MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. Kok te Kampen
Hé, daar was Baije ook en Joukje en kleine Jan, in hun zwarte kleertjes, nog altijd in den rouw wegens den dood van hun vader.
„Stil maar, kinderen ; 'k zal je geen kwaad doen'"', vergoelijkte de doodgraver.
Maar zij vertrouwden hem niet, want Baije wist nog wel, wat hij met vader gedaan had en hoe moeder daar nog altijd om schreien kon. Als zij nu óók niet weer thuiskwamen, zou moeder opnieuw bedroefd worden. Hand aan hand zochten zij weg te komen van hier, zoo vlug hun voeten hen konden dragen ; die doodgraver met zijn blinkende spade mocht hen eens grijpen. En zij hoorden niet meer, hoe hij riep, dat hij hen geen kwaad, wilde doen. „Naar huis !" was de leus, om daar te vertellen, wat hier gebeurde, en hoe, juist toen zij dachten te zullen genieten, omdat de grooten menschen vertrokken en het vrije uitzicht niet meer belemmerden, die doodgraver gedreigd had, hen allen te zullen grijpen. Kleine Jan snikte het nog uit bij de gedachte nooit weer bij moeder, te zullen komen.
Thuis gekomen, zat intusschen vrouw Siderius, die de weduwe en Murk op de begrafenis gemist had en nu even was komen inloopen om te hooren of er misschien iets haperde — meteen ook, om een kopje thee te halen, daar 't nu toch een verloren dag werd.
Nog altijd zaten vrouw Kalma en Murk te spreken over alles, wat het hooger leven aanging, toen zij binnenkwam.
„'k Vreesde, dat er iets niet in orde was", begon de boerin, „omdat ik je niet in de kerk zag. Een dominé heeft zoo mooi gesproken en daar was zoo'n belangstelling. Heel de kerk was vol".
„Wij hebben hier onze dooden herdacht en tegelijk over het onbeweeglijke Koninkrijk gesproken", zei Murk, toen hij bemerkte, dat vrouw Kalma eenigszins verlegen werd.
Maar de boerin durfde hier niet verder op ingaan. Zij wist, hoe vreemd hij was, en dan over dingen sprak, waar zij althans in 't geheel geen verstand van had. Wat wist zij van een onbeweeglijk Koninkrijk.
„'t Zal me benieuwen, of Betje nu nog een poos in de pastorie blijft; zou zij ook iets van den dominé geërfd hebben ? "'
Op deze vraag kon niemand een antwoord geven, maar 't sprak vanzelf, dat de predikant ook daar wel voor gezorgd had, dacht Murk.
„'t Is anders erg sober toegegaan", kwam vrouw Siderius weer. „Een stuk of vijf familieleden van elders, dat was alles, en dan vanzelf de gemeenteleden met den kerkeraad en de kerkvoogden en den meester met zijn personeel en een paar dominé's uit den omtrek, 'k Wed, dat er niet eens „leed" gegeven wordt".
Thans kwamen de kinderen binnenstormen, om schuilplaats bij de moeder te zoeken, grijpend in het weduwkleed en daar hun gelaat verbergend. En nu brak de stroom los.
Teeder legde vrouw Kalma haar armen om de beide kleinsten en drukte hen tegen zich aan.
„Stil maar", suste zij. „Kempe meende dat zoo niet en heeft het maar gezegd, om je weg te krijgen."
Maar Joukje verzekerde, dat hij heel boos keek en met zijn groote schop, waarmee hij altijd de graven maakte, op hen was afgekomen, alsof hij hen grijpen wilde.
De boerin vond het verkeerd de kinderen zoo bang te maken voor het kerkhof; zij zouden daardoor bij donker bevreesd zijn er voorbij te gaan. Zélf herinnerde zij zich uit de kinderjaren ook nog zoo'n geval, waarbij hen schrik werd aangejaagd en welke herinnering haar jarenlang bij bleef. Maar Keimpe was geen kinderen gewend en zulke mensehen wisten ook niet hoe met dezen te moeten omgaan. Kleine Jan moest maar eens bij haar komen, om te zien wat zij voor hem had.
Schuchter werd het oog op haar gericht. Wat had vrouw Siderius daar een mooie tasch ! En wat een groote knip daarop. Wat daarin mocht zijn. Langzaam kwam hij nader, den vinger in den mond. Daarop werd die tasch geopend en een beursje te voorschijn gehaald. Na eenig grabbelen vond zij wat gezocht werd.
„Hier, " fluisterde zij hem in 't oor, „haal maar een paar van die lekkere zuurballen voor je drieen en schrei niet meer."
Toen droogde Janneman ; zijn tranen en keek glunder naar zijn moeder. Zoo iets was hij heelemaal niet gewoon.
, Mag het, moeder ? " vroeg hij nog en sloop toen stilletjes weg. 't Leed was geleden.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's