KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET WERK DAT WACHT
De vacantietijd en de vacantiestemming zijn weer voorbij en we voelen, dat September reeds zegt, dat October in 't zicht is. En dan is de wintercampagne weer begonnen. En dan moeten we ons werkprogram klaar hebben.
Als ieder lid van onzen Gereformeerden Bond zich nu eens tot taak stelde vóór 1 December, als de nieuwe jaargang van „De Waarheidsvriend" begint, één of meer nieuwe abonnees te werven.
Alleen als ieder in dezen z'n plicht voelt en z'n taak weet en z'n werk in dezen ter hand wil nemen, kunnen we „excelsior", steeds hooger ! Laten de zegeningen Gods ons in deze aansporen om saam al onze krachten te geven ons Bondsorgaan vooruit te brengen.
Dat is het eerste.
En dan : hebben onze Afdèelingsbesturen het werkprogram besproken ? Ledenvergaderingen moeten gehouden worden tot onderlinge ontmoeting en onderlinge samenspreking, met behandeling van onderwerpen onze Gereformeerde belijdenis betreffend, opdat de Gereformeerde Waarheid beter mag worden gekend, verbeid, verdedigd — in het belang van onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk.
Ook, waar mogelijk, worde één of twee openbare vergaderingen georganiseerd, waar eveneens een onderwerp van beteekenis kan worden behandeld, in verband van de belijdenis, ons kerkelijk leven, geestelijke stroomingen of secten, ook wel een kerkhistorisch onderwerp.
En dan : is er plaatselijk een propagandacommissie om nieuwe leden te winnen, om meer lezers van „De Waarheidsvriend" te zoeken, om giften voor onze Fondsen te verzamelen, om het plaatsen van een busje te bevorderen ?
Wij verwachten van een stille, intense, ernstige, goed doordachte, gestage arbeid van enkele mannelijke en vrouwelijke leden van onzen Bond veel goeds.
Laat men zich daar op toeleggen, als trouwe, hartelijke leden van onzen Bond, die een zoo grootsche taak heeft te vervullen in het midden van ons kerkelijk-en van ons volksleven.
Daarom : met frissche moed, met nieuwe lust, met ingespannen krachten aan 't werk.
De jongeren. En de ouderen !
Als wij, Zijne knechten, ons mogen opmaken om te bouwen, mogen we ook verwachten den zegen des Heeren.
Vergeet geene van Zijne weldaden !
INNERLIJKE KRACHT
Als wij aan den tijd denken, die nu komt, waarin gewerkt, gebouwd, vergaderd en versterkt moet worden, zouden we hier gaarne nog eens de aandacht er op willen vestigen, dat het vooral gaat om innerlijke kracht, om ernst, geloof, gebed en ingespannen arbeid.
Wij vreezen wel eens, dat de innerlijke kracht niet is, zooals dat behoort te zijn. Aan de ernst ontbreekt het ons dikwijls, aan de inspanning van alle krachten. Aan geloof en aan gebed. Aan saamhoorigheid en echte belangstelling. Aan ijver en liefde.
Daarom moeten we waken, bidden, werken, strijden. De jongeren èn de ouderen.
We denken hier aan het woord van ds. Remme, van Amsterdam, die onlangs op een landdag ongeveer als volgt sprak :
„In het vereenigingsleven worden tegenwoordig zoo heel veel feestelijke samenkomsten, bazars, landdagen enz. gehouden. Dat is alles erg mooi, maar toch is het eigenlijk niet het ware, waar dit in den grond van de zaak alleen den buitenkant raakt. Nu moeten we ons vanzelfsprekend niet in een hoek laten dringen, doch het is helaas maar al te vaak zoo, dat wij innerlijk veel gelijkenis vertoonen met een uitgedoofde haard. In die haard nu moet het vuur der geestdrift gebracht worden, een vuur, dat wij niet zelf kunnen ontsteken, doch dat van God moet komen. Een eenmaal ontstoken vuur moet natuurlijk hij voortduur gevoed worden, wil het niet dooven. De brandstof nu voor het vuur der geestdrift is Gods Woord, en als dat vuur eenmaal in ons brandt en gevoed wordt, zullen we
er rijken zegen van ervaren".
Laat het ons gezegd zijn voor héél onze Hervormd Gereformeerde actie.
Laat het ons gezegd zijn óók voor ons Bondsleven, voor het leven van onze Afdeelingen.
Het gaat om innerlijke kracht, om warme belangstelling, om liefde en ijver.
WAT IS DE BIJBEL VOOR ONS PERSOONLIJK LEVEN?
Wij spreken vaak zoo in 't algemeen over den Bijbel. En dat kan zeer zeker z'n goede zijde hébben. Maar — het gaat er ten slotte om, wat wij zelf, voor ons persoonlijk leven aan Gods Woord hebben en wat de Bijbel voor ons beteekent, voor ons hoofd en hart,
voor ons geloof en ons leven, voor ons leven en — straks — voor ons sterven.
De Heidelbergsche Catechismus is altijd zoo persoonlijk als 't gaat over den éénigen troost. Dat ik niet meer voor eigen rekening sta, dat Jezus Christus mijn schuldovernemende Borg is, en dat de Heilige Geest mij van harte bereid en gewillig maakt tot een nieuw leven voor God en mijn naaste.
Ons persoonlijk leven moet dan ook ernstig in 't oog gevat worden. Wie zijn wij voor God ? Wie zijn wij voor onzen naaste ? Wie zijn wij voor ons gezin ? Wie zijn wij voor de Kerk ? Wie zijn wij voor de Maatschappij, voor den Staat ?
Ds. B. van Ginkel sprak onlangs op een landdag, door de jongeren georganiseerd, over : De Bijbel en ons persoonlijk leven. We willen graag hier overnemen wat we lazen in een kort verslag :
„Spreker vertelde, hoe Spurgeon eens tot zijn vrouw gezegd had, na het lezen in den Bijbel : „Als dit boek waarheid is, dan heb ik ongelijk, dan zijn wij verloren". Hij hield toen echter niet op met lezen en later kwam hij tot de belijdenis : „Als dit waar is, dan zijn we behouden".Op deze uitspraken baseerde spr. zijn betoog, daarbij aantoonende, dat wij bij het lezen meestal ons zelf boven het boek blijven stellen en er hoogstens tijdelijk door worden gegrepen. Helaas, gaat het met het lezen in den Bijbel maar al te vaak evenzoo en de moeilijkheid is dan vooral, dat wij niet in staat zijn onszelf te veranderen.
Dan komt echter 't wonderlijke : in den Bijbel, het boek uit, door en tot den levenden God, zegt God, wie Hij is, wat Hij deed en wat Hij zijn wil in Jezus Christus. Wij hebben het stellig niet verdiend, dat Hij ons dat zegt, maar God is een God van genade. Nu kunnen wij bij het.Bijbellezen wel, zooals overal, het ik in het midden blijven stellen, maar dan komen we er geen stap verder mee. We moeten God om Zijn verlossing smeeken, we moeten vragen, zooals het in Psalm 119 staat : „Ontdek mijne oogen, opdat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet". Dan zullen we kunnen verstaan, hoe God door Zijn Woord tot ons spreekt en door dat Woord tot geloof komen".
Lezen wij persoonlijk, stil voor ons zelf, nog wel in den Bijbel ? Is het Woord van God voor ons ook tot een zegen ?
Kerkgangers, catechisanten, leden van onze Vereenigingen, laten we eens een eerlijk antwoord geven.
HET CHRISTENDOM IS „LIJKENGIFT”
Wij zullen niet ontkennen, dat Hitler en de zijnen niet veel goeds hebben gewerkt in Duitschland, hoewel het eind de last zal dragen. Maar vast en zeker staat het voor ons, dat het geestelijk niet goed gaat. Men wijkt officieel hoe langer hoe meer af van het christelijk geloof en verliest zich heelemaal in het heidensche voelen der dingen. Het Christuskruis is er officieel niet meer, en daarvoor is in de plaats gekomen 't „hakenkruis", met z'n vier gebogen armen, een voorstelling van het zonnerad. De Zonnegod is in de plaats gekomen van Jezus Christus, onzen Heiland en Zaligmaker. En alles is verder daarmee in overeenstemming. De Staat is in de plaats gekomen van de Kerk. Gods wil moet zwijgen en de wil van den Leider of Führer is 't een en het al.
In het „Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur" zagen we afgedrukt een gedeelte van een strooibiljet of vlugschrift, dat in het Rijnland door de Belijdeniskerk verspreid wordt. Daarin wordt op de meest eenvoudige wijze naast elkaar gezet wat de z.g.n. Duitsche Christenen en de Kerk van Christus belijdt te gelooven. En dan is het vreeselijk, te lezen hoe 'brutaal men durft te loochenen wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft en de Kerk van Christus alle eeuwen door geloofd en beleden heeft. Het Christendom wordt dan zelfs genoemd een vergiftiging van het volk met „lijkengift". Leest eens, hoe de dingen gezegd worden door de Duitsche Christenen :
1. Christus is niet Gods Zoon in strak bijbelschen zin ; in hem heeft God zich op dezelfde wijze geopenbaard als in Adolf Hitler. (Aldus D. Engelke, Rijksvicar.)
De Christelijke Kerk belijdt : „Ik geloof in Jezus Christus, Gods ééniggeboren Zoon, onzen Heere".
2. Het Christendom belijdt : „Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt" (Joh. 1 vers 29). De* Duitsche Christenen zeggen : „Met een „lammetjes"-Christendom hebben wij thans niets meer te maken". (Thüringer Kerkblad, 1936, no. 145, blz. 82).
3. In de plaats van het lichaam der Kerk treedt het lichaam der Duitschers, dat in den Staat zijn symbool vindt. Leut-heuser).
In Gods Woord lezen we : „Geef den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is" (Matth. 22 vers 21).
4. Dezelfde man als hierboven (Leutheuser) zegt : „Gods rijk en het Duitsche Rijk hebben een verbond gesloten". Het Woord zegt : „Mijn rijk is niet van deze wereld" (Joh. 18 vers 36).
5. Prof. Fascher van Jena zegt: „De meening, dat het Nieuwe Testament de volstrekte openbaring Gods bevat, is valsch en een leeken-oordeel".
Gods Woord zegt : „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven".
6. Ds. Schneiders, van Stuttgart, zegt : „Wij moeten gedoopt worden in de gemeenschap des volks, gedoopt in de wereldbeschouwing des Führers".
Leg daarnaast nu eens wat Gods Woord zegt : „Weet gij niet, dat zoovelen wij in Jezus Christus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn". (Rom. 6 vers 3).
7. Dezelfde ds. Schneiders zegt de volgende vreeselijke dingen : „De wijn is het teeken van het eeuwig in ons stroomende bloed, het brood de vrucht van Duitschen bodem. Uit Bloed en Bodem wordt de Volksgemeenschap gebouwd, die in het Avondmaal wijding ontvangt. Is zulk een heilig maal (het één-sehotel-maal !)
niet veel wonderlijker als dat wij door de schuld van de scheeve ontwikkeling der Kerk nu nog een middeleeuwsch mirakel zouden hebben ? "
In Gods Woord lezen we : „Neemt en eet, dat is het lichaam van onzen Heere Jezus Christus, Die Zich overgaf in den dood. Neemt en drinkt, dat is het bloed van onzen Heere Jezus Christus, het bloed des Nieuwen Testaments, dat voor onze zonden vergoten is". Amen.
8. En als slot wordt dit verschrikkelijke, beleedigende woord, geciteerd, dat Kirchenrat Lehmann van Thüringen heeft gezegd : „Of het Christendom nog onder den naam „Christendom" bestaanbaar is, dat hangt daarvan af, of het gelukt het lot te maken van dat, wat zich thans als Christendom aandient. Het herboren leven der natie moet voor verpesting met lijkengift bewaard blijven".
Hier wordt dus de invloed van het Christendom voor het Duitsche volk genoemd „verpesting met lijkengift".
In Rusland kan men het moeilijk krasser zeggen. En het Nationaal-Socialisme en het Bolsjewisme marcheeren dan ook (misschien met verschilende pas) in dezelfde richting : dood aan het Christendom ; dood aan de Kerk des Heeren.
Het vlugschrift van de Belijdeniskerk in het Rijnland zet naast het vreeselijke woord van Kirchenrat Lehmann, onder 8 hierboven genoemd : „Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten, want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien. Want die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaien, maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien". (Gal. 6 vers 7, 8).
We kunnen nu wel eenigszins begrijpen, hoe fel en venijnig de strijd van den Staat in Duitschland tegen de Belijdeniskerk is !
Het is de strijd tegen het Lam Gods !
Het is de strijd tegen de ware godsdienst.
VOETIUS OVER HET GEZAG DER SYNODEN.
Wij hebben er al eens op gewezen, dat er in de Gereformeerde Kerken over het proefschrift van dr. M. Bouwman, Geref. pred. te Nieuwendam : Voetius en zijn opvatting van het gezag der Synoden, heel wat te doen is ! Men vindt het maar heelemaal niet prettig, dat de Gereformeerde Kerken door een eigen hoogleeraar, prof. dr. H. H. Kuyper, en nu door een eigen predikant in een knappe dissertatie beschuldigd worden van independentisme.
Wij laten hier nu volgen wat prof. dr. H. H. Kuyper zelf in „De Heraut" schreef :
„Het is mij bijzonder aangenaam, dit proefschrift van mijn leerling, als wiens promotor ik optrad, om daarmede mijn actieven dienst aan de Vrije Universiteit te eindigen, in De Heraut te mogen aankondigen. Want hoe men ook over de conclusies, daartoe dr. Bouwman kwam, moge denken, aan de grondigheid van zijn wetenschappelijk onderzoek en den ernst, waarmede hij zijn taak heeft opgevat, zal wel niemand lof onthouden.
Uit methodologisch oogpunt is deze dissertatie zeer goed opgebouwd. Eerst behandelt dr. Bouwman de verschillende kerkrechtelijke stelsels en laat zien, hoe het vraagstuk van de kerkelijke macht stond in Voetius' tijd. In hoofdst. II wordt beschreven, wat, volgens Voetius, het subject is van de kerkelijke macht, n.l. de éénheid van de Synodaal verbonden Kerken; hfdst. III zegt wat, volgens Voetius, de grondslag is van de Synodale macht, n.l. hei Goddelijk recht en de wederzijdsche toestemming der Kerken ; in hoofdst. IV wordt dan uiteengezet wat Voetius over het karakter en de eigenschappen van de kerkelijke macht dacht, terwijl de drie laatste hoofdstukken gaan over de deelen en objecten der kerkelijke macht en hoe ze volgens Voetius moet worden uitgeoefend, waarbij dan uitvoerig wordt gehandeld over de drie deelen der kerkelijke macht, de leer-, de regeeren de tuchtmacht der meerdere vergaderingen".
, „Dr. Bouwman heeft Voetius niet willen bezien door een gekleurden bril, maar hem zelf willen laten spreken (over de Synodale macht) en daardoor menige misvatting, die omtrent Voetius' opvattingen bestond, op afdoende wijze weerlegd".
„Dat dr. Bouwman daarbij ook meermalen corectie moest aanbrengen op hetgeen in onze eigen kringen aangaande deze Synodes en haar macht geleerd was, niet zelden met een beroep op Voetius, was noodig ; want gelijk hij in zijn eerste stelling het uitdrukt : het gevoelen van Voetius omtrent het gezag der Synodes is in de laatste halve eeuw schier nimmer juist weergegeven". (1886 ligt zoowat een halve eeuw achter ons !)
„Zoo is deze dissertatie niet alleen een kostelijke (bijdrage om ons Voetius' Kerkrechtelijk standpunt beter te doen verstaan, maar kan ze ook dienen als tegenweer tegen independentistische stroomingen in onze Kerken".
„Er is altoos gevaar, dat na een sterke actie tegen hiërarchie de slinger doorslaat naar den tegenovergestelden kant en de macht, die, naar Gods Woord, toekomt aan de meerdere vergaderingen, wordt ontkend. Zoo was het ook in de dagen der Reformatie, toen na den strijd met Rome het independentisme opkwam in Frankrijk en daarna tegenover de Episcopaalsche Kerk in Engeland. En zoo is het ook in onze eigen Kerken gegaan na onzen strijd met de hiërarchie in de Hervormde Kerk. Prof. Rutgers heeft meermalen, inzonderheid in zijn Kerkelijke adviezen, tegen dit independentisme in onze Kerken gewaarschuwd".
„Het is de groote verdienste van deze dissertatie, dat dr. Bouwman ons den echten Voetius uit zijn geschriften, waarin hij zelf spreekt, heeft doen kennen. Voor onze predikanten en inzonderheid voor degenen, die het Kerkrecht bestudeeren, heeft dit proefschrift daarom blijvende waarde, waarom we het dan ook van harte aanbevelen."
Aldus Prof. Kuyper in De Heraut van 4 Juli '37 (hier en daar hebben wij een woord of„ zinsnede onderstreept).
Dat juist de predikanten in de Geref. Kerken „die het Kerkrecht bestudeeren" in 't geweer vliegen nu, is wel een beetje te begrijpen. Men zal wel een en ander, wat sinds de Doleantie van 1886 geleerd en gepropageerd is, moeten inslikken, en dat is nooit erg prettig.
Maar die vandaag bekent dat hij gisteren ongelijk gehad heeft, is vandaag verstandiger dan gisteren. En zeker verstandiger dan iemand, die ongelijk heeft gehad, maar 't voor geen geld wil erkennen.
We gaan den goeden kant uit !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's