MEDITATIE
EEN BLIJMOEDIG GETUIGENIS
Psalm 73 vers 24-26.
Asaf, beschouwende den voorspoed der goddeloozen en de kwellingen, moeite en verdriet der rechtvaardigen, maakte zich daarover moeilijk en zag de goddeloozen met nijdige oogen aan. Hij kon het doen des Heeren niet begrijpen; verdiepte zich hierin en werd gemelijk. Hij kwam zelfs zóóver, dat hij zeide : „Hoe zou het God weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? De goddeloozen hebben rust in de wereld en zij vermenigvuldigen het vermogen!" Dat alles was voor hem een onbegrijpelijk iets. De Heere evenwel, geeft geen rekenschap van Zijn doen of laten; en de mensch moet leeren, dat Gods doen majesteit en heerlijkheid is. Gods wegen, liggen voor Asaf en ons allen, in de diepte. Zoolang Asaf lette op der goddeloozen voorspoed, zoolang had hij geen vree in zijn hart. Hij had gedacht, dat te mogen verstaan, maar het was moeite in zijn oogen.
Zal de Heere Zijn knecht Asaf vergeten ? Zal Hij hem aan zijn eigen gedachten overlaten ? Neen ! verre vandaar. Er is een tijd van het welbehagen des Heeren. Asaf zal de wegen Gods récht leeren inzien en zich verwonderen over het Godsbestuur. Zijn ziel zal weder tot rust komen. Ja! hij zal zóóver door God gebracht worden, dat hij niet meer nijdig zal zijn op der goddeloozen voorspoed, doch hun dien gaarne gunnen!
De Heere gebruikt den weg der middelen voor Asaf, n.l. Hij voert hem in de heiligdommen. Afgeleid van de goddeloozen, mag hij, in die heiligdommen, Gods lieflijke gunst aanschouwen. En wat zag hij daar ? Zijn oog aanschouwde, dat de goddeloozen in een oogenblik tot verwoesting worden ; een einde nemen en teniet gaan van verschrikkingen. Doch tevens kreeg hij zichzelven te zien; dat hij in zijn hart opgezwollen was en in zijn nieren geprikkeld werd ; leerde zichzelven als een onvernuftige kennen en een niets-wetende; hij werd een groot beest bij God. In 't kort: hij kwam in de heiligdommen tot zelfver achting, een bewijs, mijn lezer of lezeres, dat God de Heilige Geest in hem werkte. De natuur toch leert zulks niet. Zij verheft zichzelve en wil niet vernederd worden! Doch, wanneer God, de Heilige Geest, in het hart eens zondaars komt werken, dan leeren we ons als zondaren voor den Heere kennen; dan verfoeien we onszelven. Dan zien we onzen opstand en tegenstand jegens God, en, in den spiegel der Wet, bemerken we dan onze vloek-en doemwaardigheid voor den Allerhoogste. Dat nu is een werk der goddelijke genade! Want als we onze diepe ellende mogen inzien, bij 't licht van Gods Geest, dan zal ons hart zich niet verheffen, maar zullen we in ootmoed voor den Heere leeren bukken en buigen; en de voorwerpen worden Zijner opzoekende zondaarsliefde en eeuwige ontferming!
Asaf evenwel zag nog méér in de heiligdommen. Hij ontving ook een gezicht in de algenoegzaamheid van den Heere, zijnen God. Ja! ingeleid in de heiligdommen, betuigde hij: „Ik zal gedurig bij Hem zijn!" Daar zag hij, dat God zijn rechterhand gevat had en kende hij zich veilig en wèlgeborgen. Wat hem dan ook mocht treffen, hij was in de hand des Heeren, Die alles voor hem wèl zou maken. Hij mocht het nu verstaan, dat alle dingen moeten medewerken ten goede, dengenen, die naar het voornemen Gods geroepen zijn. Asafs ziel was thans stil tot God; van Hem wachtte hij een heilrijk lot! Hoe geheel anders beschouwde hij nu de goddeloozen, dan straks. Nu ontwaarde hij het gezegend lot der rechtvaardigen, n.l. dat zij staan onder de hoede en leiding van den Alwetende en Almachtige ; want „d' oogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn ooren tot hun geroep!" Hij zal hèn zijn , tot een wolkkolom, des daags en tot een vuurkolom des nachts". Daarom klinkt het ook thans van zijn lippen en is het de taal van zijn hart: „Gij zult mij leiden door Uwen raad en daarna in heerlijkheid opnemen!" Asaf wist dien raad des Heeren over hem wel niet, doch, daarover bekommerde hij zich geenszins.
Hij liet alles nu maar aan Hem over, „Wiens raad zal bestaan tot in eeuwigheid en Die al Zijn welbehagen zal doen!"
De raad nu des Heeren omtrent Zijn volk is onderscheiden. Sommigen Zijner kinderen leidt Hij langs een effen weg. Zij ondervinden niet vele moeilijkheden, niettegenstaande zij door lijden geheiligd worden. Anderen hebben een moeilijker weg. Hun pad is hobbelig en vele struikelblokken doen hen den weg met moeite gaan. Een Heman was doodbrakende tot zijn dood. Ook de weg van David, de man naar Gods hart, was vol hindernissen. Aan ieder Zijner kinderen evenwel wordt Zijn raad volkomen volbracht. Zij ontvangen niet meer, doch ook niets minder uit den lijdensbeker, dan de Heer e in Zijn wijsheid noodig keurt voor hun eeuwige vorming.
Echter is het kind des Heeren het niet altijd eens met dien raad Gods. Dikwerf gaat het er tegen in, mort, komt in opstand en maakt alzoo zelf zijn weg moeilijk. Zalig dan ook diè ziel, die onderworpen mag zijn aan en stil onder dien raad des Heeren. Tot dat hoogtepunt in de genade was Asaf gekomen. Hij mocht geloovig berusten in den raad des Allerhoogsten en daaronder stil zijn als 't gespeende kind bij zijn moeder. En, als hij de loopbaan heeft afgeloopen, die de Heere hem heeft voorgesteld, zal Deze hem, zoo is zijn betuigen : „in heerlijkheid opnemen !" Daarvan is hij zeker! Als hij den raad des Heeren heeft uitgediend, zal hij het lichaam der zonde en des doods afleggen en ingaan in de gewesten van eeuwige zaligheid en heerlijkheid. Alle moeite, verdrukking en benauwdheid, hebben dan voor hem een einde. De kwelling over der goddeloozen vrede, zal hij dan nimmermeer ondervinden. Hij zal dan huppelen van zielevreugd, wanneer hij zijn wensch zal verkrijgen.
„Zijn blijdschap zal dan onbepaald, Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt ten hoogsten toppunt stijgen!"
Dit, mijn lezer of lezeres, zal het deel zijn van allen, die de verschijning van den Heere Jezus in onverderfelijkheid hebben liefgehad ! Die mogen betuigen: „De Heere is het deel mijner erve! De snoeren zijn mij gevallen in lieflijke plaatsen; een schoone erfenis is mij geworden!" Eerst, weliswaar, een weinig verdrukking, een weinig lijden in dit tranendal, maar dan voor eeuwig verlost, zingend „in God verblijd ; aan Hem gewijd, niet van hunne, maar van 's Hééren wegen !"
En nu is Asaf zóó opgetogen over hetgeen hij te zien krijgt in de heiligdommen des Heeren, dat hij als in verrukking uitroept : „Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde!" Hoe geheel anders was het thans met hem gesteld, dan kort te voren. Toen was hij het met zijn God niet eens. Tóen benijdde hij der goddeloozen voorspoed en vrede; tóén was zijn ziel aan 't stof gekluisterd. Tóén kon hij Gods daden maar niet verstaan. Maar nu, hu maakte de Heere hem los van het stof en mocht hij zijn ziel daarboven verheffen. Hij kreeg te zien, dat het goed, voor hem weggelegd, vèr boven het aardsche verheven was. De grootste schatten in dit aardsche leven, zij vielen weg bij het bewustzijn, dat hij een schat had in den hemel, na dit leven. Zulks getuigt hij voor allen, die hem omringen. Hij móét spreken van zijn God en schaamt zich niet, de grootheid van Zijn Naam te roemen tegenover zijn tegenpartijders. Hij heeft „de Parel van groote waarde" gevonden en daarin is nu zijn blijdschap. Die blijdschap zal niet van hem worden genomen, gelijk de blijdschap der wereld, die eens in droefheid zal verkeeren. Asaf mag het weten, op goede gronden : „bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid !"
Een steenrots, is het beeld van vastheid en onwankelbaarheid. Zoo nu blijft God, de vaste en onwankelbare God voor Asaf. Ja ! zijn vleesch en zijn hart zullen bezwijken, want „alle vleesch is als gras ; het gras verdort, de bloem valt af!" Zoo is het met het menschelijk leven. De sterkste zelfs, zal moeten bezwijken. Wij allen zijn den dood onderworpen. „Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen? Doch, bij alles wat valt, blijft God de onwankelbare Rotssteen voor Asaf, zoo betuigt hij zelf, en daarmee voor al de Zijnen ; ,, de grooten en kleinen" in de genade. Ja ! „bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer", o Israël.
Ten slotte nog een vraag, mijn lezer of lezeres, die niet minder is dan een levensvraag: Moogt gij ook, door genade, Asafs blijmoedig getuigenis tot het uwe maken ? m.a.w. : Weet gij, op goede gronden, dat de Heere ook uw Deel is, zoodat gij Hem ook moogt kennen als uw hoogste Goed ? Ach! hoevelen van mijn lezers zullen Hem nog verwerpen en spotten met Zijn dierbare heilsgoederen, door Christus' kruisverdiensten verworven, terwijl zij toch maar willen dat wij hen, als bevoorrechten met de belofte des eeuwigen levens, beschouwen. Dit kan, dit mag niet! En, wie ook vrijheid meent te hebben de heilsgoederen van Christus als toepasselijk voor allen te prediken, wij hebben het niet, daar het Woord des Heeren ons toeroept, dat wie Christus niet door een waarachtig, levendig, zaligmakend geloof — gewerkt door Gods Geest en Woord — is ingeplant, het Koninkrijk der hemelen niet, wat zeggen we! nooit zal ingaan.
Of kunt gij, mijn lezer of lezeres, een plaats in den Bijbel aanwijzen waar het Koninkrijk Gods aan onbekeerden wordt toegezegd ? Neen ! er zal een wedergeboorte, een vernieuwing des harten moeten plaatsgrijpen, zult ook gij kunnen betuigen: „ de Heere is de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid!"
Laat u niet misleiden of bedriegen, doch misleidt óók uzèlven niet langer met valsche overleggingen, daar de H. Schrift dit duidelijk leert. Ik weet, die taal mishaagt velen, maar waarlijk! wij hebben geen anderen last van den Heere ontvangen, dan den goddelooze een eeuwige rampzaligheid, den rechtvaardige een eeuwige gelukzaligheid te prediken! en te doen vernemen. Verwerpt dit woord dan niet langer, het wijst u nog den weg des behouds, der zaligheid!
Indien we u al zeiden, uw redding door uwe werken te verkrijgen, dan was voor eeuwig het zalig worden afgedaan. Immers, daar onze beste werken met schuld bedekt zijn op verdoemelijk voor de oogen van den heiligen en rechtvaardigen God, was uwe en mijne, mijne en uwe toestand voor eeuwig ellendig! Maar nu de zaligheid der zielen niet. is uit de werken, maar enkel uit genade bij God in Christus, is er hope bij den Héére, doch ook bij Hem alléén! Wederstaat dien weg des behouds dan niet langer ; leert nog heden voor God in de schuld vallen, hoe ellendig, misvormd door de zonde gij ook zijt! „Allen, die zich van God blijven afkeeren, worden uitgeroeid". „De goddeloozen worden bewaard tot den dag der slachting".
Nogmaals : in Jezus is leven, in Hem zaligheid! Hij heeft de zonde aan 't kruis willen dragen en is van God tot volkómene verlossing gegeven. Zoekt Hem dan nog terwijl Hij te vinden is, eer de deur der genade voor eeuwig op het nachtslot komt! 't Is nog niét te laat!
Doch er zullen onder onze lezers gevonden worden, die zeggen : „de begeerte ligt er wel, den Heere tot mijn hoogste Goed en Deel te hebben, doch mij dit toeëigenen durf ik nog niet!" „Somtijds heb ik hoop op de zaligheid; doch dan ontzinkt zij mij weder! Ik ben gelijk aan „de baren der zee !" Bekommerd hart, houdt maar tijdig en ontijdig aan ! Gij twijfelt, omdat gij zoo weinig geloof en vreeze Gods in u ontdekt, doch ik vraag u : „waar wordt ergens in den Bijbel de mate des geloofs aangetoond, of gezegd „zóó of zóó groot moet uw geloof wezen ? Ziet niet de Heere op den armste, op den ellendigste en nooddruftigste neder ? Zou Hij ooit een ziel verstopten, die uit de diepte barer ellende tot Hem roept ? „Maar" — zegt ge — „was mijn geloof maar echt!" We raden u dan aan : stel u voor den Heere! Hij alleen weet dit en is machtig u te geven wat gij behoeft; laat u door zonden en ongeloof niet slingeren. De Heere roept: Komt, hoe schuldig gij ook zijt; maakt geen bedenkingen; waagt het op Zijn Woord en noodiging u aan Zijn voeten neer te werpen, zeggend met een Esther : „Kom ik om, dan kom ik om!" en gij zult op 's Heeren tijd en wijze, ondervinden dat men aan de voeten van den Barmhartigen Hoogepriester nooit omkomt; ja ! dat weliswaar na veel zielestrijd en worstelingen, ook gij de betuiging van Asaf tot de uwe moogt maken : „Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten en mijn eeuwig deel!"
Zielen, gij, die de zekerheid omdraagt, den Heere tot uw eeuwig Deel te bezitten door genade, „looft gij den Heere en vergeet geen van Zijne weldaden !" Moge de Heere nu maar veel uw Eénige Roem zijn ; uw spijze, uw éénig Al! En is 't nu, dat die zekerheid minder uitkomt, dan de oorzaken daarvan opgespoord ; dan u tot een, zij het biddend onderzoek gezet en den vijand der ziel niets toegegeven, die de vrijmoedigheid tot toeëigening soms betwist en zondige neigingen in de hand werkt, welke het kinderlijk vertrouwen onderdrukken. Bedenkt wel, de Heere is naijverig op Zijn mededeelingen ; dat de zonde leidt tot verberging van Zijn vriendelijk aangezicht en de vrijmoedige hoop weerhoudt. Daarom wakende gehoopt en hopende gestreden, in Gods kracht!
De overwinning is des Heeren en daarom van al de Zijnen, Die Hij van eeuwigheid Zich heeft gekocht; niet met goud of zilver, doch met Zijn dierbaar bloed!" Laten de gaven des Heeren maar worden bestreden. Geen nood ! in de oven wordt het goud gelouterd; door verdrukking zullen Gods uitverkorenen ingaan ; eenmaal ontsluit zich voor u de Hemel. Daarmee u getroost; uw kracht ligt in uw ééuwig deel, dat moed geeft. Dat klaagzangen in gejuich kan verandren en den toch door dit tranendal gemakkelijk maken. Reeds kort de reis op !
Het licht der genade van Hem, Die geheel uw weg in dit Mesech heeft afgebakend en u leidt naar Zijn Raad, schijne helder in uwe zielen; zoodat het uw geloofsrust, vrede, hoopvolle opbeuring en blijmoedig betuigen stééds moge zijn met Asaf :
„Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel, in Eeuwigheid!"
Bergambacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1937
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's