FINANCIËN
Wanneer eens een overzicht ons werd gegeven van wat er in één week gebeurde over heel de wereld — en dan bedoelen we met dit zeggen nog niets anders dan de groote dingen — zoo zou het ons al in verlegenheid brengen en de uitroep zou zeker worden gehoord: „waar gaan wij heen ? Dat moet eindigen in een totale ineenstorting. Die wereld vernielt zich zelve".
Dit tegenspreken, zal door weinigen worden gedaan. Deze wereld is bezig zich zelve te vernietigen. Wanneer er geen hooger Machten waren, die zich in tegenovergestelde richting daartegen lieten gelden, was een ineenstorting spoedig daar. Goddelijke wijsheid en des Hoogsten sparende goedheid houden voortdurend deze zelfde zich ten ondergang spoedende wereld in balans.
De profeet heeft het zoo duidelijk weergegeven in dit woord „het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben". Hierin schuilt dat wondere geheim, waarom die wereld, die midden in het booze ligt, blijft bestaan.
Niettemin, deze waarheid is een huiveringwekkend iets, waaraan bij elke nieuwe verschijning van het kwade telkens opnieuw aandacht wordt verleend.
Zoo zagen wij dezer dagen een toonbeeld van die verwoesting in geestelijk, zoowel als op stoffelijk terrein, in de z.g. Sovjet-landen. Om alle gedachte aan een hoogere wereld volkomen uit te lichten, heeft men stelselmatig alle godsdienstvormen niet alleen met woord, maar nog meer metterdaad zoeken te breken. Geen sabbathsrust wordt meer gedoogd. Dit werkt toch immers den godsdienst in de hand. Schaft eenvoudig een vastgestelden rustdag af. Geeft de eene groep Maandag vrijaf, de andere de volgende dag, en werkt zoo het heele program af. Dan krijgt ge vanzelf, wat ge begeert.
't Is het oude regiem „verdeel en heersch". De eenheid brekende, gaat de veelheid teloor. Het verdwijnt gezamenlijk. Met de feestdagen, de christelijke feestdagen, rekent ge meer geforceerd af. Kerstfeest, Paschen, Hemelvaart, Pinksteren, werden eerst in een bespottelijk daglicht geplaatst, daarna eenvoudig verboden. Was de aanval, op deze wijze ingezet, al geweldig, hierbij Bleek pas de eerste stap te zijn gedaan op den weg der godloosheid. De geestelijkheid moest het ontgelden ; de kerken werden verwoest, ja, noem mij nog één terrein, waarop het monster van godloosheid den voet verre hield.
Dat te zien van vlakbij is, zooals vanzelf spreekt, voor een vreemdeling uitgesloten. Hiervoor zorgt de z. g. n. regeering van die landen. Wat zij evenwel niet kan beletten is, dat er foto's van die verwoestingen zijn gemaakt, die tezaam gebracht en geordend, u een indruk geven van een geheel, zoó verschrikkelijk, dat ge met recht er voor terughuivert. En geestelijk èn stoffelijk laat zich moeilijk een oordeel denken, zoó vreeswekkend als hier wordt vertoond.
Weet ge waaraan ik dacht ?
In welk een bevoorrechte positie verkeeren wij toch in ons goede vaderland. Wanneer wij oog krijgen voor de geweldige voorrechten die wij uit Godes hand ons zien gelaten en geschonken, ontbreken ons de woorden om hiermee uitdrukking te geven aan wat er in ons omgaat.
In den regel — het is ons menschen eigen — zien wij wel wat er mankeert, wat ons hindert, het andere gaat helaas ons telkens sprakeloos voorbij.
Dat ons leven hierdoor armer is, dan in werkelijkheid het geval mag zijn, behoeft niet eens apart te worden opgemerkt. Godes Naam wordt op deze wijze niet verheerlijkt. Wanneer wij zien en hooren hoe het in onze dagen in ons eigen werelddeel toegaat, rijst er maar één bede: Heere, dat Uw hoedende en bewarende hand zich van ons niet afwende, en dat Gij de vleugelen Uwer genade over ons dekkend uitbreid. Wat wij zijn en nog overhielden is enkel krachtens Zijn goedertierenheden. Deze hielden over ons nog niet op.
Hiervan hebben wij in het allerkleinste en geringste, wat wij ook voor onze fondsen mochten ontvangen, een afdoend bewijs. Het zijn goedertierenheden van Gods zijde. De mensch valt er buiten. Als het van laatstgenoemde komen moest, was het o, zoo spoedig gedaan. Dat is de heerlijkheid, welke ons tegentreedt in alles.
Met den Heere verder te gaan, is geen waagstuk, wel omgekeerd.
Zoo leggen wij het staatje van onze inkomsten over.
Deze bestaan ditmaal voor een overgroot deel uit contributies.
Wij zullen deze in éene rij plaatsen.
1. De eerste zending kwam uit de afd. Ouderkerk a.d. IJssel, n.l ƒ 41.75
2. De volgende kwam uit Hoornaar „21.—
3. De hierop volgende uit Sluipwijk „ 15.—
4. Vervolgens die uit Middelburg ...„27.—
5. De laatste voor deze keer uit Delft „50.50
Ieder van deze Afdeelingen zeg ik zeer vriendelijk dank. De Penningmeesters hebben, daar zij zorg dragen voor wat binnenkomt, de meeste zorg en moeite. Vandaar betuig ik aan hen mijn niet geringe erkentelijkheid.
6. Door den heer J, Bot te Feijenoord kreeg ik nog 2 gld., 1 gld. als nagekomen gift voor de Paaschcollecte en 1 gld. voor het Studiefonds „ 2.— Hij wil voor beide giften aan de gevers wel onzen dank betuigen.
7. Van N.N. te Ouderkerk a.d. IJssel kreeg ik eveneens 2 gld., en wel voor het lezen van De Waarheidsvriend 2.— Met deze gift ben ik zeer ingenomen en betuig hiervoor mijn oprechte dank.
8. Door ds. v. d. Wal te Dirksland kreeg ik als aldaar gecollecteerd in de collectezak 5 gld. voor de beide fondsen van den Geref. Bond Deze wijze van steun-bieden heeft nog iets vóór boven de directe zending aan mij, omdat hierdoor een wenk wordt gegeven aan de gemeente in haar geheel. Deze gift heeft ons tot bizonderen dank gestemd. 5.—
9. Onze vriend N.N. uit M. was zoo goed, gelijk hij vorige jaren gewoon was, mij persoonlijk een tientje ter hand te stellen , , 10.— 'k Was verblijd niet enkel met de gift, waarvan ƒ 2.50 bestemd was voor den Med. Dienst op Midden-Celebes, maar evenzeer met 't feit, dat hij door Godes gunst weer in staat was dit persoonlijk mij te kunnen overhandigen. Godes zegen ruste op gift en gever beide !
10. Thans ben ik gekomen tot mijn laatste post voor deze keer. Een onzer oud-alumni zond mij een bankje van 40 gld. Hij had een buitengewone post ontvangen. Deze werd uit dankbaarheid voor wat hij voorheen had genoten uit onze fondsen, aan mij toegekend, 'k Ben hiervoor hoogst erkentelijk. Mijn warmen dank in dezen. „ 40.—
't Is deze keer geen lange lijst, 'k Ben daarmee eerder klaar dan wanneer meerdere posten mij waren toegezonden. Vandaar de vriendelijke vraag, om voor de volgende week dit lijstje iets langer te maken.
Tezaam geteld, kom ik tot een eindsom van
f 204.25
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's