MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Vooral dat laatste, hetwelk ongeveer als een dreigement klonk, was oorzaak, dat de nicht zich wel in haar lot schikken moest, om den vollen tijd die daarvoor stond, te blijven. Van Betje's aanbod, dat mevrouw om harentwil gerust nog eenigen tijd naar huis kon gaan, omdat zij wel alleen in de pastorie kon zijn, wijl zij in het geheel niet bang was en met een gerust geweten bij avond, in elken hoek van de groote woning durfde te komen, zou zij maar liever geen gebruik maken, 't Stond zoo gek voor de menschen, en zij vond het voor Betje zoo zielig. Dan was het maar beter, dat zij samen de vruchten uit den tuin gingen halen, om gelei te maken. Of te gaan wecken, 't Zou toch wel een heelen tijd duren voor een andere predikant hier zijn intrede deed, en dan zouden wellicht kwajongens de half-rijpe vruchten nog buit maken en de rest vernielen.
„Zullen wij niet wat voor den koster ook laten ? " had Betije meermalen gevraagd, omdat deze tevens ook tuinman was. Maar de nicht oordeelde, dat zulke menschen gewoonlijk toch niet veel van die groenten hielden. Hij kreeg bovendien al de late aardappels en de appels en peren, voor zoover die nog niet rijp waren.
't Was voor beiden een verlichting, toen eindelijk in de courant werd aangekondigd, dat ten sterfhuize van den predikant de verhooping zou plaats hebben van een degelijken inboedel, waaronder vele oudheden in goud en zilver, porcelein en plaatwerk, alles bij verkoopboekjes nader omschreven en op den dag der verkooping in het vroege morgenuur tegen betaling van tien cent, ten voordeele van het ,,Groene Kruis", te bezichtigen. Dit laatste was een uitvinding van de nicht, omdat zij zooveel voor deze instelling voelde en neef daar 't voorzitterschap van had bekleed. Zoo doende werd tevens zijn arbeid in de gemeente nog gesteund en arme zieken geholpen, een opmerking, welke Betje zwijgend deed heengaan, omdat diezelfde mond haar verboden had, volgens gewoonte, op Zondag soep voor de kranken te koken. Die dominé was immers niet meer, werd gezegd, en daarmede vervielen vanzelf dergelijke verplichtingen.
Zoo kwam de boeldag. Al vroeg heerschte er een ongewone drukte in het dorp, door het binnenkomen van tal van vreemdelingen, waarbij het zaad Abrahams niet gemist werd. Eigen ingezetenen hadden zooveel mogelijk dezen dag vrij gemaakt en de huismoeders dagen vooruit hun arbeid daarnaar geregeld, om; voor deze gelegenheid zooveel het kon vrij te zijn. Want dat gebeurde niet vaak, „een inboedel van een dominé onder den hamer". Tegelijk kreeg men nu gelegenheid alles eens van nabij te bezien, wat de leeraar alzoo bezeten had, en wellicht ook nog de kans, om een koopje te doen.
Klaske had al heel vroeg het oorijzer op en Gelske, die nog altijd met het gebruik van haar eene been voorzichtig moest zijn, had den koster al dagen van tevoren gevraagd of hij er niet voor zorgen kon, dat zij bij deze gelegenheid een stoel kreeg, al was het er dan ook een uit de keuken, om daarop te kunnen zitten, daar het staan haar moeilijk viel. Want vanzelf moest zij er ook bij zijn.
„Ga je niet naar de verkooping ? " vroeg zij met groote verwondering aan Murk, toen deze dien morgen, even als altijd, den hit uit den stal haalde voor zijn gewone dagreis, „'k Dacht, dat je d'r juist wezen moest, om een dikke daghuur te verdienen. Wie heeft nu meer verstand' van al dat ouderwetsch porcelein en aardewerk dan een koopman, die daar in handelt."
Doch Murk had in 't geheel geen idee. 't Zou heel wel buiten hem gaan, dacht hij, en er kwamen liefhebbers genoeg.
En zoo was het ook. Al wat waarlijk van waarde was, werd door kenners spoedig getaxeerd en daarna bij onderling goedvinden elkaar toegewezen. Natuurlijk. Men kwam van elders, om koopjes te doen, en nu moest de eene handelaar den anderen niet „in de wielen rijden". Men kwam bij dergelijke gelegenheden zooveel met elkander in aanraking, waardoor de een soms den ander noodig had en vandaar, dat men het heel spoedig met elkander eens was, al begreep het groote publiek, hetwelk niet ingewijd was, dit niet en al leek het soms dat men, als concurrenten, tegen elkander opbood.
Met een ernstig gezicht zat de notaris, bijgestaan door zijn klerken, in de zoogenaamde salon, waar thans alles, evenals in het gansche huis, overhoop lag. Doch de omroeper, die het volk kende, wist door allerlei grapjes wel gang in de zaken te brengen. Soms ging het een of ander stuk voor een appel en een ei weg, maar daartegenover stond, dat de werkelijk waardevolle artikelen goed op prijs kwamen, en ook dat kooplustige gemeentenaren, die het nu eenmaal op een bepaald stuk „begrepen" hadden, prijzen gaven voor dingen, die in den winkel niet meer dan de halve som deden.
,,Ga je nog eens voor de tweede maal een huishouding oprichten? " vroegen nieuwsgierige vrouwen aan Klaske, die al maar inkocht. En een ander zei spottend: ,,Klaske krijgt een uitdragerij en Douwe wordt koopman in ongeregelde goederen.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's