende Gods wil, houdende Gods gebod ; neen zeggende waar God neen zei, ja zeggende, waar Hij ja zei. Daarom het proefgebod. Want God heeft den mensch niet verzocht en verleid tot de zonde, maar de Heere heeft wel den mensch, dien Hij geschapen had naar Zijn beeld en gelijkenis, de proef afgenomen, of hij goed zou noemen wat God goed noemt en kwaad zou achten wat God verbood, in volstrekt vertrouwen en den Heere erkennend als God en niemand anders.
Het ideaal moest zijn en blijven : eeuwig met God leven ; „Wien heb ik nevens u in den hemel, nevens U lust mij ook niets; op aarde". God als God in heerlijkheid kennen en dienen en liefhebben.
En dan schuift de duivel, die zich weet te veranderen als een engel des lichts, er tusschen : gij kunt als God worden zelf óók God worden — naast God en gelijk met God "
De duivel, die zelf het hoog gezag had willen ontwringen aan God, komt den mensch in verzoeking brengen met dezelfde zonde en lokken tot dezelfde zondedaad. De duivelsche en onvergefelijke zonde wil hij maken tot zonde in en bij en door den mensch. En het gelukt. De hooggeplaatste mensch, Adam, „de zoon van God" (Lukas 3 vs. 38), tot het eeuwige leven met God geroepen, grijpt naar een ander goed, dat hóóger wordt gedacht te zijn, en de hooggeborene heeft een lage daad gedaan ; de hooggeplaatste is diep gevallen. door eigen ongehoorzaamheid, door vrij-en moedwillige ongehoorzaamheid (verleid zijnde door den duivel), terwijl hij stond in verbondsbetrekking met God. De trouwelooze bondeling ! „Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam, daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld", zegt de Heere door den mond van Hosea (6 vers 7).
Spoedig is de teleurstellende ontwaking uit den roes der „zelfvergoddelijking" ! De mensch zou als God zijn en nu is hij alles kwijt, ook het heerlijk menschelijke is ondergegaan in zonde en schande, in vloek en ellende. En God is zijn tegenpartij der. Niets heeft de mensch meer over, met zichzelf is hij ongelukkig en God is hij kwijt, ja, hij weet het, dat de Heere een Wreker is, te heilig, dan dat Hij de zonde
ongestraft zou kunnen laten.
Als God zijn was de valsche belofte van den duivel. En de werkelijkheid is, dat de mensch moet uitroepen : wij zijn alles kwijt ! Gevallen Koningskind ! Vervloekt Paradijskind ! Dubbel ellendig, omdat zijn voorrechten zoo groot, zoo goddelijk groot waren.
Wèg is zijn onschuld ; wèg is zijn heerlijkheid ; wèg is zijn vreugd, wèg is zijn geluk ; wèg is het Paradijs — naakt en zondig en schuldig en ellendig en beangst staat hij daar en hij, die als God zou zijn, vlucht tusschen het geboomte als hij maar even aan God denkt !
Is dat nu een „God", die vluchtende Adam?
In den hemel is een lach over alles wat op aarde ondernomen wordt om God te onttronen en om in een anderen weg te komen tot waarheid en zaligheid, dan in den weg, door God bepaald.
Geen dwazer wezen dan de miensch, die zich tegen God verzet. Want God laat Zich niet onttronen. God duldt het niet, dat men Hem God af wil maken. Honderd maal en duizend maal kan men roepen en schreeuwen : er is geen God ! Maar de Heere is God en niemand meer, en ieder, die maar even met God in aanraking komt, moet voor Hem vluchten. Die de Alomtegenwoordige is. Dan durft de mensch niet eens den strijd aanbinden tegen God. Hij vlucht.
Adam in ballingschap.
En de paradijsgeschiedenis is niet een drama, waarbij wij slechts toeschouwers zijn.
Hier is de historie, de historie der menschheid, ónze historie, waarin we allen betrokken zijn. (Rom. 5 vs. 12).
En dat komt, omdat — naar Gods wijze ordinantie, die ons doet zwijgen, ons terughoudend van murmureering, als we zien op den eersten Adam. en ons doet juichen als ons oog den tweeden Adam, Christus, aanschouwt — omdat Adam niet alleen onze stamvader in bloedverwantschap was, maar óók ons Bondshoofd : het gansche menschelijke geslacht door Bondsbetrekking in hem begrepen zijnde.
Zoo is Gods weg en werk geweest.
En ook hierin is Hij de Alwijze, en verre is God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht.
Wij hebben gezondigd, wij, ons Bondshoofd Adam, en wij.
In het Bondshoofd Christus ligt Sions heil en eeuwige verlossing, voor een iegelijk, die gelooft in Hem, door Wien God een goddelooze rechtvaardigt zonder de werken der wet. Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.
Wij worden levend gemaakt, belijdt Gods gemeente, in Christus, in den weg van een verbond, dat bezegeld is door den Verbondsmiddelaar met de woorden : het is volbracht. Maar dan wordt óók beleden, dat wij in den weg van een verbond, in Adam, dood en veroordeeld liggen. (1 Cor. 15 vs. 22 ; Rom. 5 VS. 12-—19). (Wordt voortgezet.)
UIT DE GESCHIEDENIS DER REORGANISATIE-VOORSTELLEN
IV.
We zijn met ons overzicht van het „Ontwerp van een nieuw Algemeen Reglement voor de Nederlandsche Hervormde Kerk" (uit het jaar 1930) gekomen tot het Tweede deel. Daarboven staat : Bijzondere bepalingen. De onderverdeeling is in 4 hoofdstukken. Boven Hoofdstuk I staat : „Van de Gemeenten en hunne Kerkeraden, de Ringen en hunne vergaderingen". Hoofdstuk II handelt over : „De Classes en de Classicale Vergaderingen". Hoofdstuk III gaat over : „De Provinciale Ressorten, en de Provinciale Synoden, terwijl hel opschrift boven Hoofdstuk IV luidt :
„Van de Algemeene Kerk en de Algemeene Synode".
De opklimming is dus, volgens de beginselen van het Geref. Kerkrecht, van dé Kerkeraden naar de Classes, van de Classes naar de Provinciale Synoden, en ten slotte : de Algemeene of Nationale Synode, die over de Algemeene Kerk haar zorgen uitbreidt.
We zullen niet alles hier behandelen ; dat behoeft niet. Maar in de eerste plaats wordt dan gehandeld over de plaatselijke Gemeente als ecclesia completa of volledige Kerk, met de ambtsdragers en hun vergaderingen, met de zorg voor den dienst des Woords en der Sacramenten, met het oefenen van opzicht en tucht, enz.
„De plaatselijke Gemeenten", zegt art. 19, „blijven bepaald binnen de grenzen, waarin ze nu bestaan, zoolang daarin op wettige wijze enz. geen verandering zal zijn gemaakt. Rotterdam blijft Rotterdam, , Charlois blijft Charlois, Utrecht blijft Utrecht, Zuilen blijft Zuilen, Arnhem blijft Arnhem, Alkmaar blijft Alkmaar, enz. Art. 20 zegt : „Grootere Gemeenten kunnen worden ingedeeld in territoriaal afgebakende buurtgemeenten, welke tezamen één centrale Gemeente vormen". Zoo zouden dus in Den Haag b.v. verschillende buurtgemeenten (Noord-, Zuid-, Oost-West) kunnen worden gevormd, maar ze zouden tóch saam tot één (centrale) Gemeente blijven behooren. Geen kerksplitsing, zooals b.v. in de Gereformeerde Kerk van Den Haag, met, eigen Kerkeraad en eigen Kerkregeering (beroepingswerk, financiering, enz.), maar een soort parochiestelsel.
Art. 21 begint (handelend over de Kerkeraden) : „Voor het bestuur en opzicht over de bijzondere Gemeenten (volgens art. 5 sub 1 van dit Reglement) moet in iedere Gemeente een Kerkeraad zijn", enz. Dat is dus het grondleggend beginsel voor heel de kerkrechtelijke structuur : de plaatselijke Kerk met den Kerkeraad voor bestuur en opzicht.
Er wordt dan bij dit artikel opgemerkt (we zullen niet alles hier vermelden) dat, ingeval een Kerkelijke vergadering in gebreke blijft Ie doen wat tot haar taak behoort, deze door de breedere vergadering tot de orde geroepen moet worden. Zoo wordt de éénheid en de saamhoorigheid der Kerken gehandhaafd ; we zijn elkanders leden, en de een heeft mee te waken en te waarschuwen, als het met den ander niet goed gaat, hoewel er van heerschen over elkaar geen sprake mag zijn. Alleen om den goeden welstand van het leven der Kerk te bevorderen. Maar overigens : de Kerkeraad is baas in eigen huis, in en door het ambt van Christus ingesteld, gelijk het Woord ons dat bekend maakt. Dat is de Goddelijke wijsheid en Goddelijke zorg, die de Kerk) ten goede komt, wanneer de Kerk er naar luisteren en naar leven en naar handelen wil.
In de „toelichting" staat nog : „Maar in géén geval mag de breedere vergadering zonder één woord van berisping of vermaan, zóó' maar doen, wat de kleinere („smallere") vergadering had moeten doen". Handen thuis. Geen machtswellust bij de breedere vergaderingen (zooals nu bij de „hoogere besturen" !!)
Art. 22 luidt : „De Kerkeraad wordt onderscheiden in Algemeene en Bijzondere".
Met de Algemeene Kerkeraad, die in alle gemeenten, grootere en kleinere, bestaat. Wordt bedoeld de gewone (in de grootere gemeenten ook wel „breedere" Kerkeraad genoemd), die bestaat uit den predikant (in de grootere gemeenten al de predikanten der gemeente) en de ouderlingen met de diakenen (in de stad de „groote" Kerkeraad wel genoemd).
Tot de Bijzondere (die slechts in Gemeen ten met drie of meer predikanten gevonden wordt, behooren alleen de predikanten en de ouderlingen ; terwijl diakenen daar een afzonderlijk college uitmaken (wat in kleine gemeenten niet het geval is, daar behooren de diakenen en de diaconale zaken tot den gewonen Kerkeraad : dominé, ouderlingen èn diakenen ; daar is nooit een afzonderlijke vergadering van predikant en ouderlingen ; ook nooit een afzonderlijke vergadering van diakenen, de drie ambten hooren daar bij elkaar „vanwege 't kleine getal". De diakenen hebben geen zitting in de breedere vergaderingen van Classes, Provinciale Synode of Algemeene Synode).
„De Kerkeraad vertegenwoordigt de Gemeente in rechten en in zijn naam kunnen de praeses en scriba van den Kerkeraad in rechten optreden.
„In alle Gemeenten bestaat een Diaconie, bedoelende de uitoefening der Christelijke barmhartigheid" (geen „bedeeling" of iets dergelijks !) ; „mede door de behartiging der belangen en de tijdelijke of duurzame verzorging .van onverzorgde of verwaarloosde minderjarigen" (denk b.v. aan weeskinderen en ook helaas ! aan „verwaarloosde" kinderen en jongeren ; Valkenheide b.v.).
„Waar geen Bijzondere Kerkeraad is (dus in kleine Gemeenten), handelt de Diaconie met medewerking van den Kerkeraad — waar een Bijzondere Kerkeraad is (dus in grootere Gemeenten) onder goedkeuring van den Algemeenen Kerkeraad".
De diakenen hebben dus een eigen ambt en een eigen ambtelijk werk, maar nooit los van den Kerkeraad, in de kleinere gemeenten heelemaal met medewerking, in de grootere gemeenten altijd onder goedkeuring en dus ook toezicht.
„Intusschen" — zoo staat er in de toelichting — „wachtte men zich steeds voor de groote dwaling, te wanen, dat de diakenen eigenlijk de penningmeesters van den Kerkeraad zouden zijn".
Art. 23 is een heel gewichtig artikel ! Daar lezen we :
„Aan den Bijzonderen Kerkeraad is bepaaldelijk opgedragen :
1. De zorg voor de betamelijke viering van de openbare godsdienstoefeningen in het algemeen, waarvan getal, tijd en plaats door hem geregeld worden". (Dit is in kleinere gemeenten dus door den gewonen Kerkeraad: predikant, ouderlingen èn diakenen; in grootere gemeenten door de predikanten en ouderlingen — zonder de diakenen). „In het bijzonder heeft hij de zorg voor de rechte bediening van Doop en Avondmaal, overeenkomstig de daarop betrekking hebbende liturgische formulieren". (Cursiveering is hier van ons, natuurlijk niet als gecursiveerd
voorkomend in het artikel zelve).
2. De zorg voor het godsdienstonderwijs, overeenkomstig de voorschriften van 't Reglement op dit onderwerp. 3. Het toezicht op de belijdenis en den wandel van de leden der Gemeente en de handhaving der kerkelijke orde, volgens het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht.
4. De schorsing van ouderlingen en diakenen na ingewonnen advies van de Classicale Commissie voor de Rechtspraak.
5. De bevordering van alles, wat het godsdienstig leven in de gemeente kan verhoogen, met name ook van de kerkelijke inzegening des Huwelijks in den zin van het daartoe strekkende liturgische formulier. (Cursiveering is weer van ons.)
6. „De toelating tot het Heilig Avondmaal op afgelegde belijdenis des geloofs" (let op de volgorde hier !) „en het zorgen voor de ontvangst en uitgifte der attestatiën".
7. Het houden van dubbele aan verschillende plaatsen bewaard.e, registers van de gedoopten, de lidmaten en de kerkelijk in het huwelijk ingezegenden, benevens de zorg voor het kerkelijk archief.
8. De aanstelling met instructie, de schorsing, en het ontslag van godsdienstonderwijzers en van voorlezers en voorzangers, behoudens de rechten van derden.
9. De afvaardiging tot de Classicale Vergadering en de afvaardiging tot buitengewone Classicale Vergaderingjen en het ontvangen van het verslag van hetgeen, belangrijks aldaar geschied is.
En dan nog 10 en 11 : toezicht op het Diaconie-beheer èn behandelen van zaken van beheer van kerkelijke goederen en fondsen, voorzoover dat aan den Kerkeraad is opgedragen, enz. (Hier zijn dus de kerkvoogden enz. gedacht als afzonderlijk College, zijnde : „de Kerkelijke Administratie", in den geest, zooals we dat nu hebben. In de Gereform. Kerken hebben ze plaatselijk een „Commissie van Beheer" door den Kerkeraad benoemd en aan den Kerkeraad verantwoording schuldig zijnde. Dat is bij ons heel anders door het instituut van Kerkvoogden en Notabelen. En daardoor blijft bij ons de kwestie van „Bestuur" en van „Beheer" aan de orde).
In de „toelichting" lezen we nog b.v. : „Bij de bediening der Sacramenten en de zorg voor de kerkelijke huwelijks-bevestiging" — dat is, zooals men weet, geen Sacrament bij ons — „wordt opzettelijk naar de desbetreffende liturgische formulieren verwezen. In een gereorganiseerd kerkelijk leven mag de willekeur op grond van Art. 22 van het (tegenwoordig) Synodaal Reglement voor de Kerkeraden niet gehandhaafd blijven, als kwam het aan ieder predikant individualistisch toe, te bepalen, of hij al of niet de vastgestelde formulieren gebruiken wil". Men zal „overeenkomstig" de Formulieren van Doop en Avondmaal moeten handelen en „in den zin van" het Huwelijksformulier.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's