KOHLBRUGGE
en de leer des heils
X.
„Het wachten op den Heere of de hoop, is de andere zijde van het geloof, zoodat, als het geloof als 't ware verdwenen is, de hoop opleeft. Geloof, hoop, liefde, deze drie reiken elkaar steeds de hand en ondersteunen elkaar wederkeerig". (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 355).
Het vertrouwen zoowel als het wachten ligt in het woordje toch. „Het woord toch is een woord des geloofs, daarom een stoutmoedig woord ; en er behoort groote nood bij, een diep gevoel van verlorenheid en van de eeuwige geldigheid van Gods wet, daarbij een bijna radeloos volharden bij Gods Waarheid, om het woord uit te spreken, zooals het uitgesproken wil zijn. Bij dit alles is geen gewaagd woord ; want het heeft een goede grond, waarop het rust ; de grond is datgene, wat God heeft gedaan, wat Hij beloofd heeft" (Licht und Recht, deel 7, blz. 92).
„Tegen al het zichtbare, tegen het tegenwoordige en toekomstige, tegen hoog en laag, tegen de geheele hel in zal het zich staande houden, het toch van God, het toch des geloofs". (Licht und Recht, deel 8, blz. 101).
De kracht, bij het Woord te volharden, put de geloovige niet uit zichzelf. „Zoolang de mensch nog meent, dat het geloof zijn zaak is, dat hij het in de hand zou hebben, zal hij nooit bij het geloof volharden. Wie echter licht heeft, staat om deze reden, (hoewel in zichzelf een zwak riet, door iedere wind bewogen), toch zoo rotsvast, omdat hij het geloof niet zoekt bij zichzelf, maar omdat hij van zich zelf af en op God ziet en het bekent, dat, wat hij gelooft, hij dat gelooft door de werking van de sterkte van Gods macht". (Licht und Recht, deel 3, blz. 70).
Het volharden in het geloof veroorzaakt dikwijls zeer veel en groote nood. „Alles, wat gelooft, mag gelooven met een schreeuw, met sterk roepen, gelooven, zonder geloof te gevoelen, gelooven in alle onmacht: Gij, Christus, zijt mijn gerechtigheid en kracht ; gelooven in weerwil van alle aanvechting, in weerwil van alle woede der zonde, waarmede de duivel tegen ons woedt, gelooven, ofschoon wij niets zien dan het tegendeel. Waarop mogen wij ons geloof gronden ? Op het Woord, het Woord van Christus, het geschreven Woord, en wat dit on^j zegt van Christus' lijden en dood". (Lijdenspredicaties, blz. 270).
„Het ware geloof houdt zich aan God en aan Zijn beloften. Toch is het ware geloof zoo, dat het wel eens met David zegt : Ik zal nog een dezer dagen omkomen door de hand van Saul. Het valsche geloof gelooft zijn zaligheid onbekommerd en heeft daarom in 't geheel geen twijfel ; het ware geloof daarentegen denkt meer aan God en Zijn geboden en de vervulling van Gods beloften, dan aan de eigen zaligheid. Daarom is het ware geloof altijd aangevochten, ja soms sterk aangevochten" (7 Predicaties over Zach. 3, blz. 44)
Wat het geloof volgens de Schrift voor waar houdt, dat zijn wonderlijke zaken en voor het verstand niet te begrijpen. „Het is toch een wondere genade, dat God alles aan het geloof heeft gebonden, zoó gebonden, dat zodra men gelooft, men het bezit en daarmede al het goede en bevrijding van al het kwade. Het zal voor het verstand altijd een raadsel blijven, dat een mensch eerst dan er toe komt, den goddelijken wil werkelijk te doen, dat hij dan pas tot een Gode welgevallige wandel, tot de deugd, tot ware heiliging komt en gekomen is, pas dan van het geweld van de tyrannie der zonde bevrijd wordt, als hij, ziende op Christus, gelooft, dat hij genade bezit, hoe arm en ellendig hij ook is, hoe geheel verdorven en onrein hij zich ook voelt".
(Licht und Recht, deel 10, blz. 3 en verv.).
Het geloof is daarom niet ieders zaak ; zoo schrijft Kohlbrügge : „Het is een moeilijk en voor een menschenkind onmogelijk iets, te gelooven, en even moeilijk en onmogelijk voor een mensch, in het geloof te volharden. Nu wil ons de Heere zelf van de volharding verzekeren en ons de wapenrusting aandoen tegen het ongeloof en tegen ieder bezwaar van het hart, als men niets dan het tegendeel voor zich heeft.
Evenzoo : Het is iets moeilijks, van harte te gelooven, dat God de zonde vergeeft, ook mijn zonde ; iets moeilijks, te gelooven, dat God alle zonden vergeeft, en het allermoeilijkste: dat God de zonden vergeeft alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus' wille ; en vervolgens op dit punt te blijven rusten, op dit punt steeds het oog te richten". (7 Predicaties over Zacharia 3, blz. 48, en Anleitung zur wahren Prüfung unserer selbst, - bladz. 14).
Er zijn vele soorten van geloof, die echter niet het ware, zaligmakende geloof zijn. Er is een historisch geloof, een tijdgeloof, een bijgeloof, een wondergeloof en een zaligmakend geloof. Kohlbrügge spreekt ook over een schijngeloof. „Het schijngeloof gelooft zonder God den Heiligen Geest. Het schijngeloof kan wel vreugde gevoelen over de goddelijke waarheden, maar het is slechts de vreugde, die het beschouwen dezer waarheden geven kan, nooit een vreugde temidden van de bekommernis.
Het schijngeloof weet ook niets van aanvechting, niets van de nuttige, maar bange strijd, om het geloof te behouden ; hij kan gelooven, wanneer hij wil, en staat zoó vast in zijn waan, dat hij steeds zeker van zichzelf is. De schijngeloovige ziet op de goederen en niet op God den Heere, op de beloften, vooral voor dit leven en gelooft, om juist die goederen te gewinnen. Wordt hem zijn gemis duidelijk, en wordt hij bestraft, dan ergert hij zich, wil God en menschen met offers en gaven bedriegen, of hij lastert God en wreekt zich en eindigt met wanhoop of gaat, zooals gewoonlijk, in de wereld onder". (Anleitung zur wahren Prüfung unserer selbst, blz. 17).
Een zeer gevaarlijke soort van ongeloof is het tijdgeloof. „Ook het tijdgeloof (Lucas 8 VS. 13) heeft met zijn zonden te doen, d. i. met zijn hartstocht. Zijn zedelijk gevoel wordt beleedigd, vandaar 't zeer sterk belijden van zondigheid, vurige gebeden van voorbijgaand berouw, de diepste klaagtonen uit een bevlekt geweten en allerlei boetedoeningen. Er heeft een verandering plaats gevonden in de overleggingen, maar het hart bleef vreemd. Men verandert het evangelie in een wet, in een : hier een weinig — daar een weinig, naar een andere schijn. Een tijdelijke onmacht noemt men sterven, en een korte vreugde over het Woord houdt men voor de overgang in het leven". (Licht und Recht, deel 6, blz. 67 ; vergelijk Anleitung zur wahren Prüfung unserer selbst, blz. 23).
Niet zien, en toch gelooven ! Welke sterke tegenstellingen weet Kohlbrügge aan te wijzen ! „Dat wij vleeschelijk zijn, met alles, wat daaruit voortkomt, zal ons geen kwaad berokkenen, ons niet beheerschen, ons niet overwinnen, wanneer wij als menschen zonder genade in de genade gelooven, als onrechtvaardigen gelooven in de rechtvaardigheid, als dooden gelooven in het eeuwige leven, als machteloozen gelooven in de kracht, als onwaardigen vasthouden aan barmhartigheid". (Licht und Recht, dl. 7, blz. 15).
„Het evangelie zet alles heel anders, dan het vleesch. Zoo verkondigt het evangelie : Is het verloren, dan is het gewonnen. Hebt gij zonde, dan hebt gij ze niet ; beeft gij voor het oordeel, dan komt gij niet in het oordeel ; zijt gij dood, zoo hebt gij mij als uw leven ; zijt gij arm, ik ben uw rijkdom ; klaagt gij uzelf aan, zoo zijt gij vrijgesproken ; is uw hoofdkussen nat van tranen, dan verheugen zich de engelen Gods in den hemel om uwentwil, zijt gij geheel melaatsch, dan zijt gij geheel rein, enz." (Licht und Recht, dl. 2, bladz. 52).
„God leidt Zijn heiligen wonderlijk. Belooft Hij hun het licht, dan maakt Hij alles donker ; belooft Hij hun ruimte, dan worden zij in de engte gedreven ; belooft Hij hun hulp, dan wordt iedere steun verbroken ; belooft Hij hun den vrede, dan wordt de ziel in ons, ach, zoo onrustig ; belooft Hij de zegen, dan schijnen alle vervloekingen op ons neer te komen ; belooft Hij eere, dan moet men uitroepen : Laat mij niet beschaamd worden ! Belooft Hij genade, dan schijnt Hij Zijn toorn over ons uitgegoten te hebben ; belooft Hij heiliging, dan begint de zonde in ons te woeden als nooit te voren, enz., toch is het Gods weg met hen". (Licht und Recht, deel 2, bladz. 89).
„Zijn wij ledige kruiken (Richteren 7 vs. 16), verbreken wij onszelf in het aangezicht van de vijanden, dan zullen wij ondervinden, dat wij gelooven en dus niet ledig zijn, hoewel wij ledig zijn. Met wat vol is, kan de Heere niets beginnen, ook niet met wat onverbroken is, met het ledige, het verbrokene doet Hij groote daden". (Licht und Recht, deel 8, bladz. 12).
„Schatrijke menschen, ja, schatrijke menschen zijn wij in het Woord, en het is ons menigmaal, als heeft God de Heere niet eens macht, ons een penning te doen toekomen.
Heiligen zijn wij in het Woord, en de duivel moet er ja op zeggen, en wij staan altijd verlegen, als wij deze heiligheid niet aan ons bemerken, als wij niet één staaltje van onze eigen smeedkunst uit onze werkplaats kunnen aanwijzen. Priesters zijn wij in het Woord voor God den Allerhoogsten, en het is ons nooit naar de zin, als wij niet iets van ons zelf te offeren hebben". (20 Predicaties, gehouden in 1886, blz. 243).
Dat is de nood des geloofs, dat wij niets, ja, dikwijls slechts het tegendeel zien ; dat is echter de overwinning van het geloof, dat het zich houdt aan de belofte van den trouwen God en verre overwint. (Romeinen 8 vs. 37 ;
1 Korinthe 15 vs. 57 ; 1 Johannes 5 vs. 4).
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's