HET DOOPSFORMULIER
HOOFDSTUK V.
De veronderstelde wedergeboorte.
Naast a Brakel staan echter anderen, die de opvatting van de bezwaarden handhaven, maar hun bezwaar tegen de eerste doopvraag laten vallen, wijl ze daaraan zulk een verklaring geven, dat zij van deze vraag geen hinder meer hebben. Als voorbeeld noem ik hier Joh. van der Kemp, wijl hij onder ons volk veel gelezen is en zijn catechismusverklaring evenals de Redelijke Godsdienst van a Brakel tal van herdrukken heeft beleefd. Het exemplaar, waaruit ik citeer, is in 1779 verschenen en is de negentiende druk, terwijl de eerste druk in 1717 werd uitgegeven.
Wat de wedergeboorte als onderstelling van den doop aangaat, hij weet, dat vele geleerden gemeend hebben, dat alle uitverkorenen reeds in hun prilste jeugd het beginsel der wedergeboorte deelachtig worden, maar daarmede kan hij zich niet vereenigen. Wel wil hij dat van sommigen toestemmen, maar niet als regel van allen. „Het is wel zoo, dat de doop de wedergeboorte onderstelt en verzegelt, maar niet altijd als reeds daar (tegenwoordig) zijnde, maar als toekomende en dat de gedoopte uitverkoren kinderen der bondgenooten de wedergeboorte zeker zullen deelachtig worden".
Uit deze laatste aanhaling van den schrijver volgt, dat hij, ook al noemt hij het uitwendig verbond niet, nochtans de doop ziet als een zegel van het inwendig verbond, den uitverkorenen de wedergeboorte verzegelend ; voor de niet-uitverkorenen wordt het een zinloos teeken. Uit deze woorden kunnen wij ook reeds afleiden, hoe hij de eerste vraag van het doopsformulier wil verklaard hebben.
„Op deze wijze zijn ook de kinderen heilig". 1 Cor. 7 : 14. Niet door een werkelijke heiligheid, welker eerste beginselen alle uitverkoren kinderen der bondgenooten met de geboorte zou worden medegedeeld ; dit wil Paulus al zoo weinig als dat de ongeloovige man dadelijk en werkelijk zou geheiligd worden door de ongeloovige vrouw en de ongeloovige vrouw door den geloovigen man. Maar dit is de zaak, dat de kinderen uit zulk een huwelijk, dat heilig mag aangegaan worden ? ), geboren in het verbond, ook daarin heilig gerekend en geschat worden uit kracht van dat verbond, dat hun de heiligmaking toezegt, die de Middelaar hun reeds verworven heeft, Want Hij is ook de kinderen des verbonds geworden tot heiligmaking. 1 Cor. 1 : 30. En zoo zijn die kinderen heilig, gelijk als uitverkorenen, die nog verstrooid en niet tot één vergaderd, Gods kinderen zijn, gelijk ze genoemd worden. Joh. XI:52. Hier uit kan men dan ook gewaar worden, hoe de doopheffers gevergd worden te bekennen, dat de kinderen in Christus geheiligd zijn".
„De andere bedenking, die wij wilden ophelderen, is, hoe de ouders en doopgetuigen verplicht kunnen worden te belijden, dat de kinderen in Christus geheiligd zijn, overmits zij dit van hun kinderen niet weten kunnen en de uitverkoren kinderen, die óf het beginsel der wedergeboorte deelachtig zijn of nog deelachtig zullen worden, verre de minste zijn in de Kerk ; velen worden toch geroepen, maar weinigen uitverkoren, volgens Matth. XX : 16, XXII : 14. Maar er wordt niet gevraagd, of men niet bekent, dat allen en of dit of dat kind in Christus geheiligd zijn, maar alleen wordt gesproken van de kinderen in het gemeen, de kinderen der gemeente, die de uitverkoren kinderen zijn, die er de Heere onze God naar Petrus' woord toe roepen zal."
Het kenmerkende van v. d. Kemp is dus, dat hij uitgaat van de opvatting, dat in de eerste doopvraag van een inwendige heiliging wordt gesproken. Hij past de vraag echter niet toe op alle kinderen, maar alleen op de uitverkoren kinderen en omdat hij niet kan aannemen, dat de uitverkoren kinderen reeds bij hun geboorte worden wedergeboren, slaat bij hem de heiliging ook op de toekomst. Men moet er zich over verbazen, dat een man als v. d. Kemp, wiens Catechismusverklaring toch werkelijk niet de minste is en uitnemende eigenschappen bezit, een eenvoudige duidelijke vraag op deze wijze gaat verdraaien. Daarmede bedoel ik niet te zeggen, dat de uitdrukking geheiligd in Christus zoo klaar en eenvoudig is, maar dat de vraag als vraag klaar is. Aan de ouders toch wordt een vraag gesteld ten opzichte van hun kinderen. Daarbij gaat het niet over enkele kinderen, want als van onze kinderen gezegd wordt, dat zij in zonde ontvangen en geboren zijn, dan weten we, dat zulks van al onze kinderen geldt. En van deze onze kinderen wordt nu gevraagd, of wij belijden, dat zij in Christus geheiligd zijn. Deze vraag dan op enkele kinderen te laten slaan, is toch eigenlijk een spotten met alle exegese. En op dezelfde wijze is het met alle gezonde uitlegging in strijd de heiliging hier op de toekomst te laten slaan, vooral waar duidelijk gezegd wordt, dat zij krachtens die heiliging in Christus lidmaten van Zijn gemeente mogen worden genoemd en daarom gedoopt moeten worden. In dit stuk is het standpunt van hen, die bezwaren hadden tegen de eerste doopvraag, heel wat eerlijker en sympathieker.
Op de Utrechtsche troebelen hebben we gewezen, de opvatting van a Brakel en v. d. Kemp naar voren gebracht om te doen zien, dat reeds in de 17de eeuw bezwaren opkomen tegen de eerste vraag van het formulier. Het blijkt, dat deze bezwaren samenhangen met de leer der verkiezing. Men kon niet van alle kinderen belijden, dat zij in Christus geheiligd zijn. Het zijn dus dezelfde bezwaren, waaruit de leer van de twee verbonden reeds eerder ontstaan was, want deze leer was geconstrueerd om te verklaren, hoe onbekeerden toch in het verbond konden begrepen zij en het teeken en zegel des verbonds konden dragen.
Wijl echter velen tegen deze leer van de twee verbonden overwegende bezwaren hadden — in het doopsformulier wordt er geen oogenblik op gezinspeeld, dat er twee verbonden zijn — en het vanwege de Kerk en de Overheid niet geoorloofd was de eerste vraag te wijzigen, moest men naar een andere oplossing zoeken. Daarbij zijn sommigen als a Brakel nagenoeg tot de reformatorische opvatting teruggekeerd, maar de meesten hebben gelijk v. d. Kemp door een verwrongen exegese van de vraag zich trachten te redden uit de moeilijkheden. Het merkwaardige is, dat zij door deze verwrongen uitlegging ten slotte toch terecht kwamen, waar zij eerst niet wilden wezen, n. 1. bij de leer van de twee verbonden. Immers ook al spreekt men niet van een uitwendig verbond, wie acht, dat de eerste vraag alleen slaat op de uitverkoren kinderen en dat die kinderen alleen het zegel des doops toekomt, veruitwendigt voor de anderen het zegel des doops op zulk een geweldige wijze, dat de beteekenis volkomen overeenkomt met die, die de voorstanders van de leer der twee verbonden toekennen aan den doop als uitwendig teeken van het uitwendige verbond. Ja, misschien moet gezegd, dat hij dien doop nog zinloozer en waardeloozer maakt.
De keuze, die wij deden uit de schrijvers der 18de eeuw, is betrekkelijk willekeurig. We willen met deze keuze volstrekt niet zeggen, dat mannen als Witsius en Appelius, die beiden zich met het vraagstuk van den hoop en zijn beteekenis bizonder hebben ingelaten en daarover breedvoerig hebben geschreven, het niet waard zijn om in dezen gehoord te worden ; gelijk we naast hen nog tal van anderen zouden kunnen noemen, wier naam nog onder ons volk leeft en wier geschriften nog immer gelezen worden.
De bedoeling, waarmede wij de beide genoemde schrijvers aanhaalden, is enkel om even uit de historie toe te lichten, hoe men met die eerste vraag in het reine probeerde te komen.
Opvallend is daarbij wel, dat men zelden pleegt te vragen, in welken zin de hervormers zelf deze vraag hebben bedoeld. Men is reeds eenigermate van hen vervreemd geworden. De eeuw, waarin men leefde, sprak al weer een andere taai Comrie klaagt er dan ook in een van zijn werken reeds over, dat de Institutie van Calvijn en de Handelingen van de Dordtsche Synode, die vroeger in elk kerkelijk medelevend gezin gelezen en herlezen werden, in zijn dagen in het vergeetboek begonnen te geraken. Men gevoelde zich in dergelijke werken niet meer thuis.
Hieruit nu moet verklaard worden, dat over het algemeen ook de oplossing der moeilijkheden, waar men naar stond, te zeer het karakter draagt van de 18de eeuwsche theologie. Zij, die evenals a Brakel naar een oplossing stonden, waarbij de heiliging in Christus niet werd verklaard van de wedergeboorte én de inplanting van het nieuwe leven, maar die haar evenmin wilden doen opgaan in de zinlooze heiliging van een uitwendig verbond, welke heiliging tenslotte nog niet eens komt tot de beteekenis van de ceremonieele heiliging onder de oude bedeeling, bleven verre in de minderheid. De meesten neigden min of meer tot het standpunt van v. d. Kemp, met dit gevolg, dat de doop meer en meer zijn beteekenis begon te verliezen.
Dat zou natuurlijk niet het geval zijn geweest, wanneer de doop niet aan alle kinderen der gemeente ware bediend geworden, maar slechts aan hen, die bij het opwassen teekenen van genade vertoonden. Maar men durfde en wilde niet breken met de traditie, volgens welke de doop aan alle kinderen der gemeente werd toegediend, gelijk ook onder het Oude Testament de besnijdenis aan allen werd gegeven. Men moest daardoor tot het besluit komen, dat de doop, die alleen aan de uitverkoren kinderen de genade Gods? verzegelde, voor de anderen zijn beteekenis verloor. De doop verwerd tot een uttwendig teeken, dat men geen heiden was en onder het aanbod van genade leefde. Zoo is de doop uit het geloofsleven der gemeente uitgeschakeld geworden.
Duidelijk zal nu ook aan onze lezers zijn, waarom vroeger en misschien ook nu nog wel het dankgebed van het doopsformulier vrij algemeen werd weggelaten. Dit gebed kon — zoo meende men — alleen den uitverkoren kinderen gelden en paste niet na den doop, die aan alle kinderen was bediend. Joh. a Marck deelt in zijn Korte Brief over de heiliging van de kinderen der geloovigen in Christus, geschreven te Leiden, 1 Nov. 1728, mede — zonder protest daartegen aan te teekenen, terwijl hij in zijn brief wel protesteert tegen het willekeurig veranderen van de eerste vraag — dat de dankzegging na het formulier sinds lang buiten gebruik is gesteld;
Het is een droeve historie, voor welke wij hier geplaatst worden. Men is afgeweken van den grondslag der reformatorische Kerk en handhaaft zich op vrome wijze met allerlei drogredenen. Wormser, die in de vorige eeuw het groote gevaar van de onkerkelijke richting in onze Kerk zag, wijl men hier op vrome wijze afweek van de Schriftuurlijke wegen, heeft zeer terecht het verband van deze strooming en het doopsvraagstuk gezien en dit samengevat in het bekende woord : Leer dan de natie haar doop verstaan en waardeeren, — en Kerk en Staat zijn gered.
De veruitwendiging, waaraan men den doop heeft prijsgegeven, heeft het gedoopte volk losgemaakt van den dienst des Heeren; want deze veruitwendiging ontnam aan dit volk den toegang tot Gods beloften en bracht het opnieuw onder de wet, die krachteloos is en onmachtig om tot nieuw leven te wekken.
O. a. d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's