De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

WAT ER IN HET OOSTEN GESCHIEDT.
Ieder geeft nu acht op 't geen er tusschen Japan en China gaande is. Onder een donkeren hemel rolt de donder en schiet de bliksem uit. Vreeselijke dingen staan te gebeuren. En we leven in een zondige wereld, waar deze dingen aan de orde van den dag zijn. Humanistische luchtballons kunnen en zullen hier geen verandering brengen. Gods oordeelen zijn op aarde. En Hij wil, dat we Zijn straffen gadeslaan en ons leeren bekeeren tot Hem in het doen van gerechtigheid ; want de zonde is de schandvlek der natiën.
Japan heeft het er op gezet China murw te slaan, ten spijt van alle protesten, van wie ook. Zooals Italië Abessynië murw geslagen heeft en nu nieuwe wegen aanlegt en nieuwe huizen bouwt en nu nieuw afzetgebied heeft en nu nieuwe kansen heeft.
Japan heeft grootsche plannen. Wie zal het Oosten regeeren ? Zal het Oosten zich zelf helpen of zal het Westen in het Oosten heerschappij voeren ?
Het is duidelijk, wat Japan wil. Het Oosten moet heer en meester zijn in het Oosten. En het Westen moet teruggedrongen worden. Er mogen handelsrelaties zijn, maar het Westen moet geen heerschappij voeren in 't Oosten.
En Japan moet de leiding hebben. Het Oosten moet zelfbestuur en zelfbeschikkingsrecht hebben, en het Westen moet uit het Oosten verdwijnen, om niet anders dan als gast in 't Oosten te komen en te vertoeven, waar het Oosten het goed vindt en duldt.
Het Westen zal zonder het Oosten, zonder koloniaal bezit, zonder macht, zonder heerschappij in het Oosten komen staan straks. En de verschrikkelijkste wereldrampen gebeuren om uit de weeën het nieuwe te doen geboren worden.
Eén ding troost ons : de Heere regeert. Daarin ligt onze vastigheid, ons vertrouwen, onze vreugd. „De aarde verheugt zich." Gods raad zal bestaan. En is Zijn troon omringd van wolken van donkerheid, zoo weten we toch, dat Zijn troon pal staat en dat Zijn troon gegrond is op recht en waarheid.
Maar het Westen zal zich moeten leeren bezinnen. De geschiedenis die achter ons ligt, de geschiedenis van eeuwen, is niet toevallig, maar naar Gods bestel. En nu is het Westen bezig om zich zelf te verteren. Wat erger is, om den strijd tegen den Almachtige al scherper in te zetten en al vreeselijker door te voeren, 't Koste wat het kost !
Dat het Westen zich bezinne. Dat het Westen aflate van gruwel en onrecht. Dat het Westen zich zelf niet vertere in zondespel en gruwelbedrijf. Want anders zullen de Westersche volkeren vergaan. „Hij kromt en spant alree den boog, en dreigt met pijlen van omhoog" zingt de dichter van Ps. 4, omdat hij van zijn God getuigt : „God, Die op 't recht Zijn troon wil stichten, God is rechtvaardig in Zijn richten, en toont Zijn gramschap dag aan dag".
Ook ons Christelijk Nederland heeft deze dingen te bedenken. En moge ons Christelijk Nederland nog als een zoutend zout gebruikt worden in het Westen èn in het Oosten.
't Gaat hier niet om grootheid der menschen, maar om de gehoorzaamheid en de gewilligheid voor God, om in Zijne wegen te wandelen.
En moge daartoe ook de Kerk van Christus in Nederland — ja, zij in de eerste plaats — nog verwaardigd worden, om weder te keeren tot den Heere en willig te wandelen in de vreeze Zijns Naams, om te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid en een getrouwe getuige van Jezus Christus.
Dat zij zich zelve niet vertere door onderlinge twist en tweedracht, door verdeeldheid en haat, maar dat Juda en Israël vereenigd mogen worden, om saam te vragen naar den Heere en Zijne sterkte.
Bijzonder onze aloude Hervormde Kerk heeft hier een heilige roeping, om als Kerk van Christus te mogen openbaar worden, niets anders wetende dan Jezus Christus en Dien gekruisigd, om dan, naar Gods Woord, te spreken, te handelen en te wandelen.
Donker, heel donker zijn de dreigende wolken, hier en elders, in het Oosten en in het Westen. De Heere roept ons, om te letten op de teekenen der tijden. Ga dan de bede op uit ons aller harte : „Verhef Gij het licht Uws aanschijns over ons, o Heere" — begeerende om in Zijn licht te wandelen en naar Zijn wil te handelen.
Kerk van Nederland — vermoord u zelf niet.
Kerk van Nederland — hoor Gods stem !
Om vriend en broedren spreek ik nu : De vrede zij en blijv' in u ;
Nooit moet haar nijd of twist verkloeken : Om 's HEEREN huis, in u gebouwd. Daar onze God Zijn woning houdt, Zal ik het goede voor u zoeken.
(Psalm 122 : 3).

CATECHISMUSPREDIKING
Het is noodzakelijk en zéér nuttig, dat de Catechismus gepreekt wordt. Daarvoor hebben de predikanten een taak en de kerkeraden kunnen hierin meewerken. Als dan de Gemeente óók maar meewerkt, de ouderen, maar ook de jongeren, door de Catechismusprediking trouw te volgen. Voor predikanten is het goed om zich te zetten tot behandeling van den Catechismus. Voor jonge predikanten achten wij het al héél nuttig. Zelf hebben wij et altijd graag gedaan en zoo getrouw mogelijk. Elk jaar namen we dan weer eens een andere „hoofdbron" en zoo hebben we een heel stapeltje Catechismuspreeken liggen van onze eerste jaren.
Met stomme verbazing bemerkten we enkele jaren geleden, dat een jong, niet onvermaard dominé eigenlijk nog nooit Catechismus gepreekt had, want door weigerachtige gemeenten, die maar heel kalm blijven vegeteeren op de gemeenten die wel een dominé hebben, was het week aan week hetzelfde liedje : één beurt in eigen gemeente en één dienst in een vacante (weigerachtige) gemeente, en zoo kwam er jaar op jaar niets van Catechismusprediking. Wat voor den dominé niet goed is en wat voor de Gemeente heel slecht is en schadelijk werkt — ook voor het opkomend geslacht, dat van den Catechismus dan eigenlijk nooit iets ziet of hoort. Wanneer wij de Catechismusprediking dan ook ergens kunnen bevorderen (we doen het zelf ook graag) dan laten we het niet.
En dan zijn wij altijd voorstanders geweest van het behandelen van de geheele Zondagsafdeeling. Er zijn er, die dat zoo ongeveer nooit doen. Die zeggen aan één vraag en antwoord meer dan genoeg te hebben. We hoorden van een niet onvermaarde dominé, dat deze, bij de behandeling van het 1ste antw.
van den Isten Zondag zei : dat hij dit gewichtige en belangrijke onderwerp onmogelijk in één preek kon behandelen, maar dat hij er eigenlijk wel 25 Zondagen over preeken kon. Ziet, zulke dingen moest men nu niet zeggen op den preekstoel. Want onze mooie Heidelberger Catechismus geeft in korte samenvatting die 1ste Zondagsafdeeling, om dan vervolgens 51 Zondagen over die stof te handelen. En zóó moeten wij het óók doen : eerst kort de hoofdinhoud van heel den Catechismus, en dan 51 Zondagen stuk voor stuk van dat groote geheel gaan bespreken.
Of het dan de bedoeling van de opstellers is geweest, om den Catechismus in één jaar door te preeken ?
Ja. Wij gelooven dat men daarom de indeeling in 52 Zondagsafdeelingen gemaakt heeft (Calvijn deed dat niet), opdat men in 52 weken op school dat boekje zou kunnen doorloopen , met de kinderen (elke week een stuk leeren !) en in 52 preeken. Zondag aan Zondag, over alles zou handelen in de Kerk.
In elk geval schrijft (schreef) de Dordtsche Kerkorde dit voor in art. 68 : „De Dienaars zullen overal des Zondags in de namiddagpredicatie de leer die in den Catechismus vervat is, kortelijk uitleggen, alzóó dat dezelve jaarlijks mag geëindigd worden, daar de afdeelingen van den Catechismus daarop zijn gemaakt".
Nu is de werkelijkheid van het leven gewoonlijk een weinig anders dan de theorie wel wil. Want er zijn b.v. de Feestdagen, de lijdensweken, de weken van Avondmaalsviering, met voorbereiding en nabetrachting, om nu maar niet te spreken van de vacantiezondagen, dat de eigen dominé er niet is, en „een predikant van elders" voorgaat in de bediening des Woords (en dan gewoonlijk niet met een Catechismuspreek komt, maar liever „vrije stof" behandelt).
Zoo loopt het practisch altijd en overal vast en wordt de Catechismus nergens en nooit in één jaar behandeld. Dat brengt weer mee, dat men in de ééne gemeente in Juli bezig is met Zondag 3 en in een andere gemeente met Zondag 37. Of men begint in Januari met Zondag 49 enz. enz.
Of daar niet iets op te vinden is ?
Wij weten geen oplossing. En dat is jammer. Want stel dat men eens in een andere gemeente kerkt, dan hoort men de Zondagsafdeelingen wel wat heel wonderlijk achteren door elkaar behandelen. Maar om een rooster te maken voor alle gemeenten waar men den Catechismus nog gebruikt, opdat men overal dezelfde afdeeling behandelt — daarvoor zien we geen kans, juist omdat we 52 afdeelingen hebben, die een vol jaar noodig hebben. Hadden we b.v. een Catechismus met 40 Zondagsafdeelingen, dan zou het èn voor de School èn voor de Catechisatie èn voor de Kerk beter uitkomen. Maar — zoo'n Catechismus van 40 afdeelingen hebben we nu eenmaal niet.
[Dat de gedachte van een kleinere Catechismus nog niet zoo heel dwaas is, bewijst het feit, dat men b.v. te Emden (in Oostfriesland) twee catechismen had, waaruit men preekte : een grootere in 52, en een kleinere in 26 Zondagsafdeelingen ; de eene werd éénmaal, de andere tweemaal per jaar „rond"gepreekt.]
De hoofdzaak is echter, dat er Catechismusprediking is, en liefst zoo geregeld en zoo getrouw mogelijk. Er zal een zegen van uitgaan èn voor de Gemeente, en óók voor de predikanten zelf.

EN NU EEN VRIENDELIJK VERZOEK.
Aan onze predikanten zouden we willen vragen, of ze aan ons adres eens zouden willen opgeven welke bronnen zij voor de Catechismusprediking gebruiken, zoo mogelijk deze opgave dan eenigszins toegelicht en vergezeld van opmerkingen en aanwijzingen — zoowel om te prijzen, als om, zoo noodig, hun aanmerkingen en bezwaren kenbaar te maken.
Deze opgave is dan voor ons persoonlijk. Het blijft geheel „onder ons". Maar het is dan, om, ter gelegener tijd, samen en met elkander iets in deze te doen, waarmee we dan elkander, vooral onze jonge predikanten, een dienst kunnen bewijzen.
Mogen we op medewerking rekenen ?
En wil men er niet al te lang mee wachten ?
Wij hebben wel iemand, die de eventueele inzendingen en opgaven en opmerkingen en adviezen kan verwerken tot één geheel, waarvan we dan gaarne aan inzenders inzage geven, alvorens er practisch iets mee te doen.
Bronnen dus voor onze Catechismus prediking.

DE HERVORMING EN HET SOCIALE LEVEN
Als er één ding is, dat zich aan ons christenen, aan ons gereformeerden, met alle ernst moet opdringen, om in te gaan in verstand en hart, om aan te raken onzen wil en te bewegen onze hand, dan is het : ken den Heere in al uwe wegen. Alles staat met onzen godsdienst in verband, omdat alles met God in verband staat. Er is geen enkel terrein waar voor den godsdienst staat : verboden toegang. Noch in de Kerk — natuurlijk niet — ; noch in het huwelijks-en gezinsleven ; noch in de school ; noch in de maatschappij ; noch in de staatkunde. Laat het Liberalisme telkens zeggen : halt ! hier wordt geen godsdienst toegelaten — de Reformatie heeft ons geleerd : vraagt naar den Heere, luistert naar Zijn stem, handelt naar Zijn Wet in alles. We kunnen nergens een kanaal graven om de godsdienst een andere richting te geven en ons geloof buiten een stuk van het leven te stellen. Dat is onzin. Dat is onmogelijk. Dat is zonde ! Ken den Heere in al uwe wegen !
Wij willen voor 't oogenblik wijzen op één van de groote hervormers ; en nu eens niet op Calvijn ; óók niet op Luther ; maar op Zwingli, voor ons de meest onbekende.
Zwingli stond theologisch op den zelfden grondslag als Luther en Calvijn. Hij heeft een gansch andere „weg" gehad dan Luther. De zware zielestrijd als Maarten Luther doorgemaakt heeft, wordt ons in de geschiedenis van Zwingli niet verhaald. Hij is de man die, classiek gevormd, van nature intellectualistisch, onder den invloed van het Humanisme stond. Dat teekent zich ook af in den „weg" dien hij doorgemaakt heeft. Door gestadig lezen van de Heilige Schrift, ging zijn oog langzamerhand open voor de gebreken en dwalingen van de Roomsche Kerk, en hij komt met hoofd en hart terecht bij Gods Woord. Rome's dwaling en des Heeren eisch in Zijn Woord ons gesteld, wordt hem geopenbaard. Zoo komt hij tot kennis van de evangelische waarheid, zonder dien zwaren strijd der ziel, zooals we dat van Luther weten. En als geloovige is zijn belijdenis dan: Christus en Christus alléén.
Herhaalde malen heeft hij, naar de gewoonte van zijn tijd, zich in openbaar twistgesprek of dispuut (godsdienstgesprek) met de Roomsche Godgeleerden begeven (ook wel met Luther over de Avondmaalsleer), en dan stelde hij altijd als eisch (tegenover de Roomschen), dat men zich niet op de Scholastiek zou beroepen, maar op het woord der profeten en apostelen, die ons het eigen Woord van God hebben gegeven. En zelf bij en uit het Woord levend, kwam hij, materieel genomen als inhoud van zijn geloof (b.v. in zijn Theses of Stellingen) tot de reformatorische belijdenis : alleen door het geloof in Jezus Christus is voor een zondaar behoudenis en door het geloof alléén.
De 1ste stelling luidt : de hoofdzaak van het Evangelie is, dat onze Heere Jezus Christus, de waarachtige Zoon van God, ons den wil Zijns hemelschen Vaders bekend gemaakt heeft en ons door Zijn onschuld van den dood verlost en met God verzoend heeft. 2°. Christus is alzoo de eenige weg tot zaligheid van allen, die er geweest zijn, nog zijn, of komen zullen. 3°. In het geloof ligt ons heil, in het ongeloof ligt onze veroordeeling. 4°. God vergeeft de zonden alleen door Jezus Christus, Zijn Zoon, onzen Heere.
De inhoud van zijn geloof is dus : de rechtvaardiging des zondaars door het geloof in Christus, en door het geloof alleen.
En formeel is zijn beginsel: in Gods Woord is ons de weg der zaligheid geopenbaard en in de Heilige Schrift heeft God ons Zijn wil voor gansch het leven bekend gemaakt.
Dat het Zwingli niet alleen om de leer en het stelsel te doen was, maar ook om de practijk van 't leven, blijkt uit alles. En dan wel de practijk van het echte, volle menschenleven, waarin wij door God gesteld zijn en van den Heere een roeping hebben ontvangen, om naar Zijn Woord te vragen en naar Zijn wil te handelen.
Als practicus voelde hij mee met 't geen er rondom hem gebeurde. En hij ging zelf mee met het leger als veldprediker.
De ellende van de huurlegers ontging hem niet. In Zwitserland werd men soldaat voor geld. Men verhuurde zich om in het leger dienst te nemen. Vandaar de uitdrukking, die nóg leeft onder ons : „geen geld, geen Zwitsers". Als men niet betaalde, ging men niet; gaf men zich niet. En Zwingli heeft tegen dat „Reislaufen" geijverd; hij heeft den strijd aangebonden tegen dat voor geld zich verhuren aan vreemde vorsten, voor vreemde legers, in vreemde landen. En zijn ijveren tegen dit „Reislaufen" heeft ten gevolge gehad, dat daaraan een einde is gekomen.
Maar de nuchtere practicus Zwingli voelde wel, dat hij het hierbij nu niet mocht laten. Er moest nu meer gebeuren. Want als de jonge mannen zich voor geld niet meer konden verhuren in den vreemde, dan moesten zij aan werk in het eigen Vaderland geholpen worden. En hier treedt Zwingli dan op als sociaal hervormer. De bedelaars moesten van de straat geweerd en als „huiszittende armen" verzorgd worden. De jeugd moest ruimschoots gelegenheid hebben voor goed en degelijk onderwijs, ook voor vakonderwijs. Voor ouden van dagen moest behoorlijk gezorgd worden. De ziekenverpleging was hem een zaak van beteekenis, en we zien hem in dagen, toen de pokziekte zoo veelvuldig voorkwam, de kloosters als ziekenhuizen inrichten om de lijders te isoleeren, en zoodoende het gevaar van besmetting zooveel mogelijk te voorkomen. De voormalige nonnen werden in ziekenzusters of - verpleegsters omgezet.
Voor verzorging van kraamvrouwen werd een aparte dienst ingesteld. De te karige tractementen der predikanten werden door hem verbeterd, en voor de opleiding van predikanten de noodige maatregelen getroffen. Hij ijverde tegen de woeker en voor de Zondagsrust. Aan de lijfeigenschap kwam door zijn toedoen een einde.
Zwingli is dus niet alleen een kerkelijk hervormer, maar tegelijk ook een sociaal hervormer. Hij staat midden in de practijk van het leven, leefde met zijn volk mee en deed het licht van Gods Woord schijnen niet alleen over de Theologie, maar ook over de vraagstukken van het politieke en sociale leven. En hij was een practische reformator, die niet in onbewogenheid stond toe te kijken.

LUTHER EN CALVIJN
't Zijn beide groote figuren ; geloofshelden van groote statuur, van groote beteekenis.
De Heere heeft in deze beide mannen Zijn Kerk groote genade bewezen. En de invloed van deze beide Hervormers is niet naar waarde te schatten.
Beide groote godgeleerden, Luther zoowel als Calvijn, hebben gesproken en geschreven over de Kerk en haar belijdenis ; hebben geijverd voor de Waarheid Gods en voor de reformatie van de zoo schrikkelijk misvormde Kerk, die het Woord Gods verloren had en den weg der zaligheid verlaten. Bij gebrokene bakken zat men neer, en er was geen water voor de dorstigen. Den levenden God had men verlaten, en er was geen verzadiging met het goede. Geboden van menschen leerde men. De traditie of overlevering was in de plaats gekomen van het Woord des Heeren, dat alleen waarachtig en zeker is.
In de Roomsche Kerk had de mis het Woord verdrongen. En de priesterheerschappij dreef in de richting, dat er geen sprake meer was van 't geen we lezen in Hand. 17 vers 11, waar we lezen : „het Woord ontvangende met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften".
Luther heeft het Woord Gods weer onder 't volk mogen brengen, den Bijbel weer op den kansel ; daarin de Kerk weer makend tot Kerk des Woords. De Bijbel in de volkstaal. De prediking weer op den kansel. Het is een zoo onschatbaar voorrecht, dat de Heere in en door de Reformatie aan Zijn Kerk kwam schenken, in Duitschland, in Frankrijk, in Zwitserland, in Nederland — en dat voor heel de wereld.
Predikt het Evangelie allen creaturen !
Maar — de Luthersche reformatie is toch anders geweest dan de Calvinistische reformatie. Want is de Luthersche Kerk Kerk des Woords geworden — met de prediking des Evangelies en de bediening der beide sacramenten van Doop en Avondmaal — het is toch anders daar, dan het Gereformeerd Protestantisme dat kent en begeert en liefheeft.
En wat de organisatie der Kerk aangaat, staat de Gereformeerde Kerk — wil zij althans staan — dichter bij de Schrift, om te hebben een zelfstandige organisatie, waarin de Kerk als Kerk openbaar wordt en leeft.
Maar de Lutherschen hebben eigenlijk altijd zoo'n groot stuk van het leven, zoovelerlei terrein en zoo verschillende arbeid als buiten de sfeer van het heilige gelaten. En ze hebben wat de Kerk betreft — wonderlijk kan 't toch gaan ! — de wereld, de Staat, de Vorst er in gehaald, zeggende : „de Vorst moet voor de Kerk zorgen, dat 't goed gaat ; zoo de Vorst is, zoo zal de godsdienst zijn".
Laten we het maar zóó zeggen : Calvijn (die meer theoloog was dan Luther) wilde radicaler alles inrichten naar het Woord. En voor de Kerk eischte hij een zelfstandige organisatie, naar de grondbeginselen in de Heilige Schrift ons door den Heere Zelf, naar Zijn bijzondere voorzienigheid, geopenbaard. De Kerk moet Kerk zijn. De Kerk moet Kerk des Woords zijn. En de Kerk moet als Kerk des Woords vrij zijn, om als Kerk des Woords te kunnen leven zooals het behoort.
Wanneer wij nu in Duitschland zien de verschrikkelijke dingen, die zich daar afspelen inzake de verhouding van Staat en Kerk, denken we aan de Luthersche reformatie in dat land van de Luthersche Kerk !
Het onderscheiden terrein van Staat en Kerk, met de positie der Kerk als Kerk des Woords — daarover moet in Duitschland nog een ander licht opgaan. Gelijk men zich ook meer en meer bewust moet worden van de taak en de roeping des christens inzake de school, de politiek en zooveel meer.
De gang der historie kan ook daarvoor nog tot zegen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's