JOHANNES BOGERMAN
1637 — 11 September — 1937
II. (Slot).
Het valt niet te verwonderen, dat Bogerman, die zich herhaaldelijk getoond had als een bekwaam en ijverig strijder voor de Reformatorische beginselen, weldra benoemd werd tot professor aan de Hoogeschool van Franeker. Dit geschiedde in 1614. Hij kon de benoeming echter niet aannemen, aangezien de gemeente van Leeuwarden, die hem na zoo veel moeite verkregen had, hem niet meer wilde afstaan, alhoewel Bogerman zelf wel gaarne de betrekking had aanvaard. Ook de publieke opinie zag in Bogerman den aangewezen man. Toen een benoeming in Franeker aanstaande was, schreef Hommius aan Lubbertus : „God geve, dat gij eenen uitstekenden en vromen man kunt krijgen, die, naar ik zou meenen, niet ver te zoeken is, als men Bogerman kan krijgen. Hij schijnt mij toe uitstekende boven vele anderen". Meerdere stemmen, die om een benoeming van Bogerman riepen, zouden aan te halen zijn. Hoe het zij, Bogerman werd geen professor.
In 1616 verscheen er van Bogerman's hand een werkje van practischzedekundigen aard, dat tot titel had : De beoefening van waar berouw, of overdenkingen naar aanleiding van de geschiedenis van David's val. 't Boekje geeft niet, wat de titel verwachten doet, wijl het alleen handelt over David's val. Het lag dan ook in de bedoeling van den auteur, in een tweede stuk in het bijzonder over David's berouw te spreken, maar het is nimmer verschenen. In het kort iets over den inhoud van het geschrift.
Volgens Bogerman is de geschiedenis van David een spiegel van onze onvolmaaktheid, die ons tevens bedoelt te sterken in den strijd tegen het vleesch. Zij is van beteekenis voor het Christendom aller tijden. De val der heiligen is in Gods wereldplan opgenomen. Bij de behandeling van de onderdeden der geschiedenis, vindt Bogerman aanleiding, verschillende onderwerpen ter sprake te brengen, die slechts zijdelings met de kern van het betoog in verband staan. Hier en daar zinspeelt hij op de Remonstranten, met wie de strijd in deze dagen heftig gaande was. Daarover het volgende :
„Evenmin als de stormen, die de golven der Noordzee tegen de kusten der Nederlanden wierpen, gestild werden door een machtwoord van de Staten van Holland, evenmin bedaarden de twisten in de Kerk op hun bevel".
Naarmate de Staten trachten wilden het gevaar van den strijd tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten te bezweren, naar die mate nam hij in lievigheid toe. Eigenlijk wierpen hun „vredelievende" pogingen olie in het vuur. Wij plaatsen het woord vredelievend hier tusschen aanhalingsteekens, omdat het Gistreden der Staten in de principieele geschillen, die de Kerk beroerden, o.i. heelemaal niet zoo vredelievend was als het wel scheen. Want wij voor ons willen maar liever gelooven, dat de vrede in de Kerk weleens door strijd kan worden gediend. Vele predikanten, w.o. ook Bogerman, dachten er in dien tijd evenzoo over. In de worsteling der geesten worden de conflicten weliswaar verscherpt, maar ook is zij de eenige weg tot het zegevieren der Waarheid. De rechtzinnige predikanten lieten zich niet muilbanden. Bovendien ontzegden zij aan de Staten het recht, in de zuiver theologische aangelegenheden partij te kiezen, wijl zij door dit te doen hun bevoegdheid overschreden en een terrein betraden, waar de Kerk te beslissen had.
En terecht !
Op de vergaderingen der Contra-Remonstranten, die in 1615 en 1616 te Amsterdam gehouden zijn, was ook Bogerman tegenwoordig. Grooten invloed had hij op Graaf Willem Lodewijk, die weer bewerkte, dat Prins Maurits de zijde der rechtzinnigen koos, en tenslotte het houden van een Nationale Synode mogelijk maakte. Zelfs diende Bogerman op verzoek van Prins Maurits gedurende enkele maanden de Kerk van Den Haag, hetgeen zijn invloed op den Prins in niet onbelangrijke mate vergrootte. „De Prins" — zoo schreef Bogerman eens — „bevindt zich zeer wel. Laat ons God bidden, dat Hij hem behoede, want de toestand der Hollandsche zaken is zoodanig, dat wij, zoo God hem ons ontrukte, in de vreeselijkste ellende zouden vervallen, menschelijkerwijze gesproken namelijk".
Zoo werd de vurigste wensch van hen, die voor de zuiverheid in de leer waken wilden, niet het minst door het energiek werken van Bogerman, vervuld. Tegen 1 November 1618 werd de Nationale Synode, waar de geschillen zouden worden onderzocht en besproken, bijeengeroepen. Toch werd het 13 November, alvorens de werkzaamheden konden beginnen.
Krachtens de algemeene bekendheid, die het feit heeft, mag het bijna niet meer vermeld worden, dat de Synode Bogerman tot haar voorzitter koos, een eer, die niet moet worden onderschat. Ongetwijfeld mag een en ander gezien worden als een erkenning van Bogerman's bekwaamheden en als een belooning voor den ijver, waarmede hij voor de Schriftuurlijke beginselen op de bres had gestaan. Men wist in Bogerman een voorzitter te kiezen, die niet ter linker-of ter rechterzijde van de beproefde paden zou afwijken. Naast de onderscheiding, die Bogerman's benoeming voor zijn persoon inhield, was zij een erkentenis van zijn beginselvastheid.
Over zijn uiterlijke verschijning vinden wij het volgende. Bogerman had een hoog en gerimpeld voorhoofd, kwijnende oogen, een welgevormde neus, een prachtige baard, die over zijn borst golfde. Er ging over het algemeen ernst en deftigheid van hem uit. Bovendien droegen zijn gelaatstrekken de sporen van zijn zwak gestel. Desniettegenstaande was zijn optreden vastberaden en onwankelbaar. Hij was een man uit één stuk, juist iemand, dien men noodig had in verband met de komende debatten, die aan heftigheid niets te wenschen zouden overlaten.... Niet een ieder zou tegen een dergelijke taak opgewassen geweest zijn.
Het gebed, waarmede de praeses de eigenlijke beraadslagingen opende, was reeds een onderwerp van behandeling in ons blad van 29 Juli j.l. Tevens spraken wij toen uitvoerig over het aandeel, dat Bogerman gehad heeft in de totstandkoming van de Statenvertaling.
De houding, die Bogerman ingenomen heeft tegenover de Remonstranten, wordt zeer verschillend beoordeeld, hetgeen ten deele afhangt van de vraag, aan welke zijde men staat. Het kan niet worden ontkend, dat de voorzitter scherpe en bittere woorden gesproken heeft tot de dwalende Remonstranten. De woorden : Gij wordt heengezonden, gaat, gij zijt met leugenen begonnen, gij zijt met leugenen geëindigd, ite, gaat heen ! moet hij bijna uitgebruld hebben. Ieder onbevangen beoordeelaar geeft dan ook toe, dat Bogerman zich wel wat heeft laten gaan, al is zijn houding te begrijpen en tot zekere hoogte te verontschuldigen. Het optreden der Remonstranten was evenmin correct geweest, terwijl de verontwaardiging bij de rechtzinnigen over de brutale aanranding der zuivere beginselen een heilige kan genoemd worden, al is hiermede geenszins gezegd, dat Bogerman steeds de gelukkigste woorden heeft gekozen. Bij al het goede, dat over Bogerman valt te zeggen, en dat is niet weinig, mogen wij er onze oogen niet voor sluiten, dat niet altoos de juiste methode in de verdediging der beginselen is gevolgd. Bogerman's toorn moge verklaarbaar en begrijpelijk zijn - een milder stemming ware niet onmogelijk geweest, wanneer erkend worden moet, dat het recht en de absolute zuiverheid van het beginsel aan zijn zijde was. Ook zonder een al te heftig optreden had Bogerman zeer sterk gestaan. Dit is ons oordeel, en het moet 't ook zijn van zijn tegenstander, als hij onbevooroordeeld te werk gaat bij de bestudeering der feiten.
Na afloop der Dordtsche Synode stond Bogerman den Prins met raad en daad bij. O.a. organiseerde hij de wanordelijke toestanden in Utrecht. Hierna keert hij naar Friesland terug. Verschillende beroepen worden op hem uitgebracht, voor welke hij steeds bedankt. Zoo werden Utrecht, Den Haag en Amsterdam teleurgesteld.
Op uitnoodiging van den Prins heeft Bogerman hem aan zijn ziek-en sterfbed bezocht en toegesproken. Bogerman zelf heeft hiervan een verslag gegeven in een door hem uitgegeven boekje, waarin hij het Godzalig afsterven van Maurits aan de hand van met hem gehouden gesprekken breedvoerig beschrijft. Al heeft men wel eens het tegendeel ondersteld, er is voor ons, die Bogerman's levensfundament en de oprechtheid van zijn geloof kennen, geenerlei aanleiding, te vermoeden, dat het door hem gegeven verslag niet overeenkomstig de waarheid zou geweest zijn.
Tegen het einde zijns levens komt eindelijk nog de gelegenheid voor Bogerman, een benoeming tot hoogleeraar te Franeker aan te nemen. Door de vele werkzaamheden waren zijn krachten echter zoodanig afgenomen, dat hij zich niet meer met volle kracht aan de vervulling van zijn ambt geven kon. Tijdens zijn arbeid aan de Bijbelvertaling, werd hij op 9 Augustus 1633 in Franeker benoemd. Op 7 December 1636 aanvaardde hij hei professoraat met het uitspreken van een rede over het nuttig gebruik der oordeelen Gods. Slechts zeer kort heeft hij dezen leerstoel bekleed, want op 61-jarigen leeftijd stierf hij den 11den September 1637. Kinderen liet hij niet na. In zijn grafschrift werd hij genoemd : een zeer welsprekend kerkredenaar, een zeer geleerd theoloog, een verstandig man, zeer verdienstelijk jegens de Kerk en de Nederlandsche republiek in de moeilijkste tijden, en daarom zeer bemind bij de vaders des Vaderlands, een mensch van onvergelijkelijke verdiensten. Het graf van Bogerman in de St. Martinikerk te Franeker is van boven gegeven opschrift door heiligschennende hand beroofd. Een portret in olieverf van hem hangt in het stadhuis te Franeker.
Wie aan het eind van een beknopte beschouwing van zijn leven Bogerman's beteekenis tracht vast te stellen, die zal niet kunnen ontkennen, dat hij een der hoofdrollen vervuld heeft in de kerkelijke twisten uit dien tijd. Niemand zal betwisten, dat hij zulks bekwaam en oprecht heeft gedaan, ondanks de gebreken, die ook zijn persoon en werk aankleefden. Mede aan zijn onvermoeibaar strijden voor de Waarheid Gods is het te danken geweest, dat de Gereformeerde beginselen niet onder den voet geloopen zijn door allerlei ketterijen, die destijds aan de orde waren. Bogerman was kind van zijn tijd. Wie is dat niet ? Maar ook na drie honderd jaren kunnen wij nog wel wat van hem leeren. Op zijn minst trouw aan de beginselen, die naar de Heilige Schrift zijn.
D.
d. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's