KERKELIJKE RONDSCHOUW
SCHANDELIJK
Er is in ons goede, rustige Vaderland, waar men zoo véél nog kan bereiken, als men eenigszins elkander kan verstaan en samenwerking zoekt, op politiek terrein heel wat te doen tegenwoordig. En soms kan dat bedenkelijk over de schreef gaan. Men liegt en lastert er maar op los, en men leeft er van als men anderer goeden naam door de modder kan sleepen. Waarbij het doel is een geest van ontevredenheid, van scherpe critiek, van opstandigheid te brengen onder de menschen. Zelf heeft men nog nooit iets gepresteerd op dit terrein, maar wat anderen doen is nooit goed ; en men ontziet zich niet om het werk van degenen, die daartoe geroepen zijn, voortdurend te bemoeilijken, waartoe men alles wat los en vast is bij elkaar sleept.
Zoo is er ook in ons goede Vaderland een politieke beweging die zich Christelijk noemt, en wel Christelijk-democratisch. Het is de Christen-Democratische Unie (C. D. U.), dus de Unie of Vereeniging of Verbond van Christen-democraten.
De Gereformeerde Kerken en ook de Chr. Gereformeerde Kerk hebben op de Synoden, onlangs gehouden, zéér ernstig tegen deze „Christelijke" politieke beweging gewaarschuwd. En we kunnen het begrijpen. Het gaat verkeerd met onze Christelijke actie, met onze Christelijke politiek, als het dien kant uit moest gaan. En dat moet ons volk leeren inzien.
Ieder weet, dat de Regeering door de zeer moeilijke internationale omstandigheden, gedwongen is geworden tot het nemen van bijzondere maatregelen inzake de defensie of de verdediging van ons land, waarbij de uitgaven voor leger en vloot, met het oog op Nederland en Oost-en West-Indië, moeten worden verhoogd. AI de Christelijke politieke partijen voelen de noodzakelijkheid, al vindt ieder het te betreuren, dat het moet geschieden. Ook de liberalen, ook zelfs de Vrijzinnig Democraten en de S.D.A.P. voelen de noodzakelijkheid.
Maar menschen van „Kerk en Vrede" en van de C.D.U. slaan nu een toon aan en laten stemmen hooren, die de perken te buiten gaan, doordat ze zoo verdraaid-valsch en intens-leugenaohtig zijn.
Als één bewijs van de infame manier, waarop men te werk gaat, laten we hier een gedichtje volgen, dat voorkomt in de „Christen-Democraat", orgaan van de C.D.U. Het gedicht dient zich aan als een „Adres van antwoord op de Troonrede 1937" en stelt zich dus vlak voor het aangezicht van H.M. de Koningin, die de Troonrede in Haar naam voorgelezen heeft, én tegenover de Ministers, die door H.M. de Koningin geroepen zijn als dienaren van de Kroon, om Haar te helpen en bij te staan bij de regeering van het volk en het bestuur des lands.
Het gedicht luidt als volgt :
Gods wet zou ten oppersten richtsnoer u zijn? Een vloek werd die naam in uw monden. Wie neemt er der kinderen brood uit den schrijn,
En werpt het tot spijs voor de honden ? Voor brood geeft ge een steen en voor kleeding een dolk Naar 't voorbeeld van vreemde satrapen ; Liefdadigheid zorge voor 't hongerend volk — Gij zorgt voor het doodende wapen.
Neen, ducht niet den arme, tot oproer gezind. Zijn macht hoeft ge nimmer te vreezen ; Maar weet, tusschen u en zijn ondervoed kind Zal God eens de scheidsrechter wezen !
Is dat niet schandelijk ?
Wij wenschten wel, dat de Regeering een middel kon vinden, om iemand, die zóó spreekt, zóó zingt, zóó schrijft, ter verantwoording te roepen.
Want zulke menschen zijn Staatsgevaarlijk.
Door de geraffineerde leugen-en lastertaal. 't Zijn leidslieden, die volksverleiders zijn. — en dan met den naam van God in den mond. Wat dubbel erg is.
Het ernstig roepen van God en degenen, die verloren gaan.
God wil dat alle menschen geroepen worden. De opdracht van den Heiland, Die verzekert dat Hem gegeven is alle macht in den hemel en op de aarde, aan Zijn Kerk is : Predikt het Evangelie aan alle creaturen, want Hij wil, dat waar de wildste volkeren wonen. Zijn Woord zal worden gebracht, opdat van alle vleesch kome tot de kennis der zaligheid.
Daarbij weten we, dat de roepstem Gods, om het Evangelie te gelooven en zich van zijn zonden te bekeeren, gepaard gaat met de belofte van vergeving van zonden en het eeuwige leven en nog nooit heeft iemand tevergeefs op den Heere gehoopt. De Heiland zegt : wie tot Mij komt. Ik zal hem geenszins uitwerpen.
Nu raakt de zondige mensöh, die alles kwijt is, geheel op 't verkeerde spoor, indien hij gaat fantaseeren dat hij een vrije wil ten goede heeft en dat hij alles wat ter zaligheid is, in eigen hand draagt ; dat het nu aan den mensch staat te gelooven of niet te gelooven, al naar hij zelf verkiest.
En de Semi-Pelagiaan, die den mensch blijft aankleeden met allerlei deugd ten goede, zegt : wat zou 't baten, als God den mensch riep en als de mensch dan niet bij machte was zich zelf te bekeeren, te veranderen, te verbeteren ; en niet bij machte was zelf te gelooven ?
Hier begint de mensch wijzer te zijn, dan hem betaamt en hem duidelijk in Gods Woord geopenbaard is. Hier begint de mensch te redeneeren, om Gods Waarheid onderstboven te praten en met zijn filosofie Gods Getuigenis te breken. Want de mensch weet beter! De mensch, die in zonden ontvangen en geboren is, is onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad — waarom de roepstem Gods hem tot die geestelijke diepte van verlorenheid moet brengen, dat hij bekent : „Heere, bekeer Gij mij, dan zal ik mij bekeeren".
Door die geestelijke diepte van verlorenheid moet de mensch heengeleid worden. En als hij wil blijven redeneeren van : waarom dan dit en waarom dan dat — dan komt de apostel Paulus, om den mensch op z'n plaats te zetten, zeggende : „Wie zijt gij, o mensch, dat gij tegen God zoudt antwoorden ? "
Onder en bij de roeping Gods, met de ernstige aanbieding Zijner genade, moet de mensch in z'n zondestaat gansch beschaamd en verslagen worden, en juist die zich daarin, in geestelijke hoogmoed verharden, zullen verloren gaan ; en voor dezulken geldt dan : allen, die het geweten hebben en niet gedaan, zullen met vele slagen geslagen worden.
Dit houdt ongetwijfeld in, dat zij, aan wie de weg des Heeren is bekend gemaakt en het heil-en troostrijk Woord is gebracht, die de roepstem Gods hebben gehoord en die dus niet onkundig zijn, een zwaardere straf zal worden toegerekend en opgelegd vanwege hun — ongeloof en ongehoorzaamheid. Chorazin, Bethsaida en Kapernaüm zijn ten bewijs. Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels. Verdragelijker in het oordeel — omdat daar de roepstem Gods niet was uitgegaan en de teekenen en wonderen niet gezien waren, zooals dat onder Israël wèl was geschied.
Dat bewijst overvloedig, dat het roepen Gods altoos ernstig is, dat het zeer zeker zin en bedoelen heeft, en dat het nooit een ijdel roepen van den Heere is, als Hij komt om ons van de zonden af te manen en ons komt uitnoodigen tot Hem te komen en ons te bekeeren van onzen boozen weg en Hem te voet te vallen bij al onze schuld. En dat wordt niet weggenomen of verminderd door het woord van den Heiland: velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren ; en al doet Hij het weten, dat het geloof een gave Gods is, en dat niemand tot Hem kan komen, dan die de Vader trekke en het hem van den Vader gegeven worde. Neen, dat vermindert de ernst en de beteekenis niet, dat God ons roept, als Hij ons doet verkondigen, dat het voor ons verbeurd is, dat het voor ons onmogelijk is, dat het voor ons enkel en alleen uit Zijn Vaderhand moet komen, als een eeuwig onverdiende zegening.
Dan komt de oude vraag wel : of God den mensch geen onrecht doet, door hem iets te vragen en van hem te eischen, wat hij niet doen kan. Maar Gods Woord werpt er dadelijk het licht op : menschenkind, hoe heb Ik u geschapen ?
Het schijnt onredelijk te zijn, van iemand te eischen, onder bedreiging van straf, wat hij onmogelijk doen kan. Maar het niet-kunnen moet hier in 't licht komen van Gods geopenbaarde Waarheid, dat de mensch hier alle schuld en de volle verantwoordelijkheid draagt.
Neen, neen ! God doet den mensch geen onrecht.
En als de Heere dan tot ons komt en voor ons henengaat, en ons roept en ons vermaant —dan is het, opdat we niet zullen redeneeren, om ons zelf vrij te pleiten en God tot een onrechtvaardig Rechter te maken, maar opdat we diep verootmoedigd, uit de diepte van schuld en verlorenheid onzen Rechter om genade zullen leeren smeeken.
En waar nu de mensch het aan zich zelf te wijten heeft, dat hij onbekwaam is tot eenig geestelijk goed, wordt het grooter wonder, dat de Heere roept, ernstig roept, en genadiglijk vergeving belooft ; dat Hij tot ons komt om ons te verzekeren, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin, dat de goddelooze zich bekeere en leve. En als de Heere dan ernstig Zijn wil en Zijn weg bekend maakt en genadiglijk Zijn Christus ons wil doen prediken, zeggende : „Komt, Iaat ons te zamen rechten, en al waren uwe zonden rood als bloed. Ik zal ze wasschen en maken witter dan sneeuw" — dan wil de Heere, dat ook wij zullen leeren bekennen, dat alleen mogelijk is, wat Hij ons schenken wil, dat alleen bestaan zal, wat Hij ons geven wil en in ons werken wil.
Hiertoe is de Heere niemand, en ook ons, neen, zeer zeker ook niet ons, maar iets verplicht. Het is alles vrij en souverein welbehagen. Hij is rechtvaardig, als Hij ons, ja, zeer zeker ons, verwerpt. Maar dan wil de Heere, dat de verwerping van zondaren ons niet verschrikken zal, maar Zijn genade. Zijn heil-en troostrijk Woord ons zal lokken en trekken, om op Hem te hopen, tegen alle hoop in !
Zóó wordt de Heere verheerlijkt in allen die behouden worden.
En zoo zal in allen die verloren gaan, openbaar worden, dat zij door eigen schuld verloren gaan, door eigen erfzonde en door eigen dadelijke zonden, in weerwil van des Heeren rijke en vele bemoeienissen.
Neen, neen, redeneer niet tot uw eigen verderf. Geloof, geloof alleenlijk !
„VALKENHEIDE"
Op Valkenheide, te Maarsbergen, stichting tot opvoeding van jongens, de eenige vanwege de Ned. Hervormde Kerk, mocht 4 October j.l. worden herdacht, in tegenwoordigheid van Bestuur, opvoedend personeel en al de jongens (222), dat 25 jaar geleden H. M. de Koningin-Moeder deze inrichting mocht openen. Ds. J. W. A. Klinkhamer Bredius, emer. pred. te Baarn, die met mr. J. A. A. Lisman, van Den Haag, en jhr. Q. J. van Swinderen, burgemeester van Loosdrecht, al de 25 jaar deel van het Bestuur heeft uitgemaakt; heeft 's middags in de Stichtings-kerk een gedachtenisrede gehouden, die stond in het teeken van de verheerlijking Gods naar aanleiding van Psalm 126 VS. 3 : „De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd".
In 1908 is het werk aangevangen. Sindsdien zijn van het Bestuur overleden de heeren : dr. L. Heldring, ds. Otto Schrieke, mr. f. C. Uresselius, ds. A. de Haan, ds. J. D. J. Idenburg, H. C. C. Frank, dr. J. Th. de Visser, mr. F. W. E. Spiering, A. Ohlen, Jhr. mr. W. A. Beelaerts van Blokland en mr. S. J. Hogerzeil.
Dr. Heldring, de „locomotief", die alles in beweging bracht, vond vrij spoedig het heideterrein, waaraan hij later den naam „Valkenheide" gaf, omdat daar vroeger veel met valken gejaagd was. De stichting begon in 1908 met 26 jongens op te nemen. Was bij de opening de weg nog zóó slecht, dat H.M. de Koningin-Moeder een half uur te laat arriveerde, omdat de chauffeur bijna niet had kunnen vooruit komen, wie nu een bezoek aan „Valkenheide" brengt, 't zij komend van Driebergen—Doorn, 't zij van de andere kant, staat verbaasd over de schitterende omgeving, „onze jongens" hebben veel daaraan mogen doen, dat alles zoo kon worden verbeterd. Dr. J. Th. de Visser heeft als voorzitter z'n beste krachten aan de Stichting gegeven, 23 jaar lang. Toegerust met een buitengewoon warm hart en met groote gaven van verstand inzicht en tact, heeft God door hem groote dingen aan de Stichting gedaan, en is „Valkenheide" geworden tot wat het nu is. Zijn naam zal voor altijd aan „Valkenheide" verbonden blijven. Naast hem moet met eere genoemd worden mr. Spiering, destijds voorzitter van de Huishoudelijke Commissie.
De tegenwoordige directeur, de heer D. Noordam, bijgestaan door zijn staf van medehelpers, ook die van het vakonderwijs, heeft een stempel op de Stichting kunnen zetten, daarin bewijzend, dat hij „de rechte man op de rechte plaats" is.
Hel mooiste zou natuurlijk geweest zijn, als er in het geheel geen „Valkenheide" noodig was geweest. Maar nu zoo'n Opvoedingsgesticht wèl noodig was — en helaas ! nog noodig is en ook wel noodig blijven zal — nu is het heerlijk, dat onze Herv. Kerk een inrichting als deze heeft, in de 25 jaar van haar bestaan zóó uitgegroeid, dat het een wonder in onze oogen is. Wij denken aan Ezech. 34 vers 16 : „Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden en het kranke zal Ik sterken". Sinds de opening in 1908 hebben daarvan 1259 jongens mogen genieten. En zooals het in de natuur rondom „Valkenheide" is, dat daar nu „lachende graanvelden en groene landouwen en ruischende roggevelden" zijn, zoo moge we ook verwachten, dat onder de beademing van het Evangelie van Jezus Christus menige zegen is uitgegaan voor tal van jongens, die tot „het gebrokene", „het weggedrevene" en „het kranke", door den profeet Ezechiël genoemd, behooren. Wanneer de lijst wordt nagegaan van de oud-verpleegden, kan men daar tal van namen vinden van eerzame burgers, in Nederland en ver daar buiten, die den dag zegenen, dat zij op „Valkenheide" geweest zijn. In allerlei werkkring te Water en te land nemen tal van oud-verpleegden een plaats der eere in !
Maandag 4 October 1937 hebben we, als bestuurslid, mee feest gevierd. En we hebben mee ingestemd met de woorden van den Psalmdichter : „De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd".
Men had het jongenskoor onder leiding van den heer Noordam Jr. eens moeten hooren zingen in de kerkzaal. 't Was een lust om te hooren.
En met elkander hebben we gezongen : „Looft, looft den Heer", met de woorden van Psalm 103 vers 1.
Wij hopen, dat in vele Hervormde gemeenten het werk van „Valkenheide" in dankbaarheid zal worden gesteund. Ezechiël 34 vers 16 geeft ons vrijmoedigheid er om te vragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's