STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE WIJZIGING VAN DE DIENSTPLICHTWET.
In ons artikel van voor veertien dagen : „In het centrum der belangstelling", hebben wij bij de opsomming van de bedragen, welke binnenkort ten behoeve van de weermacht zullen moeten worden gevoteerd, er ook de aandacht op gevestigd, dat de kosten, die de wijziging van de Dienstplichtwet met zich zal brengen, de jaarlijksche uitgaven voor de Defensiebegrooting met 17.5 millioen gulden zullen verhoogen.
De huidige internationale omstandigheden en verhoudingen, die er toe leiden, dat de Regeering met voorstellen komt om het materiaal van leger en vloot aanzienlijk uit te breiden, maakt het eveneens noodzakelijk, dat het Nederlandsche volk zwaardere lasten zal moeten dragen, wat betreft de personeelsvoorziening der weermacht.
De dienstplichtigen, die geroepen worden tot den krijgsdienst en hun leven zoo noodig hebben in te zetten voor het behoud van de onafhankelijkheid van het land, zullen toch niet alleen moeten kunnen beschikken over de wapens, die zij noodig hebben om de vijand te weerstaan, maar zij zullen ook zóó moeten kunnen worden georganiseerd in legerverbanden, dat van de actie, welke gevoerd wordt, voldoende kracht uitgaat.
Aan die organisatie nu ontbreekt op het oogenblik nog heel wat. Ook ten opzichte van de personeelsvoorziening bestaat, zooals dit eveneens bij het materieel het geval is, grooten achterstand.
De wijziging van de Dienstplichtwet zal in dien achterstand verbetering moeten brengen. Om ons thans tot de hoofdzaken te bepalen, houdt het Wetsontwerp tot wijziging der Dienstplichtwet, dat op dit oogenblik bij de Tweede Kamer aanhangig is, twee maatregelen in n.l. de verhooging van de personeelssterkte en de verlenging van den eersten oefentijd van de onbereden manschappen.
Wat de eerste maatregel betreft, zal de jaarlijks onder de wapenen komende lichting van 19500 man verhoogd worden tot 32000 man ; en wat de verlenging van den eersten oefentijd der onberedenen aangaat, zal de oefentijd worden verdubbeld en dus van 5V2 maand op 11 maanden worden gebracht. Over de opvoering van het contingent tot 32000 man blijkt, althans tot op dit oogenblik weinig verschil van gevoelen te bestaan.
Er mogen stemmen opgaan, die de verhooging van de lichtingssterkte liever op 28000 of SOOOO man bepaald zagen, doch algemeen is men, zoowel in het leger als daarbuiten, het gevoelen toegedaan, dat het contingent van 19500 aanzienlijk dient te worden verhoogd.
Het is toch als gevolg van de ontwikkeling van het krijgswezen, vooral in technisch opzicht onvermijdelijk gebleken, dat uitbreiding moet worden gegeven aan de oorlogssamenstelling van tal van wapens en diensten.
Zoo noemt de Regeering in het ontwerp van wet : luchtstrijdkrachten, luchtdoelbestrijdingsmiddelen, motordienst, verlichtingsdienst, verbindingsdienst, dienst van den aan- en afvoer, meetdiensten van de artillerie, enz.
Een en ander heeft er toe geleid, dat het jaarlijksch contingent van 19500 man bij lange na niet meer toereikend is om in de behoefte aan geoefenden van de gemobiliseerde weermacht in haar huidige samenstelling te voorzien. Dit heeft o.m. ten gevolge gehad, dat de mankracht der compagnie infanterie met ongeveer i^ deel van de sterkte is moeten worden verminderd.
Bovendien is de verhooging van het contingent ook logisch, wanneer men haar in verband brengt met den aanwas der bevolking. In het jaar 1920 toch, toen de tegenwoordige
Dienstplichtwet tot stand kwam, bestond de bevolking uit 7 millioen zielen. Het contingent was in die dagen 23000 man (tengevolge van de bezuiniging op de oorlogsuitgaven kromp dit aantal in tot de huidige 19000 man). Thans is het bevolkingscijfer 8.6 millioen. De sterkte der lichting zou dus naar evenredigheid van de toename der bevolking, zonder lastenverzwaring, bijna 29000 man moeten bedragen. Een contingent van 32000 man gaat dus niet over de schreef.
Daarbij komt nog, dat aan verhooging van het contingent tot 32000 man een militairen sociaal voordeel verbonden is. Dit voordeel is, dat voor het op voet van oorlog brengen van de strijdmacht niet meer het hooge getal van 15 lichtingen dienstplichtigen, wat thans wordt gebezigd, zal noodig zijn, doch dat voortaan met 13 lichtingen zal kunnen worden volstaan. De 14e en 15e lichting, bestaande uit oudere, minder geoefende dienstplichtigen, zullen dus niet meer bij het veldleger behoeven te worden ingelijfd, doch zullen bij mobilisatie direct naar de reservetroepen kunnen overgaan.
Is er alzoo weinig verschil van gevoelen met betrekking tot de verhooging van het contingent, anders staat dit met den tweeden maatregel, welke de Regeering bij de wijziging van de Dienstplichtwet voorstelt, n.l. de verhooging van den eersten oefentijd van 51/2 maand op 11 maanden.
Tegen deze verlenging worden onderscheidene bezwaren ingebracht, niet alleen door hen, die de versterking der weermacht op een koopje willen tot stand brengen, doch ook door anderen, die met de Regeering er niet voor terugdeinzen om van de bevolking zware financieele-en persoonlijke offers te vragen.
Deze bezwaren worden bovendien niet weinig in de hand gewerkt door de omstandigheid, dat dit gedeelte van de voorstellen der Regeering onvoldoende werd toegelicht en dat ook de noodzakelijkheid van den maatregel niet op afdoende wijze is aangetoond geworden. Tengevolge daarvan loopen de meeningen zeer uiteen. De een acht den bestaanden eersten oefentijd van 514 maand voldoende, de ander is voorstander van een verlenging tot 7, de derde tot 8, de vierde tot 9 maanden.
De schriftelijke gedachtenwisseling, die op dit oogenblik tusschen de Regeering en Kamer gaande is, zal de zaak tot klaarheid moeten brengen.
Het is toch niet een zaak van geringe beteekenis, dat de oefentijd verdubbeld wordt. De redenen, welke de Regeering er toe leiden om het verblijf onder de wapenen belangrijk te verhoogen, zijn gelegen in de eerste plaats in het tekort aan geoefendheid bijzonder aan die van het hoofdwapen : de infanterie.
De Regeering zegt in de Memorie van Toelichting nopens het wetsontwerp: „Wijziging van de Dienstplichtwet", dat de oefenings-en opleidingsvoorwaarden bij het thans geldende legerstelsel aanmerkelijk minder gunstig zijn dan die, welke het legerstelsel van vóór den wereldoorlog bood. Geschiedde toen de opleiding uitsluitend door in het vak doorkneed beroepskader, thans is de opleiding van de dienstplichtigen voor een groot deel gelegd in handen van dienstplichtige onderofficieren, die, zelf ternauwernood de recrutenschool doorloopen hebbende, reeds voor de taak worden gesteld als onderwijzer op te treden.
Bij het opmerkzaam lezen van deze mededeeling van de Regeering uit de Memorie van Toelichting, voelt men reeds dadelijk, dat de mindere geoefendheid van de dienstplichtigen hier niet het gevolg is van den eersten oefentijd van 5I/2 maand, doch dat zij haar oorzaak vindt in de omstandigheid, dat de opleiding veel te wenschen laat. Deze reden — en hij is de eenige, die de Regeering aanvoert om den eersten oefentijd te verlengen — kan dan ook niet dienen om de verdubbeling van het verblijf onder de wapenen te rechtvaardigen. Vandaar, dat wij hierboven spraken van een gemis van Regeeringszijde bij het aantoonen van de noodzakelijkheid an den te treffen maatregel Een nadere verklaring zal hier noodig zijn.
De tweede reden, waarom het verblijf onder de wapenen belangrijk moet worden verhoogd, acht de Regeering te liggen in de noodzakelijkheid om ten allen tijde de beschikking te kunnen hebben over een voldoend aantal geoefende troepen. Doordat de eerste oefentijd op dit oogenblik 5 1/2 maand is en de lichting in twee ploegen, een zomeren een winterploeg opkomt, beschikt de Regeering — aldus de Memorie van Toelichting — slechts gedurende enkele maanden van 't jaar over troepen, die een zoodanig peil van geoefendheid bezitten, dat hiermede ook in vollen vredestijd aan verrassende aanvallen het hoofd is te bieden.
Nu kan voor grensdekking — alzoo zien wij het in, na kennisneming van de stukken, die door de Regeering werden gepubliceerd — niet het vredesleger dienen, dat altijd toch maar een geringe sterkte zal hebben, maar zullen voor dezen dienst de dienstplichtigen met groot verlof in de grensstreken moeten worden aangewezen.
In die richting gaan ook de gedachten der Regeering, blijkens de maatregel, welke Minister Colijn ten vorigen jare heeft getroffen.
Waarom ten behoeve van het tegengaan van verrassende aanvallen dan nog versterking van het vredesleger beslist noodzakelijk is, is niet duidelijk.
Wij verwachten, dat de Regeering in staat zal zijn den twijfel, welke bestaat over de noodzakelijkheid van het verdubbelen van den eersten oefentijd, te kunnen wegnemen.
Want op dit punt moeten er tusschen Regeering en Kamer geen moeilijkheden rijzen. Daarvoor zijn de toestanden in binnen-en buitenland te ernstig.
Met belangstelling wordt daarom het antwoord van de Regeering ten aanzien van de gerezen bedenkingen tegemoet gezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's