KOHLBRUGGE
en de leer des heils
XII.
VI. De Heiligmaking.
Voor wij echter naar Kohlbrügge luisteren, wat hij onder heiligmaking verstaat, is het noodzakelijk, de verhouding tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking aan te geven. „Dogmatisch is deze vraag in zooverre afgedaan, als men terecht beweert, dat er een essentieel verschil bestaat tusschen heiligmaking en rechtvaardigmaking en dat de heiligmaking bij de rechtvaardigmaking moet komen ; de leer echter, dat de rechtvaardigmaking en de heiligmaking hetzelfde zouden zijn, of dat een mensch de heiligmaking nïet zou noodig hebben, is van ouds als ketterij verworpen. (Licht und Recht, deel 12, hl. 57).
Hoe juist deze constateering ook is, in de practijk van het leven ontstaan toch zeer veel moeilijkheden, doordat men in de nood des geloofs nu eens vprtrouwt op de rechtvaardigmaking dan weer meent, de heiligmaking zelf ter hand te moeten nemen, om Gode dankbaar te zijn. Hiermede komt men echter deze tweeslachtigheid nooit te boven en komt men ook nooit tot de vreugde in Christus. Die beiden behooren onlosmakelijk bij elkander en het een volgt noodwendig uit het andere, als het goed is.
Zoo kan Kohlbrügge ook zeggen : „Voor God is rechtvaardigmaking en heiligmaking hetzelfde. Want als God iemand rechtvaardigt of rechtvaardig maakt, dan maakt Hij hem in overeenstemming met Zijn wet. Er kan echter niets met de Wet in overeenstemming zijn, wat niet alleen van zijn onreinheid, maar ook van zijn schuld en straf is bevrijd. Daarom lezen wij ook zooveel van de heiligmaking, waarbij in den grond niets anders is bedoeld dan de rechtvaardigmaking, zooals zij zich in het leven openbaart. Want zonder deze zou de rechtvaardigmaking geen rechtvaardigmaking zijn, de mensch zou niet in overeenstemming met de Wet zijn geworden". (Licht und Recht, deel 12, blz. 74 en vervolgens).
Dat is echter de nood des geloofs : Waar blijf ik met mijn zonde, ook als ik van gancher harte in de rechtvaardigmaking geloof. Wij kunnen toch niet op de zonde blijven zitten, opdat de genade des te machtiger worde ! Dat leidt ook waarlijk niet tot een vroolijk christen-zijn. Men komt steeds in verzoeking, de rechtvaardigmaking te laten staan, voor zichzelf volgens de Wet der 10 geboden een heiligmakingsleer op te stellen, waarbij dan de Heilige Geest, men weet zelf niet op welke wijze, met Zijn hulp werkzaam is. Voordat men het weet, staat men onder een nieuwe wet en heeft geen vrede met God.
„Door de ware heiligmaking wordt de Heere Jezus aangenomen, niet alleen ter rechtvaardigmaking, maar ook ter heiligmaking.
Wel verre van, met de heiligmaking Christus los te laten, stelt men juist in Hem zijn geheele bestaan, doen en leven, zoodat Hij de grond is, vanwaar men uitgaat en het doel, waarnaar men zich uitstrekt, namelijk, dat men Christus aangenomen heeft en in Hem geworteld blijft tot alles en in alles, waartoe Hij door den Vader gegeven is. Zoo vindt men alles bij Hem en in Hem en zich zelf in Hem. Zoo vloeit alles voort uit het geloof, zoodat het geloof met de heiligmaking meewerkt, en uit de heiligmaking het geloof voleindigd wordt. Weliswaar geschiedt het zoo, dat men zelf niets er van ziet. Men beschuldigt zich eerder van het tegendeel, enz." (Leiddraad voor het ware onderzoek van ons zelf", blz. 27). En toch is er alles.
Kohlbrügge weet niets van een' heiligmaking van den mensch uit zich zelf, uit zijn eigen bedoeling en kracht, uit zijn wil, uit de Wet, zooals het vleesch haar verstaat, niets van een heiligmaking ook van den vernieuwden mensch, zoodat hij van stap tot stap verder komt, tot hij eindelijk het doel heeft bereikt. Dat noemt hij alles vleeschelijke heiligmaking.
„Met het jagen naar zulk een heiligmaking ziet het er daarom ook heel bijzonder uit. Men begint met matigheid en men eindigt in dronkenschap. Men begint met zich vol des Heiligen Geestes te wanen en men eindigt er mede, dat men vol wordt van sterken drank. Jarenlang heeft men de reputatie kuisch te zijn, en ten langen leste breekt het uit in echtbreuk en hoererij. Jarenlang heeft men de naam eerlijk te zijn, en het blijkt tenslotte, dat men de huizen der weduwen en weezen heeft opgegeten. En dan wordt er gewoonlijk door alle menschen gezegd : Hebt ge dat van hem gehoord ? Neen, dat had ik niet van hem gedacht ! En gij wilt niet zien, o mensch, dat het slechts de geschiedenis van uw eigen heiligmaking is, en dat gij morgen hetzelfde zult doen. Het moet in het begin alles volkomen heilig, 'heilig zijn, en ten slotte durft ge alles te doen, zoodra ge iets in het oog gevat hebt, wat geheel passend is voor uw lusten". (20 . Predicaties, gehouden in 1846, blz. 175).
De groote vraag blijft bestaan, ook na de rechtvaardigmaking : hoe ben ik in overeenstemming met Gods wet, hoe is aan mij de vrucht des Geestes te vinden ? En dan wijst Kohlbrugge op den koninklijken weg der Schrift, die den mensch na de rechtvaardigmaking weer niet op zich zelf terugwerpt, maar hem werpt in de zee van Gods erbarmende liefde. Dat is de heiligmaking des Geestes.
„Wat de heiligmaking des Geestes betreft; zij is een werk van God den Heiligen Geest. Zij neemt haar begin direct bij de bekeering, gaat gedurende het geheele leven voort en verheerlijkt zich het meest in nood en dood. Zij wijkt niet van Christus af, zooals de vleeschelijke heiligmaking ; het is een werking van het geloof en de liefde. Zoo blijft zij met de ware wijnstok verbonden, heeft geen zelfzuchtige bedoelingen, maar kent niets dan Gods wil, gebod en Wet. Zij heeft de ware gezindheid en wantrouwt zich toch voortdurend, of zij die bezit. Zij weet niets er van, dat zij dankbaar is ; zij beschuldigt zich zelfs van ondankbaarheid ; zij wil dankbaar zijn en kan het niet ; zij wil in waarheid heilig zijn, maar vermag niets, en zij smeekt God, dat haar geheele leven den Heere mag gewijd zijn. Doordat zoo alles wordt uitgestort voor den Heere, wordt het rein gemaakt zijn en het heilig verklaard zijn in Zijn bloed en in Zijn Geest aangenomen". (Leiddraad tot het ware onderzoek van ons zelf, blz. 26, vergelijk 20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 211 en 192, Licht und Recht, deel 12, blz. 86).
„Het heilig gemaakt zijn bestaat daarin, dat men, wanneer het waarlijk er om gaat, dat de vrucht des Geestes bij zoo iemand gevonden wordt, en men verlost is van zijn zonden, dat men dan in weerwil van alle gevoel van zijn groote en zware zondennood. ondanks alle macht en dreiging van 't zichtbare, ondanks de schijn, dat men steeds dieper wegzinkt, de genade niet opgeve, maar zich heel sterk daaraan vast houdt, midden in zijn verlorenheid en zijn wegzinken. Men houde zich vast aan het geloof, zonder handen, men zie steeds op Christus aan de rechterhand dés Vaders, zonder oogen, men blijve gaan op den goeden weg van Christus' verlossing, steeds voorwaarts, zonder voeten, dan zal men zijn vrucht hebben, heilig gemaakt zijn en het einde van zijn geloofsstrijd, het eeuwige leven, verkrijgen. (Hebr. 12 vs. 14)." (20 Predicaties, gehouden in 1846, blz. 176, vergelijk Licht und Recht, deel 5, blz. 69).
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's