FINANCIËN
Hoeveel schoone benamingen niet 't Woord Gods zijn toegevoegd, is niet zoo heel gemakkelijk weer te geven. Eén van deze trof mij dezer dagen bizonder. Welke ik bedoel, zal ik u zeggen.
't Is een troostboek bij uitnemendheid. Wanneer iemand dan ook recht om vertroosting verlegen is, dat hij het Woord des Heeren raadplege.
Wij zullen u slechts een enkele noemen van die in het oog springende troostwoorden.
Wie denkt hierbij niet aan wat de Profeet Jesaja voor woorden van troost tot zijn volk richtte, dat nederzat in zijn gebrokenheid : „Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden".
God dit het oude volk, dat leefde onder een geweldigen druk, van dat wat leefde onder het nieuwe verbond, mag hetzelfde worden getuigd.
Wij doen uit de veelheid maar een enkele greep. Sprak niet de Heere tot Zijn jongeren: Vreest niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven.
Dat eerste woord, waarmede dit zeggen van den Heere aanvangt, spreekt voor zichzelf. Daar is oorzaak te over, wat hun hart droevig stemde en hen met bangheid de toekomst deed tegemoet zien. Wat zal er van ons kleine hoopske worden ? De vijand, die zooveel duizenden telt ais wij eenheden, is zooveel machtiger. Om van de machtigen, die onder hen zijn, nog niet eens aparte melding te maken. Daarbij komt, de ijver, ons te verstoren en te vernietigen, is bij hen zoo groot, dat zij ons ieder moment onder den voet kunnen loopen. Daar is geen mogelijkheid om te bestaan.
En nu komt de Heere met dit troostwoord: „Vreest niet, gij klein kuddeke, want " Let op dit redegevend woord : want het is uws Vaders welbehagen — het is Zijn lust. Zijn begeerte niet alleen, maar ook Zijn vastgelegd plan ulieden het Koninkrijk te geven".
Kan het ooit vaster grondslag hebben, het Koninkrijk, waarvan zij de onderdanen zijn? Is hier wel mogelijkheid voor mislukken ? Immers neen.
Weest niet versaagd, want Ik ben met u. Ja, het laatste woord, waarmede de Heere van Zijn jongeren afscheid nam voor Hij henenging om Zijn troon in den hemel te beklimmen, had dezelfde klanktoon.
„Ik ben met ulieden, alle de dagen, tot de voleindiging der wereld". Onder deze schuts is Zijn Kerk veilig en geborgen. Met dit woord willen wij ons overzicht aanvangen.
1. De eerste post, mij toegezonden, was een gulden. De Penningmeester van de afd. Delft zond mij, wat hij bij de eerste zending van de contributiegelden reeds had aangekondigd, deze nagekomen contributie-gulden ƒ 1.-
'k Zeg hem zeer vriendelijk dank.
2. Door ds. Bartlema te Zeist ontving ik eveneens één gulden. Deze was gecollecteerd bij een huwelijksbevestiging „ 1.— Wij zeggen beiden, gevers en zender, zeer hartelijk dank
3. Door ds. de Geus te De Bilt ontving ik voor den Med. Dienst op Midden-Celebes 25 gld. Deze gift was hem door meerdere gevers en geefsters ter hand gesteld. Hij gaf deze aan mij door. Nu kan ik wel zeggen, dat ik met deze gift evenzeer verblijd ben, als gold het de eigen fondsen van den Bond. 'k Zal ze gaarne voor het bestemde doel afgeven „25.—
'k Ben allen, die hieraan hebben meegewerkt, hoogst erkentelijk.
4. Voor enkele weken had ik het genoegen in de gemeente van Oud-Alblas een Zondag het Woord te mogen bedienen, 'k Was in deze omgeving nog nooit geweest, zoodat voor mij alles nieuw was. Omdat bij mij de verschillende adressen van de leden van den Bond, evenals die van de lezers van De Waarheidsvriend zich bevinden, sta ik wel niet geheel als een vreemde voor zulk een omgeving, doch persoonlijk ontmoette ik tot nu van die vrienden niemand. Van Zaterdag tot Maandag ben ik hier geweest en ik mag zeggen : met veel genoegen. Een dorp met ééne kerk, waar vindt ge dat in onzen tijd ? En wat een gehoor.
Hier wordt nog eerbied gevonden voor het Woord des Heeren. Natuurlijk zegt zulk een indruk voor één keer niet alles. In Oud-Alblas wonen ook menschen van gelijke beweging als overal, doch het verschil van plaats tot plaats is vaak niet klein. Hier merkt men uit tal van dingen, dat het Woord des Heeren in den loop der jaren hier met getrouwheid is bediend. De Heere bevestigt Zijn Woord, dat het niet ledig tot Hem zal wederkeeren, maar dat het voorspoedig zal zijn in hetgeen waartoe Hij het zendt.
'k Heb hier bij beide keeren, dat ik mocht voorgaan, 'n collecte gehouden, 's morgens voor de fondsen van den Geref. Bond en 's avonds voor die van den Geref. Zendingsbond. Broederlijk naast elkander, zooals het behoort. Deze collecte bracht op ruim 75 gulden, n.l. ƒ 75.81 75.81
'k Zeg den Kerkeraad zeer vriendelijk dank, en betuig ook de Gemeente mijn niet geringe erkentelijkheid. Godes zegen ruste op alles.
5. De post, welke thans volgt, komt weer uit een heel andere omgeving. De gelden, welke mij persoonlijk werden afgedragen waren verzameld door bevriende handen. Te Aalsmeer hebben wij n.l. een kring van warm-meelevende vrienden. Mej. A. Piet is zoo goed het busje gedurig weer te laten rondgaan. De inhoud daarvan draagt zij geregeld aan mij af. Thans had ik het voorrecht haar persoonlijk te mogen ontmoeten. 'k Had op deze wijze niet alleen het voorrecht iets te ontvangen, doch ook iets naders omtrent heel dien arbeid te hooren. Uit alles bleek ons, dat aan zulk een inzameling nog al wat moeite is verbonden. De tegenkanting is in vele gemeenten niet klein. Wat dit voor uitwerking kan hebben is tweeërlei, men kan onder een druk komen, die alles neerdrukt, doch ook omgekeerd, dat de veerkracht hierdoor wordt vergroot, en de moed er door wordt verlevendigd, n.l. als men ziet, dat Godes Naam er in wordt verheerlijkt. Thans bleek uit haar busje, dat de steun haar geboden niet klein mag worden genoemd. De inhoud bedroeg ƒ 38.50 „ 38.50
Wij zijn hiermee ten zeerste verblijd. De vrienden alhier onzen hartelijken dank.
6. Thans laat ik nog enkele posten volgen van ingekomen contributiegelden.
Vooreerst een post ingekomen contributie van de afd. Rotterdam (Centrum) „ 1.13
7. Wat er onmiddellijk op volgde, kwam eveneens uit Rotterdam (Zuid). Dit bedroeg , 30.75
Uit het schrijven dat volgde bleek mij, dat van een der leden èn op een
vorige standplaats èn waar hij thans woonachtig is, de contributie was geind. 'k Heb aan den betrokken persoon natuurlijk dadelijk het te veel betaalde geretourneerd. Deze zaak is dus weer in orde. Veel dank voor uw moeite.
8. Vanuit Gorinchem werd mij de contributie toegezonden door den penningmeester. Dit bedroeg „27.38 Ook mijn welgemeenden dank voor alles.
9. Van de afdeeling Hazerswoude kreeg ik ook de contributie. Ook deze zaak is weer in orde bevonden, zooals wij van onze vrienden aldaar gewoon zijn. Van mijn erkentelijkheid kunt ge u overtuigd zouden „41.50
10. Onze vriend J. Bot te Feijenoord laat geen gelegenheid voorbijgaan om zoo mogelijk onze kas te steunen. Hij heeft zich de moeite willen getroosten om, waar hij wist, dat naar No.'s van de Waarheidsvriend gevraagd werd, deze op te zoeken en te zenden. De vergoeding hem hiervoor geworden, kwam onze kas ten goede, zijnde ƒ 3.50 „ 3.50 Dat wij hiermee dubbel verblijd zijn behoef ik nauwelijks te zeggen. Zeer vriendelijk dank.
11. De contributie, mij geworden vanuit Numansdorp, bedroeg „13.95 Van het begeleidend schrijven heb ik goede nota genomen, 'k Ben den penningmeester dankbaar voor zijn genomen moeite en vind het natuurlijk heel goed, dat hij wat ik naliet, zelf vlak heeft gestreken.
12. Vanuit eigen omgeving kreeg ik een pakje, dat met een begeleidend briefje aan mijn huis werd afgegeven. Het bleek te bevatten 80 opgespaarde stuivertjes. Dit was een blijk van waardeering voor het lezen van de Waarheidsvriend. Voor ons heeft èn het pakje èn het schrijven dubbele waarde. Wij zijn er mee verblijd „4.—
13. Mocht ik in Oud-Alblas een heele Zondag in de prediking voorgaan, in de gemeente van Linschoten, meer nabij onze woonplaats gelegen, heb ik een Zondagmorgen den dienst mogen leiden. Ook hier werd ons de gelegenheid geboden een collecte voor onze fondsen te houden. Deze bedroeg „ 33.26 Wij zeggen Hen Kerkeraad aldaar allerhartelijkst dank en houden ons verder aanbevolen.
14. Hiermee had ik het laatste geboekt, naar ik meende, en toch sloot ik het geheel niet af. 'k Zou zoo graag het derde honderd-tal zien volgemaakt. 'k Legde even mijn pen neer. 't Was alsof ik een stem van heel dicht bij beluisterde, die tot me zeide : „ge moet even wachten. Ook déze begeerte zal worden vervuld."
En zie de eerste die vanmiddag op mijn spreekuur kwam, legde het ontbrekende, zonder dat ik iets had gezegd, voor me. Zij — de naam en iedere nadere aanwijs laat ik stilzwijgend passeeren, want ik zag er duidelijk Gods hand in — gaf mij 10
gulden — 7 gulden voor onze fondsen en 3 gulden voor den Med. Dienst , 10.—
15. En om het nu heelemaal vol te maken, zoodat mijn beker overvloeide, kwam nog een stille hand, die een couvert mij overreikte met de woorden : dit is voor den Med. Dienst van uw zoon. Ik hoor, dat zij in het ziekenhuis aldaar graag een betere verlichting hebben. Was het tot nu een behelpen, het schoonste licht is voor het Zendingswerk niet te goed. Toen ik het couvert open deed vond ik daar voor mij 100 gulden „100.—
Het derde honderdtal werd niet alleen vol, het waren er vier geworden. Gode alleen de eer.
Weet ge, waaraan ik denk : Vreest niet, gij klein kuddeke, het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven.
Opgeteld kom ik tot een van eindsom
f 406.78.
Utrecht.
Rondblik buiten de Grenzen
„En als ik dan niet verder kan, begin ik maar weer van voren af an", zoo luidt een oud kinderliedje-zonder-end. Het zou warempel het bondslied kunnen zijn van de non-interventiecommissie !
Al vrij spoedig na den aanvang van den Spaanschen burgeroorlog, kwam, op initiatief van Frankrijk, de commissie met haar langen naam tot stand. Men zag aanstonds klaar en duidelijk in, dat ook het buitenland groote beteekenis hechtte aan de wijze waarop het in Spanje uitgebroken conflict tot oplossing zou worden gebracht. En even stellig viel toen reeds te verwachten, dat het geïnteresseerde buitenland zou trachten een oplossing in bepaalde richting te beïnvloeden. Trouwens : Moskou had in de voorbereiding van den Spaanschen burgerkrijg reeds duchtig de hand gehad, en daarmede den grondslag gelegd voor het internationale karakter van het Spaansche probleem. Er zijn nu eenmaal landen die ongaarne zien, dat de invloed van de Sovjet-Unie zich uitbreidt, en daarom met de ontwikkeling der Spaansche gebeurtenissen maar niet zonder meer genoegen wilden nemen. Waarom zouden zij ook ? Maar het was te voorzien, dat, zoo gesteld, de binnenlandsche relletjes in Spanje, tot buitenlandsche ruzie aanleiding zou geven.
Het denkbeeld : „laten we ons, als buitenlandsche mogendheden, daar heelemaal buiten houden", was op zichzelf dan ook goed en braaf. Maar de verwerkelijking juist van zulke denkbeelden is in deze wereld niet zoo gemakkelijk.
Feitelijk deed ieder wat hij, uit eigenbelang, meende te moeten doen inzake Spanje. Maar de besprekingen over de non-interventie gingen door. Om aan een lastige beslissing te ontkomen, verdedigde Italië het standpunt dat eerst aan de beide partijen het recht van oorlogvoerenden moest worden toegekend, vóór de vrijwilligerskwestie tot oplossing kon worden gebracht. Daar liepen de onderhandelingen toen voorloopig op vast.
Engeland en Frankrijk hebben toen getracht om tezamen met Italië tot een afdoende regeling te komen. Londen waarschuwde zelfs ernstig, dat er nu eens spijkers met koppen geslagen moesten worden. Anders Mussolini liet zich echter niet bang maken. Hij wilde alleen over de vrijwilligers handelen in de non-interventie-commissie. Die had hem immers nog nooit kwaad gedaan ? En weer gaf de Britsche geweldige toe.
Zoo kwam de non-interventie-commissie Zaterdag maar weer eens bijeen om 't liedje-zonder-end opnieuw van voren-af-an te zingen. Italië wil de strijdende partijen eerst met de toekenning van oorlogsrechten gelukkig maken, voor hen de buitenlandsche vrijwilligers af te nemen. Maar Engeland kan deze volgorde niet aanvaarden, en wil beide punten tegelijkertijd behandelen.
Toch was men het er, theoretisch, over eens, dat de Vrijwilligers vertrekken moesten.
Maar Duitschland en Italië zeiden, dat dit terugtrekken dan met gelijke getallen moest gebeuren. Dat zou dus beteekenen, dat de partij die thans het grootste aantal vrijwilligers in Spanje heeft er het beste af komt. Maar alsof dit verschil van meening nog niet groot genoeg was, kwam de Russische afgevaardigde openlijk verklaren, dat hij van non-interventie niets hebben moest. Hij vond het maar het beste om Valencia zooveel mogelijk hulp te bieden.
En zoo is het non-interventie-lied, met zijn tallooze dissonanten, voorloopig uit.
We weten niet of we dat betreuren moeten. Het was tóch maar een slaapliedje. Helaas zal er wel geen prettig ontwaken op volgen.
Omdat Engeland deed of het sliep, heeft Italië zijn slag geslagen. En men kan waarlijk niet zeggen, dat Mussolini op wollen sokken voortschuivelde. In werkelijkheid heeft Engeland zijn tijd dan ook niet doelloos verslapen, al dommelde het naar veler oordeel wei wat erg lang door.
Maar nu zal het dan toch uit zijn ! „Bij voortdurende wetteloosheid zal zeker een Nemesis komen", verzekerde Eden in zijn jongste redevoering. Maar of Engeland voornemens is als godin der wrekende gerechtigheid op te treden staat daarmede nog niet vast, hoe duidelijk en voldaan Eden ook aan de snelle herbewapening van het Britsche rijk herinnerde. Zoo schijnt Engeland geenszins van plan om zich inzake de Japansche overval wederom als arbiter op te werpen. Met groote voldoening werd de redevoering van Roosevelt gehoord, en Londen heeft verklaard het door den president der Vereenigde Staten uitgebrachte protest gaarne te zullen ondersteunen. Als men in Washington dus 't een of ander tegen den 'brutalen Japanschen aanvaller zou overwegen kan het daarbij vermoedelijk wel op den steun van Londen rekenen. Maar het initiatief daartoe zal niet van Downingstreet uitgaan.
Men heeft daar dan ook reeds moeilijkheden genoeg. De onrust in Palestina neemt nog steeds hand over hand toe. Overal in het land vinden min of meer ernstige botsingen plaats. De Arabische bevolking schijnt nogal dik in de revolvers en dergelijk wapentuig te zitten. In Hebron moest de Britsche bevolking zelfs de plaats verlaten. Ook te Jeruzalem spant het fel. Daar komt nog bij, dat de afgezette groot-moefti naar Syrië gevlucht is, en van plan schijnt om voor zijn zaak de bemiddeling van Mussolini in te roepen. Dat kan een rare zaak worden. De Duce schijnt dus tijdens zijn Lybische reis niet voor niets lof te hebben gezwaaid aan den Islam!
Het heeft ook groot opzien gewekt, dat Italië ruim 50.000 man troepen naar Lyibië overgebracht heeft. Wat moeten die soldaten daar ? Egypte is er niets gerust op en TUNis evenmin. Italianen verklaren dat de troepen „om internationale reden daarheen gezonden zijn". Dat maakt de zaak al niet beter. Zou Mussolini het aandurven om zich ook hier met Engeland te brouilleeren ? Want wie aan Egypte raakt, raakt aan Engeland. Niet zonder reden beeft Engeland de herbewapening van Egypte krachtig bevorderd en financieel gesteund. Turkije schijnt ook op de hand van Engeland te zijn. Kemal Ataturk, de Turksche dictator, heeft Londen de baai van Tojesmee als basis voor de zeecontrole aangeboden.
En, gelijk we reeds eerder opmerkten, Engelsche schepen die voor het uitvoeren van controle-werkzaamheden in de Middellandsche zee komen, kunnen zoo noodig ook een andere bestemming krijgen......
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's