MEDITATIE
HOE IS UW NAAM ?
En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam ? En hij zeide: Jakob. Genesis 32 vers 27.
HOE IS UW NAAM ?
Wonderlijk is de vraag, die den aartsvader gedaan wordt: Hoe is uw naam ? Die vraag zou niet zoo wonderlijk zijn, wanneer zij hem door een gewoon menschenkind gesteld ware. Als wij iemand ontmoeten, die ons onbekend is, dan is 't zeer gewoon om te vragen, hoe hij heet, om te weten met wien men te doen heeft.
Maar de vraag van ons tekstwoord wordt niet gedaan door een mensch, maar door Hem, Wien al Zijne werken van eeuwigheid bekend zijn, Die zelfs van verre onze gedachten verstaat.
Naar Jakobs naam wordt echter niet gevraagd, omdat deze den vrager onbekend is, maar om den patriarch zelven een open oog te geven voor hetgeen hij persoonlijk is. Die naam toch was de uitdrukking zijns wezens, want hij werd hem gegeven onder de bijzondere bestiering des Heeren. Toen hij geboren werd, hield hij zijns broeders verzenen omvat om hem van zijn plaats weg te dringen, want Ezau zou de eerstgeborene zijn. Zeker, de Heere had wel gezegd, dat de meerdere den mindere zou dienen, maar Jakobs naam geeft toch te kennen zijn aard, die zich ook hierin openbaarde, dat hij, hetgeen hem door God was toegezegd, op bedriegelijke wijze in eigen kracht zocht te verwerven.
Jakob, dat is hiellichter, bedrieger. Terecht heeft hij dien naam gedragen.
Waarde Lezer! Wat stond hij eerst in eigen kracht, voordat de Heere hem tegenkwam, opdat hij als een gebrokene slechts pleiten zou op des Heeren genade!
Wij weten, hoe hij van Ezau's honger misbruik maakte om hem zijn eerstgeboorterecht op bedriegelijke wijze te ontfutselen. Hoe hij zijn ouden blinden vader bedroog om zelf den zegen te ontvangen.
De straf voor zijn misdrijf bleef niet uit, daar hij vluchten moest voor zijn broeder. Maar zelfs deze beproeving was niet in staat Jakob tot inkeer te brengen.
Bijzondere beloften werden zijn deel, toen hij op zijne vlucht naar Laban te Bethel zich te slapen had nedergelegd met een steen tot zijn hoofdpeluw. Daar zag hij de ladder, die hemel en aarde verbindt, en Jakobs geweten werd ontroerd, maar nog viel hij voor God niet met volkomen hart in de schuld. Wel lezen wij, dat hij vreesde en zeide : hoe vreeselijk is deze plaats, maar later, zoo dacht hij, zou hij den Heere wel met beslistheid gaan dienen. Want, zoo belooft hij, wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op den weg, dien ik reize en mij gegeven zal hebben brood om te eten en kleederen om aan te trekken, zoo zal de Heere mij tot een God zijn. Ja, als de Heere alles zoo met hem wèl gemaakt zou hebben, dan zou hij verder zijn leven gaan wijden aan God.
Zoo weet, waarde Lezer, ieder onzer, die tot zichzelf inkeert, te spreken van bijzondere roepstemmen, die in zijn leven tot hem kwamen, van woorden Gods, tot hem gesproken, maar waar weer overheen werd geleefd ; van schoone beloften, soms zelfs door hem gedaan en goede voornemens door hem opgevat, dewelke helaas weer in rook en damp zijn opgegaan.
O, ongelukkig, wanneer het daarbij blijft en het niet geleerd wordt geheel en al in de schuld te vallen voor God, om als een berouwvolle zondaar met het verleden te breken en slechts van des Heeren genade in Christus zijn zaligheid te verwachten. Van harte zal moeten worden beaamd het woord van den Psalmist:
Ik heb beloofd, wanneer Ge in mijn ellenden
Mij bijstand bood en 't onheil af zoudt wenden,
Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden Door ijver aangespoord.
Wij kennen de geschiedenis en weten, hoe de bedrieger door Laban bedrogen werd, maar hoe hij bleef voortgaan op een listigen weg. Hoe hij wel pleitte op des Heeren beloften, maar het nochtans met God en de wereld op een accoord trachtte te werpen, totdat de Heere hem tegenkwam om hem volkomen aan zichzelf te ontdekken.
Zeker, er was wel een werking Gods in zijne ziel, maar hij moest nog geheel aan zich zelf ontvallen.
Daar zien wij hem op Gods tijd terugkeeren naar Kanaan en daar ontroert hem het bericht, dat Ezau hem tegemoet trekken met vierhonderd man.
Zal zijn zonde hem nu vinden na zoovele jaren en hem gerechtigheid geschieden ? Ziet, deze gedachte ontroert hem en drijft hem er toe te trachten zijn broeder met een groot geschenk te verzoenen. Maar ook dat is niet bij machte zijn ziel tot kalmte te brengen. En na al zijn volk en vee over de beek Jabbok te hebben laten trekken, blijft Jakob alléén over om zijn ziel uit te storten in het gebed. En daar in de eenzaamheid komt de Heere hem tegen, want een Man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.
Zooals later blijkt, is die Man de Engel des Verbonds, de Zone Gods zelve, Die hem aanvalt, alsof hij Zijn vijand ware.
Thans wordt Jakob aangevochten door Jehova Zelf, Die hem zijn onwaardigheid en verdoemelijkheid gevoelen doet. Hij had van zichzelf geen recht op het land Kanaan en wordt teruggedrongen van de heilige erve.
God kwam hem daar in het afschijnsel Zijner heerlijkheid tegen als een vijand, naar het woord van den Psalmist : Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn, maar verkeerden toont Gij U een worstelaar. Waarde Lezer, zoo gaat het met den zondaar, die door Gods wederbarende genade waarlijk met den Heere te doen krijgt. Geen familieleden of vrienden kunnen hem dan helpen. Persoonlijk moet de strijd dan worden gestreden. David roept uit: Mijne liefhebbers en mijne vrienden staan van tegenover mijn plage en mijn nabestaanden staan van verre. Dan verfoeit men zichzelf in stof en asch en kan er alleen nog maar zijn een pleiten op des Heeren vrije ontferming. Dan worstelt men om genade te mogen ontvangen en barmhartigheid te mogen verkrijgen met de bede :
Gena, o God; gena, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch, naar Uw barmhartigheden.
Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden ; Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet.
Hoe is uw naam ? Wonderlijk was het Jakob te moede bij deze vraag, maar zal het ook u niet even wonderlijk te moede zijn, als de Heilige Zich u in den weg stelt en er een vragen komt naar uw innerlijk wezensbestand .door Gods ontdekkende genade ?
Ach, menigeen leeft maar voort, als ware hij een kind des verbonds, omdat hij in de zichtbare Kerk geboren is en door den Doop het merkteeken des Heeren aan zijn voorhoofd ontving. En hoevelen zijn er niet, die meenen, omdat zij vóór de Waarheid zijn, zonder haar echter bevindelijk te kennen en te beleven,
erfgenamen te zijn van Gods Koninkrijk! Zeker, soms wordt men dan wel eens ontroerd bij tegenspoed en beproeving, soms getuigt het geweten wel eens op bijzondere wijze, soms mag men ook wel eens genieten het goede Woord Gods, maar men leeft er weer overheen. God en de wereld tegelijkertijd dienend.
Dan vertoont men de gedaante van Jakob, toen hij zijn ouden vader bedroog. Dan paart men de handen van den onheiligen Ezau aan de stem van Gods kind, zoodat de handel en wandel tegen de belijdenis vloekt. Maar wanneer dan eens niet gelet wordt op de stem, die spreekt, maar op hetgeen zulk een is en doet, dan herinnert de reuk, die van hem uitgaat, aan het woeste en ongebreidelde leven, dat zich in de practijk des levens niet bekommert om de wetten des Heeren. Dan is het net andersom als bij Jakob en Ezau het geval was. Daar leek het Ezau, en ziet het was Jakob ; maar hier lijkt het dan Wel Jakob, maar ziet, het is Ezau.
Hoe is uw naam, waarde Lezer!
Ziet, deze vraag dringt door tot de ziel, als God u tegenkomt op uw eigenwilligen weg, die, naar gij meent, in het land der belofte uitkomen zal. En zult gij dan niet even verrast opzien als Jakob, ja, even verrast als iemand opkijkt, die op zijn eigen terrein denkt te loopen en wien zich opeens een gezaghebber in den weg stelt en op barschen toon naar zijn naam vraagt ? Dan hoort gij u toeroepen: hier behoort gij eigenlijk niet. Gij hebt geen menschelijke rechten op het land der belofte, evenmin als Jakob menschelijke rechten op het land Kanaan had, want hij was de eerstgeborene niet.
Het Koninkrijk Gods is voor u : Verboden Toegang, volgens alle artikelen der Goddelijke wet.
Hoe is uw naam ? En zult gij dan niet moeten uitroepen met beschaamd gelaat: mijn naam is Jakob ?
Groot en eeuwig Opperwezen! Zeer te vreezen, Straf mij in Uw gramschap niet.
Waarde Lezer. Welk een ootmoedige belijdenis ligt er in dit antwoord : Mijn naam is Jakob! Hier velt een ziel het doodvonnis over zichzelf. Alles, ons bidden, ons kerkgaan, onze arbeid in Gods Koninkrijk ontvalt ons, als wij door God in het gericht worden betrokken. Dan beseft men, dat geen zondaar, in zichzelf blijvende, 't Koninkrijk Gods beërven zal. Waar blijven dan de rechten op het Vaderhuis, waar alles is verzondigd en verbeurd? Dan is het slechts vrije genade, die ons daar doet binnengaan.
Maar zal uw eigen kracht dan niet worden gebroken ? Paulus roept uit: Hij heeft tot mij gezegd: Mijne genade is u genoeg, want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.
Jakobs heup werd ontwricht, zoodat hij niet meer kon staan, maar hij klemde zich vast aan den Engel des Verbonds, hij weende en hij smeekte hem.
Zoo pleit een schuldig zondaar op Christus' genade, om door Hem gezegend te worden. En de Heere stort dan Zijn eigen kracht in hem over, zoodat hij volhardt in zijn bidden en smeeken.
Ziet, des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
De Heere zal Zich laten verbidden, als gij berouwvol u wendt tot den troon der genade. Welk een zaligheid, als de Zonne des heils dan opgaat. Als de worstelende ziel wordt verzekerd : gij hebt u vorstelijk gedragen met God en hebt overmocht! Uw naam zal voortaan Israël zijn : bestrijder, overwinnaar Gods.
Een nieuwe naam wordt u geschonken, als gij geloovig de toevlucht neemt tot Hem, Wiens bloed reinigt van alle zonden. In Hem ontvangt gij dan een goddelijk recht op het hemelsch Kanaan!
En ziet, zegt de apostel, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. De witte keursteen der vrijspraak wordt dan gereikt, waarop een nieuwe naam is geschreven, dien niemand kent, dan die hem ontvangt.
In Christus Jezus, Gode zij dank, is er vergeving der ongerechtigheid en een door
God geschonken recht op de hemelsche erve, zoodat mag worden gezongen:
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.
Uw vrije gunst allèèn wordt d' eere toegebracht.
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Kr. a/d Lek
G. Enkelaar
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's