MEDITATIE
HET ZOUT DER AARDE
„Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden ? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden". Mattheüs 5 vers 13.
Onvastheid.
„Wat moet ik gelooven ? " Dit is de vraag, die door velen in onzen tijd gesteld wordt. Er is onzekerheid aangaande de hoogste goederen. De twijfel plaatst overal haar vraagteekens. Er zit geen lijn in hun levens-en wereldbeschouwing. De heilswaarheden worden van hun kracht beroofd. De weg is men kwijt en men dwaalt op doolpaden buiten God.
Deze droeve wankelheid vindt ge volstrekt niet alleen bij hen, die onverschillig staan tegenover alle religie, maar voornamelijk bij degenen, die het zooveel beter weten uit kracht van opvoeding. Het is als een voortvretende kanker, die onze jongere generatie heeft aangetast.
Waar ligt de oorzaak ? De grondvesten van ons Christendom worden ondermijnd. Met zelfverheffing beroemt men er zich op met het oude geloof afgerekend te hebben. De Bijbel verloor aanmerkelijk in waarde. De Kerk van Christus ligt als een verlatene. Onze tijd is vol critiek, doch, o jammer, er is zoo weinig zelf critiek. De leuze, die alle dagen gehoord wordt, is bestrijden, afbreken van het oude. Het woord „nieuwe banen" doet opgeld. Men wil verandering ; men wil andere, betere toestanden, doch is het niet buiten Christus om ?
Men heeft nog niets deugdelijks kunnen opbouwen, dat tegenover het verlorene bestaan kan.
Temidden van deze verdwaasde, verworden wereld, staat nu de Kerk van Christus om in de duisternis licht te verspreiden. Dit is haar hooge, heilige roeping, haar van Godswege opgelegd. Zij moet een belijdeniskerk zijn.
De roeping der Kerk.
„Gij zijt het zout der aarde". Onder dit gij hebben wij te verstaan allereerst de discipelen des Heeren, en verder de schare van leeraren en Evangeliedienaren, die geroepen zijn tot de volheerlijke taak, om het Woord Gods te prediken.
De inhoud van dit woord strekt nog verder. Christus spreekt tot een schare van toehoorders. Onder haar zijn kinderen Gods, die van den Heere genade ontvangen hebben en nu door het profetisch ambt der geloovigen verplicht zijn van de hun bewezen weldaden te getuigen tot Gods verheerlijking.
Gij zijt het zout der aarde.
Zout is een onmisbaar bestanddeel in alle aardsche leven. Al is het onaanzienlijk, zoo is het nochtans niet te ontberen. Arm of rijk, koning of bedelaar, mensch of dier, zelfs de natuur kan er niet buiten. De herten loopen uren om zout te zoeken. De wereldzeeën zouden kwalijk-riekende moerassen zijn, zoo zij niet met zout vermengd waren.
Aldus is ook het zout der kennis Gods, der vreeze des Heeren, onmisbaar in deze wereld, in uw persoonlijk leven, in uw gezin, in uw kerkelijk leven, in de regeering van land en volk.
De waarde van het zout is tweeërlei: Ie. het maakt de spijzen smakelijk; 2e. het heeft een bederfwerende kracht.
Een spreekwoord der oude Romeinen was : „Niets is nuttiger dan de zon en het zout", en een spreekwoord, bij ons bekend, is : „zout is meer dan goud".
Welk een Godsgeschenk heeft God ons daarin gegeven!
Evenzoo legt Christus groote beteekenis in de vreeze des Heeren. Daardoor wordt een vloeker een bidder. Dit werk van Gods Heiligen Geest maakt van een hard, onverschillig, zelfzuchtig zondaar een zachtmoedig teeder Christen.
Van zulk een kind des Heeren gaat kracht uit op zijn gansche omgeving. Zijn woorden, zijn daden, laten indrukken na. In den weg der heiligmaking wordt het leven van 't gezin smakelijker. Een godvreezend vader of moeder is een bindende kracht van de kinderen.
Bovenal ligt er in het zout een bederfwerende kracht.
Gij zijt het zout der aarde !
De menschenwereld is onderhevig aan bederf. De vernielende macht van den geestelijken dood maakt de bewoners der aarde tot dood in zonden en misdaden.
Dat verschrikkelijke ontbindingsproces kunt gij overal zien, tenzij gij uw oogen er voor sluiten wilt.
Moedwillig versmaadde eenmaal Adam, en in hem het gansche menschelijk geslacht, de bron des levens.
De gevolgen zijn zoó erg, dat in lichaam, in ziel, in huisgezin en maatschappij, in al onze werken en gedachten en woorden, deze vernielende macht te zien valt.
Wij zijn als in de onverbreekbare banden van de machten der duisternis. Luistert eens naar de gesprekken op straat, op reis, in de plaatsen der ijdelheid. Hoe ledig, hoe hol klinken de woorden. Hoe verwerpelijk zijn zij voor het aangezicht van Hem, die te heilig en te rein van oogen is, dan dat Hij de zonde zou kunnen aanschouwen. Ziet verder op uw gedachten, uw werken.
Dit ontbindingsproces zon eindigen in een gewissen dood, voor eeuwig, zoo Gods ontfermende genade uit dit menschelijke geslacht zich niet door de wedergeboorte een gemeente vergaderde tot het eeuwige leven. Hij legt in het zondig menschenhart dit bederfwerend zout. Door de levendmakende Geest wordt het hart vernieuwd, uw natuur veranderd. Het strekke tot onze diepe verootmoediging, dat Christus Jezus het bederf wegneemt, zoodat wij Gods vriendelijk aangezicht weer mogen aanschouwen.
Een zoutend zout.
Er ligt een groote verantwoordelijkheid op Gods kinderen. De Heere wil hen gebruiken. Laat ons hiervan goed doordrongen zijn. De Kerk des Heeren mag in deze diep gezonken, verdwaasde, verwilderde wereld, zich niet terugtrekken in haar binnenkamer, haar godsdienst makende tot privaatzaak. Ongetwijfeld is de , taak der Kerk, met haar beginselen te komen op de markt van het publieke leven. Zij mag zich niet terugtrekken als in een vesting, aldus de wereld overlatend aan haar eigen lot. God de Heere legt het zout niet naast de spijze, maar in de spijze. In de kracht van Christus moet zij de leugen weerstaan, de werken der duisternis verbreken, roepen tot bekeering. De Heere plaatst de Zijnen in de wereld, om haar te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Neem eens zoo'n korreltje zout in uw handen. Wat is het van geringe beteekenis ! Ligt er zooveel kracht in ? Een kind des Heeren is in zichzelf evengoed geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot eenig goed. Ook zij zijn in hun natuur verwerpelijk voor God. Zij zijn menschen, vol zwakheden. God geeft hun echter deze hooge positie in Zijn eeuwige liefde.
De kracht van het zout zal blijken : Gij zijt het zout der aarde ; niet : gij moet het zijn. Gods werk moet openbaar komen door een krachtdadige werking van den onwederstandelijken Heiligen Geest.
Gaat dan uit, gij leeraren! Zaait uw zaad aan alle wateren.
Gij ouders, vaders en moeders, houdt vol voor uw kinderen te bidden en hun het goede voor te houden.
Gij eenvoudige christenen, waar gij ook zijn moogt, op uw werk, in de fabriek, op de markt, op reis. Wij mogen ons niet schamen het Evangelie van Jezus Christus. En ieder heeft zijn plaats, door God hem toebeschikt, als zoutkorreltje zijn kracht te doen.
Het zout werkt als een stille kracht. Het gaat niet met veel drukte, met marktgeschreeuw. Het bestaat niet in groote woorden. Jezus zelf wandelde op aarde een stille weg. „Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden".
De Heere plaatste een Gideonsbende in het ontzaglijke Romeinsche rijk. Het rijk van den goddelijken Keizer werd overwonnen. Het Evangelie overwint de wereld.
Wat beteekenen de 12 discipelen tegenover de millioenen heidenen ? Een handvol zout tegenover de wereldmassa ? Zij verwachten het echter van boven. God is een verhoorend God, waardoor het gebed des rechtvaardigen veel vermag. Hij zou Sodom sparen, zoo er het zout van 10 rechtvaardigen was. Hij beschermt een verloren zoon of dochter om het gebed van een rechtvaardigen vader of moeder. Augustinus werd behouden omdat een kind van zooveel gebeden niet verloren kon gaan.
Hoevele uitreddingen hebben plaats gehad op het gebed der kinderen Gods. Het gebed van een eenvoudige, onaanzienlijke man of vrouw, kan een geheel land redden uit groote gevaren.
Een arme vrouw, die op haar zolderkamer Gods aangezicht zoekt, is een steunpilaar der Kerk. Een godvreezende vader, die bidt als Job: „vergeef mijn kinderen, misschien hebben zij U gevloekt", draagt de zonden zijner kinderen. „De zonden van mijn kinderen zijn de kinderen van mijn zonden". Deze wetenschap doet hen pleiten alleen op genade.
Zoo zijn de kinderen Gods. Zij weten zelf niet, dat zij zoo bijzonder begenadigd zijn. Zichzelf beschuldigende van een doelloos, nutteloos leven, aangevochten door den belager der broederen, zijn zij instrumenten om het Koninkrijk Gods uit te breiden. Eenvoud is haar sieraad.
Zoolang deze gemeente er is, kan de wereld niet verloren gaan. Zij houdt de ontbindende machten tegen. De Kerk des Heeren is het onmisbaar element in deze wereld.
Een smakeloos zout.
In deze dagen, waarin de grondvesten van het Christendom ondermijnd worden, dreigt de Kerk des Heeren haar verantwoordelijkheid te verliezen. Is de gemeente Gods nog wel een belijdeniskerk ? De tegenstand is zoo groot, de zelfverloochening zoo moeilijk. Om blind voor de toekomst zich in den stroom der afdwalingen te werpen, 't lijkt ons onbegonnen werk. Men vindt tegenover zich de mensch van den modernen tijd, die gebroken heeft met God en Zijn Woord.
In een haar onwaardige rust trekt de Kerk zich terug. Laat men niet vergeten, dat deze moderne mensch geen oplossing kan vinden voor de talrijke levensproblemen. Alle onderzoekingstochten naar de waarheid loopen op niets uit. Ook zij kennen geestelijke nooden. Ook zij hebben eeuwigheidsvragen, al onderdrukken zij ze met alle macht. Hunne zielen verkommeren, omdat zij niet willen zien en door onkunde niet kunnen zien.
De Heere veroordeelt scherp deze slapheid der geloovigen: „Indien nu het zout „smakeloos wordt, waarmede zal het ge-„zouten worden ; het deugt nergens meer „toe, dan om buiten geworpen en van de „menschen vertreden te worden".
Het zout wordt smakeloos, verliest zijn kracht, bederft zelf. Het verliest alle waarde, omdat het zijn aard verliest.
Wat wil de Christus hiermede zeggen ? Natuurlijk niet, dat er een afval der Heiligen is. Geenszins!
Doordat er geen heiligmaking is, verachtert men in de genade. Dit wil Hij zeggen.
De liefde vermindert. Het gebedsleven verflauwt. De lust om ernstig te leven ontbreekt. Als een Demas, krijgen velen de wereld weer lief. Er is zoo weinig geloofskrachten zooveel moedeloosheid. Er valt over den geloovige dorheid en matheid. Men zwijgt over den Koning der Kerk.
Het oordeel God$ over de gemeente van Laodicéa geldt vooral in onze dagen : „Ik „weet uwe werken, dat gij noch koud zijt „noch heet: och of gij koud waart of heet! „Zoo dan, omdat gij lauw zijt en noch „koud noch heet. Ik zal u uit Mijnen mond spuwen".
Een wedergeborene vrage zich dagelijks: Heb ik zout in mij zelf ? Hij zal de wansmaak in zijn leven proeven en de werkingen des doods opmerken. Met deze schuld zal hij voor God komen met een verbrijzeld en verbroken hart. Hij zal niet meer durven spreken van „de sleur van het leven", om in dit mooie woord zichzelf te verontschuldigen. Het diep bederf zal hij vinden. Geen vrede heeft hij met een naam-Christendom, met een gedaante van godzaligheid.
De vraag des Heeren : „Waarmede zal het gezouten worden ? " wordt zijn vraag. En zijn antwoord luidt: Het deugt nergens meer toe, dan om onder den voet vertreden te worden.
Er leeft echter in zijn ziel de ernstige begeerte: Dit moet anders worden ! Een worsteling begint tegen den stroom in. Het gedoofd licht geeft weer schijnsel van zich.
M.L. Er is zooveel oppervlakkigheid het leven en zoo weinig diepgang.
Heeft het werk der duisternis u nog omkluisterd ? Is het zout van de Godskennis u nog niet een begeerlijk goed ? Hebt gij dit Godsgeschenk al ontvangen ?
En gij, die Gods kinderen genaamd wordt: „Staat gij wel genoeg stil bij uw hooge, heilige roeping ? "
De satan juicht, als gij u terugtrekt in uw eigen vesting. Gij moet uittrekken uit de poort.
„Laat uw licht alzoo schijnen voor de „menschen, dat zij uwe goede werken mo-„gen zien en uwen Vader, die in de heme-„len is, verheerlijken". De inwoning des Heiligen Geestes volmake u in geloof en wandel.
Het zout moet zout zijn.,
Een Kerk moet een belijdenis-Kerk zijn.
Daarop rust Gods zegen. Uw arbeid zal niet ijdel zijn. Paulus zegt: „Ik vermag „alle dingen, door Christus, die mij kracht „geeft".
Zoekt dan uw roeping te vervullen in der verborgen omgang met God.
't Is Isrels God, Die krachten geeft. Van Wien het volk zijn sterkte heeft; Looft God ; elk moet Hem vreezen!
Veenendaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's