KERKELIJKE RONDSCHOUW
DOCTORAAL EXAMEN
Te roemen is ons waarlijk niet oorbaar. Maar het stemt toch tot dank aan God, dat de Gereformeerde Bond iets heeft mogen doen inzake de opleiding tot het predikambt in onze Hervormde Kerk. De lijst van jonge mannen, die nu predikant zijn, krijgt al een behoorlijke lengte.
Hierbij nu moeten we goed in 't oog vatten, dat de tijden waarin we leven moeilijk en zwaar zijn, niet 't minst voor de Kerk, bijzonder dus ook voor de Dienaren des Woords.
We moeten, meer dan ooit, in onze dagen spreken met den vijand in de poort der stad. Maar we moeten óok, meer dan ooit, in eigen kring, in eigen gemeente, toegerust zijn om leiding te geven en vooruit te helpen.
We behoeven volstrekt niet mee te gaan met elke modegril op wetenschappelijk gebied of op kerkelijk terrein. Maar het zou niet getuigen van nuchteren zin en kloek verstand, als we niet voelden, dat onze tijd bijzondere en zware eischen stelt voor de Kerk en voor haar Dienaren. En nu zijn aan de Kerk de Woorden Gods toebetrouwd en de Dienaren des Woords hebben dat Woord te verkondigen en te brengen overal, waar het maar eenigszins kan. Niet alleen op den kansel, in de prediking, maar ook op de catechisatie, in de gezinnen, op vergaderingen, in artikel en studie enz., waarvoor boek en tijdschrift gelegenheid geeft.
De opening dief Woorden kan alleen ook in het donker van ónzen tijd licht geven.
Daarom moét aan de studie der theologie en de opleiding van onze predikanten zware eischen gesteld worden. En als prof. Brouwer, toen hij nog Kerkelijk hoogleeraar te Utrecht was, zeide, dat het in onzen tijd wenschelijk is, dat predikanten het doctoraal examen afleggen, dan zijn we het daarmee hartelijk eens.
Natuurlijk zijn ook aan deze zaak minstens twee kanten. Maar daarover gaat het nu niet.
We hebben het er niet over, of het wettelijk moet worden vastgelegd, dat ieder die dominé wil worden, het doctoraal examen moet hebben gedaan. Doch wat wij bedoelen is dit : dat alles in onze dagen eischt, dat onze jonge dominé's, als het maar eenigszins kan, dóórstudeeren moeten en ook als ze candidaatsexamen gedaan hebben, het doctoraal examen moeten doen. En dan natuurlijk ook promoveeren om den doctors-titel te verkrijgen.
De studenten moeten daarvoor allereerst gaan voelen en zich daarvoor geven, met ernstige studie.
En als de Gereformeerde Bond voor jonge dominé's en voor studenten in deze iets doen kan, dan ligt het geheel in onze lijn om daadwerkelijk hulp te verleenen.
Het gaat bij ons om het ambtelijk belang, om de ambtelijke loopbaan, om de practijk van het kerkelijk leven — méér nog dan om het belang van de wetenschap.
En om de ambtelijke belangen te behartigen en de Kerk hierin te dienen, is de taak van den Gereformeerden Bond.
HET AMBT VAN DEN DIAKEN
Wij beloofden ook een kort verslag te geven van hetgeen ds. H. Schroten, van Suawoude, gesproken heeft over het diaken-ambt. We laten het hier volgen :
„Spreker neemt zijn uitgangspunt in Handelingen 6. Men heeft wel gezegd, dat het daar niet gaat om het diakenambt. Dit is in zooverre juist, dat dit ambt, zooals wij het kennen, daar niet op eenmaal kant en klaar te voorschijn komt. Toch vindt het hier zijn oorsprong. Als elk levensorganisme, moet het nog groeien. Doch voor den dienst der barmhartigheid door middel van dit ambt, worden hier de groote lijnen getrokken — de details worden later uitgewerkt.
Zoo streven wij naar een andere organisatie der Kerk. Zijn in een nieuwe Kerkorde maar eerst de groote lijnen getrokken, dan volgt de nadere uitwerking op Gods tijd, wanneer de herstelde Kerk in haar in eere herstelde ambten zich weer kan uitleven naar Gods Woord.
Daar is geen instelling Gods, die niet terstond wordt bezoedeld door onze zonde. Zoo ook de dienst der barmhartigheid, nog voor het ambt van diaken bestond. Zie Ananias en Saffira, zie het murmureeren der Grieksche Joden. Niemand zal durven beweren, dat de organisatie der eerste Christengemeente ongeestelijk was. Doch de meest geestelijke organisatie der Kerk vrijwaart haar niet voor de inwerking der zonde.
Het diaken-ambt is blijvend getuigenis van onze zonde, alleen reeds door de wijze waarop het ontstond (uit ontevredenheid) — doch evenzeer van Gods genade, die het niet opgeeft met den murmureerenden mensch : de dienst der barmhartigheid wordt niet stopgezet om het morren van velen, doch beter georganiseerd. Een spoorslag voor den diaken, die dikwijls weinig dankbaarheid oogst. Werkt onze armenzorg niet goed ? Dan beter organiseeren. En tijdig ingrijpen om verbeteringen aan te brengen. De afgunst tusschen groepen mag niet eerst wortel schieten. Vermeden moet worden ook zelfs de schijn, dat diaconie is een zaak van „groepsbelang".
Een groote moeilijkheid blijft : wie moeten wij helpen ? „Meest de huisgenooten des geloofs". Doch dit sluit niemand volstrekt uit : „laat ons goed doen aan allen". Daarom kan een diaken nooit zooveel doen dat hij tevreden zou zijn over zijn werk. Vooral niet, wanneer de gemeente groeit, wanneer „de discipelen vermenigvuldigen". Dan treedt aan den dag: het gevaar van de massa, dat velen meeloopen om den broode. ,, En dat de diaken, uit reactie, uit vrees voor de massa van de Kerk wordt gedreven naar de secte, waar het aantal zooveel kleiner is". Voor menschen die missen het diakenhart, was dikwijls de secte en kleine kring en pretentie van meerdere zuiverheid, een toevluchtsoord. De Christen met diakenhart, kan niet anders dan zich verblijden over den groei der Kerk. De beweegredenen, die de Apostelen dreef tot de instelling van het afzonderlijk diakenambt was deze : Het is voor een persoon totaal onmogelijk beide ambten in zich te vereenigen en beiden naar behooren te vervullen.
Daarom wordt de dienst der barmhartigheid gescheiden van den dienst des Woords, hoewel beiden in wezen bijeen hooren. Want de dienst des Woords eisdht de volle persoon voor zich op. Daarom is het ambt van den diaken een blijvend en levend protest tegen alle „bij-baantjes" van een predikant, die niet onmiddellijk verband houden met den dienst des Woords. Het is een heilige zaak, zorg te dragen voor de armen. Als zelfs deze heilige zaak moet wijken voor den dienst des Woords, hoeveel te meer dan andere bezigheden, den dienst des Woords meer vreemd dan de dienst der barmhartigheid.
De eenheid der ambten blijke in vruchtbaar samenwerken, ieder op eigen terrein. Het ambt van den diaken is evenzeer waardig het volle vertrouwen dat de andere ambten voor zich begeeren. Want de diaken mag in zijn ambt uitdragen de daad der barmhartigheid, welke in den dienst des Woords gepredikt wordt".
KERKELIJKE EENHEID
Ds. Gispen, de oude Gispen, zei eens tot de Christel. Gereformeerden en Gereformeerden in de Ned. Hervormde Kerk, te midden van den kerkelijken strijd zijner dagen (1885) :
„Beminden in den Heere, laat u raden en smeekt den Heere om een open oog en helderheid in Zijnen weg en in de ordeningen Zijns Koninkrijks. Langs dien weg komen wij, die van weerszijden beweren, dat wij bij elkander hooren, ook weer bij elkander — al staan wij dan gelijk daar in Schotland de Vrije Presbyteriaansche en de Free Church, slechts naast elkander, maar wij doen dat dan als Kerken van Christus om onzen eenigen Wetgever, Rechter en Koning".
Naar aanleiding van dit woord van den voor ons zoo sympathieken Gispen Sr., dien we o.a. in de Keizersgrachtkerk te Amsterdam wel hebben hooren preeken zóó, dat wij het nu nog zoo levendig ons kunnen voorstellen — schreef dr. A. Kuyper in „De Heraut" (19 April 1885, no. 382) het volgende :
„Wij vragen ons af: is dit een zuiver Kerkbegrip ? Is het goed, als er, gelijk in Schotland, twee, drie Kerken zijn, die apart bestaan als Kerkgenootschappen, door heel het land en die slechts geestelijke eenheid in Christus hebben ?
Ons dunkt : neen. Dit kan en mag niet. Er is één geestelijke Kerk, die aan alle plaatsen der aarde is, en die slechts plaatselijk onderscheiden, zich naar de éénheid der belijdenis openbaart".
Wij weten niet of ds. Gispen Sr. — die soms zoo „ondeugend" kon zijn — op deze aanmerking van dr. Kuyper geantwoord heeft in „De Bazuin" of in zijn „Brieven aan een vriend in Jeruzalem", maar wij denken, dat hij dan wel zoo ongeveer zal hebben gezegd: maak u niet al te ongerust over mijn Kerkbegrip, broeder Kuyper, want ik ben natuurlijk óók van gevoelen, dat de belijders van den Christus, naar Zijn Woord, één Kerkgemeenschap moeten vormen, als leden van hetzelfde lichaam onder één Hoofd, met één doop en één geloof — maar laten we de broeders en zusters, die bij den gang der historie van de laatste 70 jaar, van één belijdenis zijn, maar (nog) kerkelijk gescheiden leven, zooveel mogelijk laten voelen, dat wij broeders en zusters zijn : zij van ons en wij van hen !
Laat ons hier tegelijk vermelden wat dr. Kuyper 17 Dec. '82 reeds had geschreven in „De Heraut", no. 260 (we ontleenen het aan „De Reformatie") :
„Alle degenen, die één in Belijdenis zijn, moeten eindigen met in één kerkelijk verband saam te komen. Plaatselijk kan het gebeuren, dat ze gescheiden zijn: de ééne belijder woont te A., de andere belijder woont te B., maar wonen ze in één zelfde plaats, dan kunnen ze op den duur niet tot twee onderscheidene Kerken behooren.
Wel is het denkbaar, dat ze, gelijk in Schotland, beide in één zelfde stad wonen, maar ingedeeld zijn bij afzonderlijke parochiën. Maar dat raakt de kwestie miet en wie durft zeggen, dat de parochieindeeling niet voordeden heeft opgeleverd, die ónze Geref. Kerken missen". (Dr. Kuyper was toen nog Hervormd).
Het hart der kwestie is : wat wij belijden. En nu zeggen we, dat, indien er twee zijn, die in deze belijdenis overeenstemmen, ze ook op den duur niet in twee kerken kunnen zitten, maar eindigen moeten met in één Kerk saam te komen.
De kracht van Gods heilige Waarheid is niet aan banden te leggen. En wat bezwaren de utiliteitspolitiek oog moge koesteren, en wat bedenkingen de gemakzucht ook moge opwerpen, en welke hindernissen de wet der inertie ook in den weg moge leggen, ja, hoeveel struikelblokken we ook zelf 'door onze zonden aan den loop van het Woord mogen tegenstellen, de uitkomst zal toonen, dat de levende kracht van Gods heilige Waarheid èn die bezwaren èn die bedenkingen èn die hindernissen èn die struikelblokken ten leste op zij dringt, en toch glorieuselijk doorbreekt om die oprecht geloovigen te vereenigen.
Wie hier geen Amen op zegt, die zegt te belijden, wat hij niet kent, en heeft voor wat hij dan kende nog nooit de geestdrift van het belijden in zijn hart voelen ontvonken".
Een enkel woord moge hier wat „sterk" en „glorieus" zijn (hoewel voor 100% waarheid), ieder die het wèl meent met de Kerk des Heeren in dezen lande, zal er met verlangen naar uitzien, dat degenen, die één zijn in geloof en belijdenis, om de ronde tafel komen zitten ter ernstige beraadslaging van wat ons hier in Nederland te doen staat. De broeders en de zusters van de Gereformeerde Kerken, van de Christelijke Gereformeerde Kerk en van de Hervormde Kerk, hebben hier allereerst een taak.
Maar o ! die „utifiteitspolitiek", waarbij ieder piekert : wat kan voor ons het voordeeligst zijn ? Dan die „gemakzucht" en die „wet der traagheid". Dan die struikelblokken en moeilijkheden door onze zonden. Dan die nare „eigenaardigheden", die wij er soms op na houden. Ach — 't is wel een lange weg, die naar het gewenschte doel leidt, maar de eisch des Heeren ligt er en het Woord onzes Gods spreekt in deze niet onduidelijk ! Ook spreekt de Heere in de geschiedenis, door de tijdsomstandigheden.
Als Hervormden kunnen we voor 't oogenblik niet beter doen, dan óp te komen voor het belijdend karakter van de aloude Gereformeerde Kerk in Nederland. Daar ligt een groot stuk geschiedenis. Daar zoekt de Heere de eere Zijns Naams.
En dan — ja, dan, wanneer de Hervormde Kerk meer en meer als belijdende Kerk mag komen slaan in 't midden des volks, is onze roeping nog ernstiger, onze positie beter, onze kracht grooter, om dan in de mogendheid des Heerenl Heeren voort te varen tot bereiking van het doel, dat ons allen voor oogen moet staan.
Ons land en ons volk roept om een Kerk, die den Naam des Heeren belijdt en Zijn waarheid verkondigt.
En de Kerk zelve zal er wèl bij varen.
VADERLANDSCHE KERKGESCHIEDENIS
Wij voelen ons schuldenaar. Want we hadden reeds lang hierover moeten schrijven. Althans er iets van moeten zeggen. We hadden het zelfs beloofd aan ds. Van der Zee. En ziet — 't bleef tot nu toe uit. Dat is jammer.
Ds. G. van der Zee, nu predikant te Ridderkerk, heeft in de pastorie te Vaassen het kloeke plan opgevat ons een Handboek voor Vaderlandsche Kerkgeschiedenis te bezorgen.
Zoodra wij, eenige jaren terug, van dat plan hoorden, hebben we onze groote voldoening daarover uitgesproken en onze hartelijke belangstelling getoond. En toen ma het kloeke besluit de vervaardiger ons al spoedig verraste met de verschijning van het eerste Deel, werd de belofte gedaan, dat er nu nog een tweede Deel zou verschijnen, om het werk te voltooien. Dat is niet precies zoo gegaan als aanvankelijk het plan was, en we zijn daar blij om. Want het zou jammer geweest zijn als alles wat nog restte na de samenstelling van het eerste Deel, in één boek zou zijn saamgebracht. Daarom vermelden we gaarne, dat nu het tweede Deel wel verschenen is, maar dat er ook nog een derde Deel komt.
Een eeresaluut aan den schrijver, te meer, waar hij een van „onze" dominé's is, en helaas ! een van de weinigen die — tot nu toe — ons verrassen met studiewerken, van welken aard ook. Maar we hebben dan tenminste dit, en we zijn er dankbaar voor.
Vaderlandsche Kerkgeschiedenis. Maar dan is het niet 't zelfde voor ons, wie die Vaderlandsche Kerkgeschiedenis beschrijft. We hebben deze dingen zoo gaarne van menschen, die de Gereformeerde theologie liefhebben en die de gangen Gods in de geschiedenis van de Kerk van Nederland, de geschiedenis van de Reformatie, als Gereformeerd theoloog weten te doorzien. Niet — dat we gelooven, dat dit werk dan nu volmaakt is ; want wie zelf wel eens iets aan Kerkgeschiedenis, aan Vaderlandsche Kerkgeschiedenis gedaan heeft, weet wel hoeveel hier opgestapeld ligt, dat verband houdt met allerlei gebeuren, met allerlei kwesties, met allerlei stroomingen, met allerlei mengsel ook. En ja, feiten zijn feiten, jaartallen zijn jaartallen, maar — of de een de feiten ziet en beschrijft, of de ander noemt de gebeurtenissen met de jaartallen — het maakt zoo groot verschil. We hebben op een openbare school wel eens een onderwijzer de geschiedenis van Luther hooren vertellen en ook wel eens van Kanaan en het Joodsche volk — maar Luther of Luther, Kanaan of Kanaan maakt een groot verschil !
Dit tweede Deel van de Vaderlandsche Kerkgeschiedenis — met een Gereformeerde visie beschreven — laat een liberalistisch, modern schrijver nu niet komen met het „onbevooroordeeld" moeten zijn van een geschiedbeschrijver, want we lazen pas nog een artikel in de N. Rott. Crt. over Bogerman en dachten toen aan dat „onbevooroordeeld" beschrijven van personen en gebeurtenissen!) — handelt over De Hervorming. En die even de Inhoud inziet (blz. 222—224) ziet, hoeveel er in verwerkt is, dat voor ons (en ook voor anderen, die niet bij „ons" hooren !) allerbelangrijkst is. We noemen maar : Staatkundige achtergrond — Buïtenlandsche invloeden — het ontstaan van de Hervorming — de strijd en de onderdrukking der Hervorming — Anabaptisten en Doopsgezinden — Richtingen en stroomingen — vluchtelingengemeenten — voornaamste leidslieden (Marnix, Datheen, enz. enz.) — Roomsch of Gereformeerd — de eerste Kerkelijke Vergaderingen (Convent van Wezel, Synode van Emden enz. enz.) — de voortgang der Hervorming — strijd en zegepraal : de strijd over de belijdenis en de Nationale Synode van Dordt 1618—'19.
Met groote dankbaarheid maken we in deze Rubriek: Kerkelijke Rondschouw, van de verschijning van dit boek melding. Het verdient dat we op onze kerkelijke erve opmerken, dat dit boek verschenen is. En we hopen dat het boek — het eerste Deel, maar niet minder het tweede Deel — ijverig zal worden gebruikt voor studie en bespreking.
Koopt en leest !
En God zegene ook dezen arbeid, opdat in het midden van onze Hervormde (Gereform.) Kerk de Waarheid meer en beter gekend mag worden, tot heil en zegen voor ons kerkelijk leven.
In het verleden ligt het heden, in het nu, wat worden zal.
„Er staat geschreven" en „er is geschied" zijn de twee grondzuilen voor ons leven. Laat men daarom de Schriften onderzoeken. Laat men vooral ook de Geschiedenis bestudeeren. De Geschiedenis niet 't minst van onze Vaderlandsche Kerk.
Geve de Heere ds. Van der Zee lust, kracht en wijsheid, om dit voorname studieboek straks te completeeren met het derde of laatste Deel,
WIE VOLGT NU?
Nu we toch aan 't schrijven zijn, willen we onze wenschen nog eens kenbaar maken inzake studie-materiaal. Wanneer krijgen we uit onzen kring nu eens wat over het Oude Testament, of over het Nieuwe Testament ? Wanneer komt er eens een Handboek voor Dogmatiek of voor Ethiek ? Wanneer krijgen we een studie over onze Liturgische formulieren (heel dankbaar is men binnen en buiten „onzen" kring voor hetgeen ds. Woelderink reeds gaf) ? Wanneer over Gereform. Kerkrecht ?
Wie antwoordt eens door een daad ? De velden zijn wit om te oogsten, maar de arbeiders zijn weinigen.
Toch verliezen we de moed niet.
NAAR INDIË
Zoo juist lezen we, dat er in den kring van de Doetinchemsche Inrichtingen (stichting van ds. J. van Dijk) ernstige plannen besproken worden om bij de opleiding van predikanten (ook van dokters ? ) meer de aandacht te bepalen op Indië.
Wij geven dit maar even door ; omdat wij zelf ook al jaren bezig zijn in de richting van Indië te wijzen. Misschien, omdat we zelf kinderen in Indië hebben, die gelukkig hartelijk meeleven met de Kerk ? 't Kan zijn. In elk geval verdient het onze volle aandacht. En wij hebben nog altijd de gedachte, dat onze Zendingsarbeid op Celebes in zoó'n stadium is gekomen, dat een of meer predikanten — die daar zoo goed mogelijk voor worden toegerust, ook door buitenlandsche studie — daar broodnoodig zijn en uitnemend op hun plaats zouden zijn.
Ligt hier misschien een gemeenschappelijk werk voor den Gereformeerden Zendingsbond en den Gereformeerden Bond, de twee bonden, die zoozeer met elkaar sympathiseeren?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's