MEDITATIE
EEN BIDDER
„..... want zie, hij bidt". Hand. 9 vers 11.
Daar was, lezer, een wonder gebeurd, een wonder van Gods genade, een wonder van Gods almacht, de wolf is in een lam veranderd, de vervolger in een volgeling, „want zie, hij bidt".
Gij weet toch wie hier wordt bedoeld ? 't Is Saulus van Tarsen, die er een welbehagen in gehad had, toen men Stefanus had gesteenigd.
't Is Saulus, die dreiging en moord geblazen had tegen de discipelen des Heeren.
't Is Saulus, die nog maar enkele dagen geleden vol haat tegen den Christus en de Zijnen, naar Damascus was gegaan om, indien hij er daar vond, 't zij dan mannen of vrouwen, gevangen te nemen en gevankelijk naar Jeruzalem te brengen.
Welnu, die zelfde man bidt. Is dat dan zoo'n wonder ? — zult ge vragen.
Ja, lezer, dat is en blijft een wonder. Maar, zult ge zeggen, die man zal toch wel meer gebeden hebben ?
O ja, maar zóó toch nooit. Of het moet dan wezen drie dagen tevoren, toen hij ter aarde was geworpen en had uitgeroepen: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? " Ja, hij had wel meer gebeden. Wat denkt ge ? Hij zegt later zelf, dat hij naar de nauwgezetste sekte van hun godsdienst als een Parizeer geleefd had. Zeer nauw geleefd. En natuurlijk gebeden. Dat zal Gamaliel, zijn groote leermeester, hem wel geleerd hebben. Ja, hij zal zelfs veel gebeden hebben, want dat konden die Farizeërs : bidden. Ze stonden zelfs te bidden te midden van het drukke verkeer op de hoeken der smalle Oostersche straten, waar steeds veel menschen passeerden. En ook wel binnenshuis, want ze bezochten de weduwen en weezen en konden daar o zoo lang zitten bidden. Is het dan zoo'n wonder, zult ge zeggen, dat van Saulus, dien Parizeer, gezegd wordt: „ want zie, hij bidt".
Ja, waarde lezer, nog eens, het is een wonder, een wonder van Gods genade, een wonder van Gods almacht. Want ja, die man had tevoren wel zoogenaamd gebeden, maar nooit in waarheid gebeden. Want dat bidden der Farizeërs was, naar Jezus' woord, een bidden om van de menschen gezien te worden. En dat bidden bij het bezoeken der weduwen was om haar huizen op te eten. Zoo was hun bidden. En zoo zal ook het bidden van dezen Saulus wel geweest zijn. Hoogstens met de gedachte, Gode er een dienst mee te bewijzen, zooals hij ook dacht Gode een dienst te bewijzen met het vervolgen der Gemeente van Christus.
Maar nu. Als een blinde was hij na zijn neerwerping, van menschen geleid naar zekeren Judas, die in de straat genaamd „de Rechte", woonde.
Van menschen geleid ? Neen, hij was van den Heere geleid. De Heere was bezig door Zijn Heiligen Geest hem af te brengen van die kromme wegen en straten, die hem recht schenen en te brengen op dien „Rechten" weg, in die Rechte Straat, , waar zelfs de dwazen niet dwalen kunnen.
Maar die weg is hem nog lang niet récht. Hij wil en kan geen eten of drinken nuttigen, zijn tranen zijn hem tot spijze dag en nacht. O hoe zal hij geweend hebben in dien donkeren nacht, geweend, omdat hij Jezus en Zijn Gemeente zoozeer vervolgd had. Hoe zal het hem gepijnigd hebben, als hij bedacht, dat hij het bloed van dien eersten martelaar, Stefanus, met zooveel welbehagen had zien vloeien.
En nu had hij daar op den weg het licht des Heeren gezien, maar dat licht had hem verblind. Gods opzoekende liefde was hem voorgekomen, maar hij kon die genade niet aannemen. O, wat zal het hem daar bang en benauwd zijn geweest. En nu had de Heere hem toch gezegd, dat hij in de stad zou vernemen, wat hij doen moest. En nu wachtte hij al drie dagen en nog steeds had hij geen boodschap ontvangen. Zou de Heere hem nu troosteloos en blind laten als een rechtvaardige straf op zijn zonden? Hij, die gevangen zou nemen beide mannen en vrouwen, hij is nu zelf de gevangene, gevangene van den Heere der Heeren en den Koning der Koningen ; hij is nu zelf de gebondene door den Heiligen Geest. Is dat dan geen wonder van Gods almacht, een wonder van Zijn genade ?
En nu zegt de Heere zelf van hem : „zie hij bidt". En omdat de Heere het zegt, is het ook waar, hoe wonderbaarlijk ook. Is het dan wonder dat Ananias, tot wien de Heere deze boodschap brengt, het eerst niet kan gelooven ? Want hij kent dien Saulus wel, hij weet hoeveel kwaad hij reeds onder de Gemeente verricht had. En nu die man bidden ? En toch is het waar, want de Heere zegt het. Want dat is een groot verschil, lezer, of de menschen van ons zeggen en zien dat we bidden, of dat de Heere dat ziet en zegt.
Bidden, o wat wordt er dagelijks gebeden. Wat een gebeden worden er opgezegd. Bij eten en drinken, bij opstaan en slapen gaan, in vergaderingen en in de samenkomsten der Gemeenten. Ja, zie daar ook op den Rustdag de opgekomen schare met den voorganger bidden. Is dat bidden? Ziet de Heere het als bidden? Zal de Heere daarvan zeggen : „zie, hij of zij bidt" ? Vraag dat u zelf eens af, ook als ge op den aanstaanden Rustdag verkeert in het huis des „Gebeds". Vraag dat u zelf eens af, als ge ook in uw woning bidt. Is dat bidden ? Is dat bidden, zooals Saulus dat deed daar in de „Rechte Straat" ten huize van Judas? Of is het bidden zooals Saulus dat deed vóórdien als leerling van den grooten Gamaliel? Correct, nauwgezet, nooit overslaan, maar geen verootmoediging voor Gods aangezicht vanwege de menigvuldige zonden ? Of is uw bidden misschien nog minder dan dat van den Parizeer Saulus, misschien wel machinaal, gedachteloos, niet eens rekenschap gevend van de woorden die gepreveld worden.
En wat zal Saulus dan daar in die „Rechte Straat" wel gebeden hebben? We weten het niet, omdat het ons met zooveel woorden niet wordt medegedeeld. Maar dit weten we wel, dit zal bij zijn bidden de overlegging zijns harten zijn geweest: hoe zal ik mijn oogen, die als een rechtvaardige straf verblind zijn, hoe zal ik die oogen durven opheffen tot Hem, dien heiligen, rechtvaardigen God ? Hoe zal ik mijn handen, die met vreugde bereid waren om ze te grijpen, die tot de Gemeente van Jezus Christus behooren, hoe zal ik die handen durven uitstrekken tot de aanspraakplaats van Gods heiligheid ? Hoe zal ik de voeten, die snel waren om bloed te vergieten, op dien weg durven zetten?
Hoe ? Zal hij dan vluchten ? Maar waar dan heen ? Het zal ook bij hem met den dichter zijn geweest:
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, zoodat mijn dood voor oogen scheen En alle hoop mij gansch ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
En toch: „zie, hij bidt". De Heere zelf zegt het. Ja, hij bidt. Als hij het zelf niet kan en niet durft, hij de grootste der zondaren, dan zal de Geest voor hem bidden met onuitsprekelijke verzuchtingen. En het zal uit het geprangde gemoed zijn opgeklommen.
Verzoen de zware schuld. Die ons met schrik vervult, Bewijs ons eens genade.
Kent gij dat bidden, waarde lezer ? Hebt ge daartoe heel uw Farizeërschap, heel uw gerechtigheid aan scherven zien vallen ? En leeren bukken onder uw zonden, met de wetenschap, dat ge met alles wat ge meendet te bezitten, nog straatarm zijt ? Hebt ge u zelf leeren zien in uw ware gedaante, u zelf aanschouwend in de spiegel van Gods Heilige Wet ? Heeft de Heere u ook verblind met het licht van Zijn onkreukbare deugden ? Heeft Hij uw zonden gesteld in het licht van Zijn aanschijn, zoodat het bij u is : schuldig, schuldig en nog eens schuldig ? O, dan zal ook op Gods tijd het wonder geschieden. Hoewel in dien weg ontmoetend de majesteit en het recht des Heeren, zal het toch zijn : bidden, zal de Heere zelf getuigen : zie, hij of zij bidt, al is het maar met een enkele zucht, een enkele traan, een enkel woord: genade.
Zegt ge misschien in bekommernis des harten : kan dat, mag dat ? Ja, dat kan, dat mag. Omdat er een Middelaar, een Voorbidder, een Groote Hoogepriester is, de Heere Jezus Christus. Jezus, die door Saulus vervolgd werd. Jezus, dien ook gij vervolgd hebt, van Wien ook gij hebt uitgeroepen : kruist Hem. Dien ook gij geminacht hebt. Wiens Woord gij versmaad hebt. O, moet ge niet uitroepen : Heere, niet waardig dat 'Gij nog naar mij zoudt omzien ?
In dien Christus, door Zijn gadeloos offer, gebracht aan het kruis van Golgotha, een weg, een versche en levende weg tot den troon der genade. En in en om dien Christus is de Heere een verhoorder des gebeds. Zie het maar bij dezen bidder. Want als Ananias gehoorzaamt het bevel des Heeren en zich begeeft naar de Rechte Straat, naar het huis van Judas, dan twijfelt Saulus er niet aan, dat is de man, die hem zeggen zal wat hij doen moet. Hij gevoelt een zachte hand op het gebogen hoofd, zijn oogen worden geopend. Maar o wonder, hij is niet alleen genezen van zijn lichamelijke, maar ook van zijn geestelijke blindheid. Hij staat op en zal aanstonds in den doop het zegel van Gods genade en trouw jegens hem ontvangen. Hoe is zijn hart vervuld met vroolijkheid, ja, nu kan hij weer spijze nuttigen. Paulus mag gelooven dat het bloed van Jezus Christus ook hem gereinigd heeft van alle zonden. En straks ga; at hij dien Christus, Die hem nu zoo dierbaar was geworden, in de synagogen verkondigen.
En als hij daarna nog vele jaren met het zwaard des Geestes gestreden heeft en er door zijn prediking als een middel in Gods hand vele mannen en vrouwen gebonden, „gearresteerd" waren, mag deze bidder, als de strijd gestreden is, de loop geëindigd en het geloof behouden, mag deze bidder ontvangen de kroon der rechtvaardigheid, die voor hem was weggelegd, ja mag hij gaan naar de woning Gods hierboven om daar van een bidder een aanbidder te worden en tê loven en te prijzen tot in eeuwigheid den drieëenigen God voor de genade, hem den grootsten der zondaren bewezen.
Zult ook gij dat, lezer ? Het antwoord daarop zal afhangen van het antwoord op een andere vraag, n.l. deze: of gij reeds leerdet bidden. En dan niet, of de menschen u zien of hooren bidden, o neen, dat legt geen gewicht in de schaal. Dat hadden de menschen misschien vroeger van Saulus ook wel gezien en gehoord in het volle publiek en op de hoeken der straten. Maar de Heere zag het niet aan. Doch in dat huis van Judas, daar in de „Rechte Straat" in Damascus, daar was niemand getuige van zijn bidden, geen mensch zag het, het geschiedde in het verborgene, in de binnenkamer. Maar de Heere zag het, de Heere zag het als bidden. En wat zal de Heere van u zeggen ? Zal hij zeggen in tegenstelling van Paulus : „zie, hij of zij bidt niet, bidt nooit" ? O, dat het dan nog komen mag tot bidden aleer het voor eeuwig te laat is en het roepen zal zijn als een nooit verhoorde bede : Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons voor het aangezicht des Heeren.
Gelukkig zijt ge, lezer, als ge het ware bidden mocht leeren op de school des Geestes, waar het alleen te leeren is. Misschien op veld of akker, of in uw werkplaats of op uw kantoor of studeervertrek. Bidden, dat de menschen niet behoeven te weten, maar bidden waarvan de Heere zelf zegt: zie, hij of zij bidt. Gelukkig, want dan is er hoop.
Ananias heeft reeds lang het tijdelijke met het eeuwige verwisseld en juicht reeds voor den troon met Paulus. Maar de Heere heeft nog wel andere boodschappers om tot zulke bidders te zenden en het goede te boodschappen en van vrede te spreken, en anders. Hij is toch ook de Machtige om onmiddellijk een blinde ziende te maken en het oog der ziel te ontsluiten voor den onnaspeurlijken rijkdom der genade in Christus Jezus. Maar op Zijn tijd. Saulus moest drie dagen wachten.
Hoelang gij, bidder, zult moeten wachten, we weten het niet. De Heere weet het alleen. Maar als de Heere komt pas na drie dagen of drie weken of drie jaren, het zal toch zijn en blijven een wonder, een wonder van Gods genade.
En dat uw leven, kind van God, steeds meer moge zijn een biddend leven, bedenkend, zooals de Catechismus zegt, dat het gebed het voornaamste stuk der dankbaarheid is. En dat het daarom maar veel mag zijn met den dichter:
Mijn hart zegt mij, o Heer', van Uwentwegen:
„Zoek door geheên met ernst mijn aangezicht" ;
Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen.
Alleen bij U, o Bron van troost en licht.
Bergschenhoek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's