KERKELIJKE RONDSCHOUW
LUTHER’s GELOOFSDAAD
Of 1517 of 1520 het jaar van de Kerkhervorming is, daarover is nog wel eens verschil. In 1520 heeft Luther de pauselijke bul verbrand en daarmee den paus de gehoorzaamheid opgezegd en den band met de Roomsche Kerk verbroken. Maar in 1517 heeft dr. Maarten Luther de bekende 95 stellingen aan de Slotkapel te Wittenberg aangeslagen, en daarmee is het proces der Kerkhervorming begonnen ; zoodat velen 31 October 1517 hét geboorteuur der Reformatie noemen.
De Universiteit te Wittenberg bestond voor een deel van de inkomsten van de Slotkapel. En 1 November, Allerheiligen, was een voordeelige dag, omdat dan vele bezoekers kwamen voor de reliquieënvereering in de kerk om daar een aflaatbrief te verkrijgen — natuurlijk voor geld !
Gewoonlijk werden er den dag te voren (31 October) stellingen aan de kerkdeur aangeslagen, waarover dan 1 November een openbaar debat plaats had tusschen geleerde mannen. Dat was tot verhooging van de eere van den grooten feestdag van Allerheiligen.
Ook 31 October 1517 werd er een papier met stellingen aangeslagen. Maar nu bleek het heel iets bijzonders te zijn. Want het ging tegen de gruwelijke practijken van de Roomsche Kerk, vooral wat de biecht en de aflaathandel betreft. Luther meende, dat als de paus wist van de geldafpersingen en schandelijkheden der aflaatpredikers „hij liever de kerk van St. Pieter te Rome tot asch zou willen laten verbranden, dan dat ze zou opgebouwd worden met de huid en beenderen van zijn schapen". Zoo'n afzetterszaakje was het !
Luther was toen nog goed Roomsch ; hij was nog monnik, bediende de mis, nam de biecht af, leefde naar de voorschriften van de Kerk, hield de vasten, geeselde zich ter kastijding en geloofde aan de kracht van goede werken tot zaligheid, en aan het vagevuur.
Hoewel dus het aanhechten van de stellingen op zichzelf genomen iets héél gewoons was op 31 October des jaars, zoo zijn nu toch, door de stellingen van Luther, de gevolgen allermerkwaardigst geweest ! En 't is — zonder dat Luther het zich bewust was en het bedoelde — het beslissend moment voor de Reformatie geworden.
„In minder dan veertien dag.en waren deze stellingen door heel Duitschland verspreid en gelezen. Ieder roemde den man, die dorst, wat geen bisschop of doctor waagde te bestaan : den aflaathandel aantasten ! Luther's naam, tevoren geheel onbekend, werd op één slag de meest populaire in Duitschland. Hij had uitgesproken, wat in duizenden harten gistte en woelde. Het verzet, dat reeds lang in het verborgen smeulde, had een woordvoerder, een generaal, een hoofd gevonden. Het vuur, dat Luther ontstoken had, zou niet meer uitgebluscht worden, maar heel het trotsch gebouw der Middeleeuwsche Kerk in vlammen doen opgaan".
Luther had gezocht heilig te mogen worden voor God en genoeg te mogen doen, dat God hem genadig zou zijn. In zijn kloostercel weerklinkt telkens de bange kreet: „Ach, mijn zonden, mijn zonden, mijn zonden !"
En nu beschouwde Luther de gerechtigheid Gods, volgens de dogmatiek van die dagen, als de straffende voor zondaren, die verdoemd worden, en de beloonende voor de rechtvaardigen, die als loon op hun goede werken, het eeuwige leven ontvangen.
Maar dan mag Luther door genade leeren verstaan, dat de goddelooze om niet, zonder de werken der Wet, enkel en alleen door de gerechtigheid van Christus kan behouden worden ; dat de rechtvaardige uit het geloof leven zal ; uit het geloof alléén. (Sola fide).
Hij leert in zijn bid-en boetecel verstaan, dat de gerechtigheid Gods in het Evangelie, die den mensch redt en verlost, de gerechtigheid Gods is, welke Hij uit genade aan den zondaar schenkt om Christus' wil ; en die daarom genoemd wordt de gerechtigheid Gods, omdat ze juist niet uit ons en uit onze werken is, maar uit God en door Hem uit loutere genade, om niet, enkel en alleen om de wille van Christus, ons geschonken wordt. De blinddoek was hem van de oogen gevallen ! „Op dat oogenblik" — zoo verhaalt Luther — „vervulde een zalige vreugde als nooit te voren mijn hart ; het was alsof de poort des hemels mij openging". Nu leerde hij eerst de Schrift verstaan ; nu voelde hij zich een wedergeborene tot een levende hoop; nu had hij het vaderhart van zijn God gevonden ; nu kwam de jubelkreet hem van de lippen : „Gij, Jezus, zijt mijne gerechtigheid, en ik ben Uwe zonde".
Hij voelde door zijn afgebeulde bloed Gods vrijmacht van genade zuiver stroomen. Hij, een nieuw schepsel, profeteerde en zong. En heeft met de oude drift en nieuwen moed Den kamp met Kerk en Keizer opgenomen, - Omdat de Heer hem op de knieën dwong.
DE DRIE MUREN VAN ROME
In Augustus 1520 gaf Luther het eerste van zijn drie reformatorische geschriften, dat tot titel droeg : „Aan den christelijken adel der Duitsche natie inzake de verbetering van den Christelijken stand".
In dat kleine, pittige geschriftje — dat pas weer opnieuw is uitgegeven — roept Luther de wereldllijke Overheden: den keizer, de vorsten en den overigen adel op tot een ingrijpende hervorming, daar de paus en de 'bisschoppen hiertoe weigerachtig bleken. Hier lag, volgens Luther, een taak voor de wereldlijke Overheid. Zijn stelling was, dat de vorst ook voor den godsdienst van het land en voor de Kerk van het volk te zorgen had.
„Cuius regio. Cuius religia", dat beteekent: zooals de vorst is, zoo zal de godsdienst van het volk zijn ! (Denk nu eens aan wat in Duitschland door „de Overheid" gedaan wordt in betrekking tot de religie, het geloof en de Kerk !)
Luther schrijft dan in z'n bovengenoemd boekje — dr. Terlaak Poot herinnert er aan in de 's-Gravenhaagsche Kerkbode van 31 October — over „drie muren", waarmee de Roomsche Kerk zich „ommuurd" had, om achter die drie muren voor ieder onbereikbaar en onkwetsbaar voort te leven naar eigen lust en begeerte ; en waardoor het onmogelijk was de Kerk te reformeeren, met gevolg dat „de Christenheid gruwelijk vervallen was".
De eerste muur, waarachter de Roomsche Kerk zich verschanst had, werd gebruikt, wanneer men op haar aandrong met de wereldlijke Overheid. Dan had zij haar verweer klaar en zei zij : dat de wereldlijke macht aan de geestelijke macht ondergeschikt was en aan haar onderworpen en gehoorzaam moest zijn, zoodat de wereldlijke macht ook niets over de Kerk te zeggen had. „Handen thuis !" werd aan de wereldlijke macht toegeroepen door de heilige Kerk, voor wier woord alles en ieder te beven en te bukken had.
De tweede muur gebruikte de Roomsche Kerk, als men haar wilde bestraffen met de Heilige Schrift. Dan stelde zij daar eenvoudig tegenover: dat niemand, behalve de paus, bevoegd is, om de Schrift uit te leggen.
De derde muur kwam in gebruik, als men sprak van een Concilie of algemeene Kerkvergadering. Dan was haar antwoord : niemand kan noch mag een Concilie bijeenroepen dan de paus.
„Aldus" — zoo zegt Luther — „hebben ze ons de drie roeden uit de hand genomen, opdat zij ongestraft kan blijven en heeft zij zich in deze versterkte vesting met drie muren, opgesteld, om allerlei boeverij en boosheid te bedrijven, die wij dan nu zien".
LUTHER’s HERVORMINGSPLAN
Luther's hervormingsprogram, dat door een algemeen Concilie moest worden in werking gesteld — aldus vervolgt dr. Poot — komt dan hierop neer : 1. het Pausdom moet, in navolging van de armoede van Christus, afstand doen van zijn aanspraken op kerkelijke-en wereldlijke heerschappij ; 2. vervolgens moeten een Duitsch-nationaal Keizerschap en een Duitsche, nationale Kerk gevormd worden(!!), onafhankelijk van Rome ; 3. het moet uit zijn met de financieele uitzuigerij der Duitschers door de Geestelijkheid ; 4. het geheele christelijke en wereldlijke leven moet hervormd worden, vooral wat betreft het kloosterleven, het priestercelibaat (de ongehuwde staat vian den geestelijke), de practijken der zielenmissen en aflaten, der bedelarij en der armenzorg, de weelde en de ontucht enz. Ook werd genoemd de hervorming van : het leven aan universiteiten en scholen.
Ook Roomsch-Katholieke historieschrijvers geven toe, dat er in Luther's critiek veel was, dat recht van bestaan had.
En gelukkig is het optreden van dr. Maarten Luther niet vruchteloos geweest, noch wat de Kerk aangaat, noch wat betreft het maatschappelijk leven.
De beschouwing van Luther inzake de verhouding van de Overheid tot de Kerk en haar roeping en taak ten opzichte van de Kerk is altijd iets wonderlijks geweest. De Gereformeerde opvatting in deze is dan ook geheel anders.
LUTHER EN DE OPENBARE EEREDIENST
God heeft Luther heel anders geleid dan b.v. Calvijn, hoewel de weg der zaligheid voor een arm, verloren zondaar, altijd gaat door Christus, en door Hem alléén.
Luther is uit de hel van de goede werken, van de bidcel, die vol vasten en geeselen was, door God gebracht aan den voet van het Kruis, waar de ziel leert belijden : „de rechtvaardige zal door zijn geloof leven". „Dit woord" — we halen hier nog even laan wat dr. Poot in zijn artikel in de Haagsche Kerkbode schrijft — „werd zijn hemelsleutel, door Gods genade hem in de hand gegeven. Hij werd verteerd door één hartstochtelijk verlangen, om aan allen, die óók de kwelling kenden van een ontwaakt en verschrikt geweten, de boodschap van Gods genade te brengen; niet vragend naar goede werken, maar alleen vragend om geloof in Jezus Christus en dien gekruisigd". „Die liefde Gods, waarbij Hij vraagt om kinderlijke aanvaarding van Zijn genadewoord en genadegave, heeft God in Zijn Woord geopenbaard ; hetzelfde profetische Woord, dat Gods heiligen ijver. Zijn onverbiddelijke gerechtigheid. Zijn verterenden toorn openbaart". Het is die Heere, die daarin openbaart Zijn reddende genade en vergevende barmhartigheid. „Christus staat hier in het middelpunt. Het Kindeke in de kribbe, en de Man van smarten aan het Kruis, zijn de spiegel van Gods Vaderhart".
„Daarom wil Luther, dat dit Evangelie zonder ophouden gepredikt zal worden. De Kerk moet Kerk des Woords zijn ; en het eigenlijke wezen van de evangelische godsdienstoefening ligt in de prediking, de prediking van Gods Woord". Luther schrijft letterlijk : „Het grootste en voornaamste stuk van allen eeredienst is het prediken en onderwijzen van het Woord Gods". „Waar Gods Woord niet gepredikt wordt, is het beter, dat men ook niet zingt, noch leest, noch tezamen komt". „Eén ding is noodig, n.l. dat Maria zit aan de voeten van Christus en dagelijks Zijn Woord hoort". Wijl nu deze blijde boodschap is neergelegd in de Schrift, moet de evangelische eeredienst zijn „Wortgottesdienst" of Schriftgottesdienst". De lezing van den Bijbel, het Woord Gods, moet het uitgangspunt zijn van alle menschelijke verkondiging. De zwakke en armzalige prediker vervult alleen de taak van een tolk en heeft alleen de gemeente te helpen, om de kostelijke parel van het Evangelie in de Schrift te vinden". „Wanneer het Evangelie gepredikt wordt, zoo is God daar tegenwoordig. Hij wil Zich daar laten vinden".
Men lette hier op dat nieuw-ontdekt, evangelisch-apostolisch beginsel, dat Luther met ware ontdekkersvreugde moet hebben vervuld! Voor de Roomsche Kerk toch was niet het Woord, de Evangelieprediking, het centrale punt en het wezenlijke van den eeredienst, maar dit : dat door het machtwoord van den priester (die door het sacrament van de priesterwijding, door den bisschop geschied, daartoe de bovennatuurlijke gave ontvangen had !), door zijn priesterlijke consecratie of wijding, de wezensomzetting plaats had van het brood in het vleesch, en van den wijn in het bloed van Christus (trans-substantiatie). Het altaar, waar die wonderlijke zegening en verandering plaats grijpt, was het centrale punt voor Rome.
„Het Woord is hier niet het voornaamste, maar de transsubstantiatie, het altaargeheimnis". „Men zou het dus zóó kunnen uitdrukken" — aldus dr Poot — „Rome stelt : het wonder, omringd door het woord — Luther stelt : het Woord, omringd door het wonder ; het Woord, dat wonderen werkt".
„God Zelf is het" — zoo zegt Luther „Die door het Woord van Zijn menschelijken verkondiger tot de gemeente spreekt. Maar, God spreekt tot haar niet alléén door het Woord der Schrift, vertolkt door het woord van den prediker en door Zijn genadeverkondiging — maar evenzeer door het Sacrament." Want het is er verre vandaan, dat Luther de Sacramenten van Doop en Avondmaal — de twee welke door Christus zijn ingesteld — zou verwerpen of gering achten ! Maar voor Luther gaat het Woord voorop, en het Sacrament is dan een bijzondere vorm van het Woord, een aanschouwelijke, beeldende prediking, een verkondiging in eenvoudige „teekenspraak". Het sacrament was het „zichtbare Woord" (zoals Augustinus het reeds lang vóór Luther uitdrukte). De Sacramenten verzegelen het Woord Gods ; „maar" — zoo zegt Luther — „zooals bij een brief en bij een notarieele oorkonde het zegel de hoofdzaak niet is, maar het schriftelijk stuk zelf, zoo is het óók in de eeredienst. De kern van het Sacrament, „sein bestes und höchstes Stuck", is niet het uiterlijk teeken, maar het Woord, de plechtige genadetoezegging Gods. Eerst dit Woord van de vergeving der zonden maakt het zichtbaar teeken tot Sacrament".
LUTHER EN DE „GODDELOOZE MISPAPEN"
Luther heeft weer geleerd, dat het gaat om de prediking van Gods Woord. Hij sprak van „Wortgottesdienst" of „Schriftgottesdienst", om daarmee te laten voelen, dat de prediking dies Woords het centrale punt van de eeredienst moet zijn. En daarmee hing ook samen Luther's sacramentsbeschouwing. De Sacramenten verzegelen het Woord Gods en de kern van het Sacrament „sein bestes und höchstes Stuck" is het Woord, is de plechtige genadetoezegging Gods, de belofte des Evangelies.
„Zoo leerde Luther zijn gemeente" — vervolgt dr Poot in zijn bovengenoemd artikel, dat wij „vrij" volgen — in het Heilig Avondmaal zien een machtige prediking van het gewichtigste geloofsartikel der zondenvergeving, openbaar geworden in den kruisdood van Christus. De instellingswoorden van het Avondmaal zijn hem „een kort begrip van het gansche Evangelie". Daarom vervloekt hij de „goddelooze mispapen", die uit deze heldere prediking „woorden van zegening" hebben gemaakt en deze woorden, door hun stil reciteeren er van, „zoo heimelijk hebben verborgen, dat zij ze aan geen enkelen christen hebben willen laten weten".
„Het Sacrament is geen „opus operatum, een werk, dat werkt door zichzelf, omdat het is opgedragen-zonder-meer." Het Sacrament werkt niet magisch, op tooverachtige wijze, alsof het de genade in zich bevat, welke genade dan mechanisch door het Sacrament zelve wordt meegedeeld (ex opere operato : al werkende). Het is Evangelieverkondiging, om het geloof te wekken en te sterken, dat geloof, hetwelk het bedroefde hart en het booze en verschrikte geweten troosten zal.
„Gods Woord is dus alpha en omega, het begin en het einde, van de Luthersche eeredienst. Maar, dit Woord Gods moet echo's wekken in de harten van de vergaderde geloovigen. Gods Woord moet dan ook antwoord vinden in geloof en leven, in gebed en lied. Want, waar vergeving van zonden is, daar is leven en zaligheid — zegt Luther in zijn „Kleine Catechismus". En hierin ligt ook het karakter van de eeredienst, volgens Luther. Luther wilde dan ook zoo gaarne, dat er gezongen werd door de gemeente met psalmen en geestelijke liederen. Zelf heeft hij tal van Psalmen vertaald en voor den zang der gemeente gereed gemaakt. En zijn christelijke liederen zijn vele. Denk maar aan : „Een vaste Burg is onze God" ; „Geest des Heeren ! Kom van Boven" ; „Goedertieren is de Heer" enz.
Dr KUYPER EN DE SCHOOL.
Dr Kuyper heeft groote beteekenis gehad voor het onderwijs, voor de school. En dan denken we hier laan het lager onderwijs, aan de volksschool.
De heer G. Meima, directeur van de Kweekschool met den Bijbel te Groningen, zegt in „De Bazuin" : „Die beteekenis kan ik in drie woorden samenvatten : fundeering — bezieling — verzorging".
Hij schrijft dian : „Dr Kuyper is de consekwente ijveraar geweest voor het goede fundament van onze scholen, 't Was in zijn dagen niet zoo gemakkelijk los te komen van de gedachte, dat de Overheid wel zou zorgen voor het onderwijs. Dat was in ons land al eeuwen gebeurd. En daartegen rees weinig bezwaar, zoolang de Overheid zelf professie deed van den christelijken godsdienst. Maar toen dat anders werd en de school gevaar liep, een propagandamiddel te worden in de banden van godloochenaars, moesten er andere wegen gezocht worden.
Groen ijverde oorspronkelijk voor de splitsing van de Overheidsschool naar de gezind"ten. Hij was dus eerst niet los van de gedachte, dat de Overheid voor het onderwijs behoorde te zorgen. In een harden strijd, waarin de Kuyper een van de aanvoerders was, is toen de worsteling doorgezet voor de Vrije School.
Dr. Kuyper drong daarbij altijd zéér sterk aan op de invloed der ouders op de School en waarschuwde er ernstig voor, dat die invloed met de belangstelling der ouders niet zou afnemen en minder worden, maar zou worden versterkt en toenemen ; getuige de strijd voor het Gewijzigd Unie-rapport.
In eigen kring heeft hij toen op de bres moeten staan, om de medewerking van de ouders bij de zorg voor de school meer tot uiting te brengen. Het verder verloop van de historie gaf hem gelijk ; en nog dienen we te waken, dat de school blijft het instituut, waar de ouders medezeggenschap hebben en inzonderheid den geest van het onderwijs mede. kunnen beïnvloeden.
Dr. Kuyper heeft daarbij aan velen duidelijk gemaakt — en dat is van 't grootste belang — dat de ouders er niet mee klaar zijn, wanneer ze hun kinderen maar naar een Christelijke School sturen. Hoort maar wat hij zei bij de opening van een Christelijke School, naar zijn naam genoemd in zijn geboorteplaats Maassluis :
„En toch brengt de Christelijke School zoo groot een gevaar mede. De ouders komen er zoo gemakkelijk toe, alles aan de Christelijke School over te laten en zelve het werk der opvoeding te laten rusten. Laten we toch niet denken, dat het kind, wanneer het op een Christelijke School gaat, geborgen is. Laten we dte opvoeding in het gezin allereerst in eere houden. Worde ons volk geen oppervlakkig volk, maar houde het toch de belijdenis des Heeren zelf in het gezin en voor zijn kinderen hoog."
Het gezonde gezin de noodzakelijke voorwaarde voor een gezonde school, ziedaar een gedachte, die we niet sterk genoeg kunnen propageeren.
Daarbij is dr Kuyper ook de man geweest, die het verstond, dat bezieling voor den geestelijken arbeid in de school noodig is. Met het levende woord en met de pen heeft hij onze onderwijzers geleid en bezield. Denk slechts aan het woord dat door hem in 1904 gesproken is bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Vèreeniging van Christelijke onderwijzers en onderwijzeressen, in het Concertgebouw te Amsterdam. Toen eindigde hij zijn rede met deze woorden : „En nu, broeders en zusters, of mij ooit weer het voorrecht en de eere zal gegund zijn zulk een breeden kring van broeders onderwijzers te mogen toespreken, betwijfel ik schier met het oog op mijn jaren, en daarom, laat mij, eer ik van u scheide, u één woord in de ziel prenten, waarin ik heel mijn toespraak samentrek, en laat het dan dit zijn : Gij hebt met het schoolkind in de armen de wacht bij het kruis betrokken, laat dat kind nooit los ! En die God, die de God is van ons aller Doop, Die zal het u doen gelukken !"
Dit woord heeft velen bezield en heeft velen onzer de heerlijkheid van den arbeid der opvoeding doen zien, de heerlijkheid van het onderwijs in de School met de Bijbel.
Naast de fundeering en de bezieling moeten we ook iets zeggen over de zorg van dr Kuyper voor de school. Want hij heeft het niet alleen bij woorden gelaten, maar hij heeft ook daadwerkelijk geholpen, toen hij Minister was.
De Onderwijs-novelle van 1905 is een belangrijke schrede geweest op den weg van de gelijkstelling van Openbaar en Bijzonder Onderwijs. De schoolbesturen werden voor een belangrijk deel van te knellende zorgen verlost. Het Rijk keerde voortaan de minimajaarwedden voor het onderwijzend personeel uit. Ook werden de bijdragen ter tegemoetkoming in de kosten om te voorzien in de behoefte aan schoollocalen aanmerkelijk verhoogd.
Ook aan de arbeiders in de school besteedde de Minister zijn aandacht. De onderwijzers aan de Bijzondere Scholen kregen recht op ouderdoms-en invaliditeitspensioen, zooals de collega's aan de Openbare Scholen dat reeds hadden, terwijl voor beide categorieën weduwen-en weezen-pensioen in uitzicht werd gesteld. En voor de rechtspositie van onze Christelijke onderwijzers heeft dr Kuyper toen mede gezorgd. Wanneer ze niet op eigen verzoek werden ontslagen, zouden ze zich voortaan kunnen beroepen op een Commissie van Beroep, een college, gedeeltelijk gekozen door de besturen, gedeeltelijk door de personeelen der aangesloten scholen. De berechting is op die manier in eigen kring gehouden en geeft uiting aan de gedachte, dat we zelfstandig onze zaken kunnen afdoen.
Iemand heeft eens gezegd, dat een groot man verschillende personen in één is. Dan is Kuyper een zeer groot man geweest.
Op verschillende terreinen heeft hij gearbeid' en daar een spoor achter gelaten. Niet in 't minst bij het onderwijs. Als een groot man gedenken we hem daar : om zijn fundeering, om zijn bezieling, om zijn verzorging".
HET DOLEANTIE-CONFLICT TE AMSTERDAM
De dissertatie van dr M. Bouwman, waarin aan de Vrije Universiteit de Kerkrechtelijke beginselen van Voetius naar voren gebracht zijn, maar in ietwat ander licht gesteld dan onder de menschen van 1886 (De Doleantie) veelszins de gewoonte was, blijft nog stof opjagen onder de broederen.
De kwestie waar het óók om gaat, is : wanneer dr. Bouwman, die cum laude aan de Vrije Universiteit is gepromoveerd, onder leiding van prof. dr. H. H. Kuyper, gelijk heeft is het Doleantie-conflict te Amsterdam veroordeeld.
Het is vooral prof. Greydanus, van Kampen, die er op gewezen heeft, en er nóg weer eens op wijst in „De Bazuin" van 29 October 1937 (juist op den Kuyper-dag dus).
Hij schrijft: „Het handelen van dr. A. Kuyper, dr. F. L. Rutgers e.a., dat is van den Amsterdamschen Kerkeraad, inzake het maken van bepalingen aangaande het beheer bij mogelijke censuur door Classicaal of Provinciaal Bestuur, kan alleen als rechtmatig beschouwd worden bij aanvaarding van de zelfstandigheid der plaatselijke kerken óok terzake van de regeling harer bezittingen. Zoodra men echter die zelfstandigheid niet ten volle erkent, maar aan Classis en Synode de oppermacht toekent over de particuliere of plaatselijke kerken, óók wat hare stoffelijke goederen betreft, moet die daad van den Amsterdamschen Kerkeraad, die tot de Doleantie leidde, als een onrechtmatige, revolutionaire daad gequalificeerd worden. Want hoeveel verkeerds die Classicale en Provinciale Kerkbesturen der Hervormde Kerk dan ook gedaan mogen hebben, terzake van het ingrijpen in de beheersquaestie en tegen die genoemde bepalingen, gingen zij dan de grenzen hunner bevoegdheid niet te buiten, deden zij dan geen onrecht, maar oefenden zij dan slechts een recht uit, dat zij formeel hadden óok volgens het Kerkrecht, zooals dr. M. Bouwman het als Voetiaan en juist voorstelt".
„En daarom voegde ik" — aldus gaat prof. Greydanus verder — „hieraan de opmerking toe, dat dr. A. Kuyper en dr. F. L. Rutgers e.a., wanneer zij in een Kerkverband, zooals dr. M. Bouwman het als Voetiaansch schetst, inzake de beheersquaestie gedaan hadden, wat zij nu gedaan hebben en den Amsterdamschen Kerkeraad hebben laten doen, ook gecensureerd hadden moeten worden door de bestaande Classis. Bij de voorstelling van zoodanig Kerkverband als recht en goed, moet die daad van dr. A. Kuyper en dr. F. L. Rutgers afgekeurd, en als eene revolutionaire beschouwd worden. En dan volgt, dat de Doleantie rust op eene revolutionaire daad. Want in verband met, en als gevolg van die daad kwam de schorsing, en daarop de Doleantie".
Aldus prof. Greydanus. En hij' zegt, ten opzichte van, het verweer van dr. M. Bouwman, die het „zóó niet bedoeld heeft", dat hij met. de bedoelingen in deze niet te maken heeft, maar met wat in de dissertatie gezegd is en geleeraard wordt.
„Wat dr. M. Bouwman daarom op deze mijne redeneering ten antwoord geeft, slaat niet op wat ik betoogde, raakt het punt in quaestie niet".
Merkwaardig bij deze discussie tusschen twee geleerde theologen van de Gereformeerde Kerken, is, dat prof. Greydanus — o.i. terecht — er op wijst, dat, wanneer de redeneering van dr. M. Bouwman juist is (en die is maar onze opvatting juist) de Amsterdamsche Kerkeraad onder aanvoering van dr. Kuyper, dr. Rutgers e.a., heelemaal verkeerd heeft gehandeld.
De Kerkeraad (Gereformeerd zijnde in meerderheid) had — aldus prof. Greydanus — dan „zelf een flink voorbeeld moeten geven, door zelf flinkweg de moderne predikanten, en dan natuurlijk ook de afwijkende Kerkeraadsleden, te censureeren".
Als dr. M. Bouwman hier tegenstribbelt en zich tracht te verweren, om den dans nu te ontspringen, schrijft prof. Greydanus : „dr. Bouwman heeft mij blijkbaar niet goed begrepen, hoewel mijn betoog' heel duidelijk is geweest. Ik heb het over den tijd vóór de schorsing door het Classicaal Bestuur. Toen had de Amsterdamsche Kerkeraad zijn moderne predikanten behooren te schorsen". En als de Kerkeraad den band met de Hervormde Kerkbesturen niet verbroken heeft en dus nog in het Synodaal verband bleef, en desondanks zulke bepalingen inzake het beheer maakte, was dat niet in orde, en moet niet alleen naar het Hervormd Kerkrecht, maar ook volgens het Kerkrecht, zooals dr. M. Bouwman het in zijn boek als Voetiaansch voorstelt, veroordeeld worden.
Deze dingen zijn natuurlijk niet prettig om te hooren voor degenen die leven in de Kerken, die uit de Doleantie zijn voortgekomen. Het is dan ook een „nieuwe beschouwing", waarmee men wel wat verlegen zit. Dat laat prof. Greydanus dan ook niet onzacht voelen. Want als dr. Bouwman zich verweert met te zeggen: „ik heb slechts bedoeld louter een historische studie te geven", dan antwoordt de hoogleeraar van Kampen : „dat hebt gij niet gedaan. Gij geeft in uw boek ook allerlei beoordeelingen. En is 't U nu onaangenaam een en ander te moeten hooren, dan hebt gij dat aan uzelf te wijten".
Prof. Greydanus schrijft letterlijk : „Hij had dan zijn boek maar anders moeten schrijven, en eene zuivere historische studie moeten leveren, louter refereerend. Nu is zijn dissertatie geen objectieve, louter refereerende weergave van Voetius' leeringen, maar een tendenzboek dat onder den naam of in den vorm van eene historische uiteenzetting van anderer gevoelens de strekking heeft weer te geven hoe het naar het inzicht en oordeel van dr. M. Bouwman met allerlei kerkrechtelijke vragen en zaken staat, en" (en nu komt er iets héél' typisch, dat een eigenaardig licht werpt op het schrijven van deze dissertatie, die aan de Vrije Universiteit als de laatste promotie onder de auspiciën van prof. dr. H. H. Kuyper heeft plaats gehad en met cum laude is bekroond) „en dat „de Voetius-interpretatie van dr. H. H. Kuyper sedert =t 1926 de juiste is".
Er schijnt dus, vooral sinds 1926 (en dus niet „van vandaag of morgen") bij prof. dr. H. H. Kuyper een verandering in zijn Kerkrechtelijke beschouwingen te hebben plaats gegrepen, die nu door dr. Bouwman in een dissertatie zijn verwerkt, en die zeer ten ongunste zijn van de daad der Doleantie als zoodanig, althans van wat in Amsterdam gebeurd is in 1886 !
En als het fundament van een gebouw niet deugdelijk is, staat het met heel het bouwwerk niet zoo best.
Wie had dat nu kunnen denken, dat de Vrije Universiteit de Doleantiebeweging van 1886 zóó in de moeite zou brengen !
De autonomie der plaatselijke Kerk is met Voetius in de hand veroordeeld.
De kwestie van plaatselijke gemeente en Algemeene Kerk is weer aan de orde.
Met veroordeeling van 1886.... van Kuyper en Rutgers.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's