De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET DOOPSFORMULIER

10 minuten leestijd

De veronderstelde wedergeboorte.
HOOFDSTUK V.
Thans is ons nog overgebleven uit de geschriften der reformatoren en uit onze belijdenisgeschriften, die wij in verband met deze kwestie gehoord hebben, aan te geven, welke de zin is van het geheiligd zijn in Christus Jezus, zooals die uitdrukking in de eerste vraag van het doopsformulier voorkomt.
Onmiddellijk geven wij dan toe, dat die eerste vraag niet individualistisch verstaan mag worden. Het zijn niet bepaalde kinderen, die in zonden ontvangen en geboren zijn, geen kinderen van een ontuchtige vader of moeder, geen kinderen van dieven en moordenaren of althans menschen, die om het een of andere schelmstuk in de gevangenis hebben gezeten en die daardoor onderscheiden kunnen worden van kinderen, die beter zijn en minder bedorven; neen, het zijn onze kinderen, de kinderen van hen, uit wie de Gemeente Gods bestaat, die hier verklaard worden in zonden ontvangen en geboren te zijn ; zij zijn allen gelijk, omdat de band met den eersten Adam hen verbindt en deswege zijn zij aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis onderworpen. Maar op dezelfde wijs kan gezegd worden, dat het geen bepaalde kinderen zijn, die in Christus geheiligd zijn, kinderen van ouders b.v., die zich in de gemeente door een bizondere godsvrucht onderscheiden hebben; neen, het zijn de kinderen der gemeente, die hier verklaard worden in Christus geheiligd te zijn. Het zij in de vraag „of gij niet bekent dat zij in Christus geheiligd zijn" slaat duidelijk terug op „onze kinderen"; van deze onze kinderen wordt verklaard, dat zij in Christus geheiligd zijn en het formulier licht dit nader toe, als het gewaagt van de belofte, aan Abraham eens gegeven en op grond daarvan durft te spreken : „gelijk God spreekt tot Abraham, den vader aller geloovigen en overzulks mede tot ons en onze kinderen".
Uit deze laatste woorden blijkt zonneklaar, dat onze kinderen de kinderen der Gemeente zijn, die met het zaad Abrahams gelijk staan en aan wie de belofte toekomt. Dat wil dus zeggen, dat iemand, die zijn kinderen laat doopen, nooit denken mag, dat zijn kinderen dit voorrecht toekomt in onderscheiding van andere kinderen ; anders uitgedrukt, dat zoo iemand nimmer meenen mag, dat om de een of andere kwaliteit, die hij bezit, zijn kinderen van andere kinderen onderscheiden zijn. Als mijn kinderen gedoopt worden, worden ze alleen gedoopt, omdat zij mede begrepen zijn in het zaad der gemeente, want God zegt niet tot Abraham : Ik richt mijn verbond op tusschen. Mij en u en enkele kinderen van u, maar tusschen Mij en u en uw zaad na u in hunne geslachten.
Wie in dezen zin van de totaliteitsgedachte gewaagt, doet dat met eenig recht, al kan ik het woord als zoodanig niet gelukkig vinden, maar wie deze uitdrukking gebruikt om een deel der kinderen te kunnen buiten sluiten en zegt, dat slechts het geheel der uitverkoren kinderen als het ware zaad der gemeente verklaard wordt in Christus geheiligd te zijn, doet den zin der woorden blijkens het verband geweld aan, afgezien nog van het feit, dat een dergelijke gedachte door Calvijn in zijn Institutie ten sterkste veroordeeld wordt.
Onder het volk van Israël bleken later velen, niettegenstaande hun besnijdenis, goddeloozen te zijn; ja, soms week het gansche volk af van de wegen des Heeren, maar de profeten hebben nooit gezegd, dat de besnijdenis hun eigenlijk niet toekwam en dat zij niet in het verbond met God begrepen waren, wijl dit toch alleen den, uitverkorenen toekwam. Integendeel, juist omdat zij in het verbond waren en besneden werden, juist daarom hebben de profeten hen met des te meer ernst tot bekeering opgeroepen, opdat de verbondswraak hen niet treffen zou. „Uit alle geslachten des aardrijks heb Ik ulieden alleen gekend; (dat is de genade, dat God zijn verbond met hen heeft aangegaan) ; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken" (dit woord spreekt van de wrake des verbonds, wijl van hem, dien meer gegeven is, ook meer geëischt zal worden). «
Omdat het formulier den kinderdoop geheel baseert op het verbond der genade en op de belofte, aan Abraham en zijn zaad gegeven, is met zekerheid vast te stellen, dat dit geheiligd zijn in Christus, waarvan in de eerste vraag sprake is, ook met het verbond samenhangt. Dit wordt nader bevestigd door wat we lezen in de Dordtsche leerregels I. 17 : „Nademaal wij van den wil Gods uit Zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouders begrepen zijn, " Heilig niet van nature, want van nature zijn zij kinderen des toorns. In zonden ontvangen en geboren, maar heilig uit kracht van het genadeverbond. En ook hier geldt dit heilig de kinderen der geloovigen, niet enkele, maar de kinderen als zoodanig.
Wat verstonden de reformatoren onder dit heilig zijn uit kracht van het verbond, onder dit geheiligd zijn in Christus Jezus? Allereerst een heiligheid, die hun als een genade van God toekomt, want allerduidelijkst is, dat zij deze heiligheid van zich zelf, van nature niet bezitten. Zoodat hieruit blijkt, dat het God is, die ze geheiligd heeft. Er is dus geen sprake van een daad der ouders of der gemeente, waardoor deze kinderen Gode gewijd en geheiligd zijn geworden, maar God moet hier gezien, als diegene, die ze geheiligd heeft.
Wie nu Calvijn leest, wie zijn doopsformulier leest en het onze, dien is het klaar, dat deze daad der heiliging, waarmede God de kinderen geheiligd heeft, daarin bestaat, dat God de Heere die kinderen van het geslacht van den eersten Adam heeft afgezonderd en als Zijn kinderen heeft aangenornen. ledere keer opnieuw verklaart Calvijn, dat God onze kinderen zoo groote genade bewijst, dat Hij ze tot Zijn kinderen heeft aangenomen en ze tot Zijn volk rekent te behooren. Op dien grond zegt ook ons doopsformulier, dat tri" dezen zuiver Calvijns gedachtegang Weergeeft, van onze kinderen: „aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn en alzoo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden".
Wij zijn het dus niet, die onze kinderen afzonderen van de kinderen der ongeloovigen, maar God doet zulks uit kracht van Zijn verbondstrouw en deze afzondering, waarmede God het zaad der gemeente afzondert van de kinderen der ongeloovigen en onder Zijn volk en in Zijn huisgezin opneemt, is de heiliging, waarmede zij geheiligd zijn. Het is een daad van bizondere genade, die opkomt uit Zijn genade in Christus Jezus en die daarom niet gedacht kan worden zonder en buiten Christus, gelijk trouwens ook de gemeente niet zonder en buiten Christus staat. Daarom geheiligd in Christus Jezus, zooals het formulier elders zegt, „in Christus tot genade aangenomen".
Wanneer men de reformatoren en de belijdenisgeschriften uit die dagen leest, bemerkt men, hoe onze vaderen zich verbaasd hebben over de groote genade, die God ook onze kinderen bewijzen wil, want door ongeloof hebben zij niet getwijfeld aan Gods beloften maar, door het geloof deze omhelzende, verheugden zij zich met groote vreugde daarover. In den Catechismus van de Londensche kruisgemeente zegt de christen op de vraag : Wat leert gij dan in uw doop aanmerken ? : „Die groote en onuitsprekelijke genade des Vaders ten opzichte van mij door Christus, door welke Hij mij in mijn kindsheid buiten mijn verdienste van zonden reinigende, door het getuigenis des doops tot Zijn kind aangenomen heeft". Niet de vraag, waarvoor wij onze kinderen hebben te houden, was voor hen de eerste, maar de vraag, hoe God tegenover hen staat. En dan was dit volgens den Embdenschen Catechismus hun tot groote vreugde, te mogen gelooven, dat God ze tot kinderen heeft aangenomen en dat ze van God voor boetvaardig, geloovig en heilig gerekend worden. En waarlijk, dat is meef waard, dat God ze als boetvaardig en geloovig en heilig wil rekenen, dan dat wij ze houden voor wedergeborenen.
Er is echter een geslacht daarna opgestaan, dat deze beloften Gods, die ons in den doop verzegeld worden, van weinig waarde acht. Is het door ongeloof ? Ik weet het niet, maar wel blijkt, dat zij meer en meer deze rijke genade Gods tot een uitwendige genade gestempeld hebben om daartegenover te roemen in de inwendige genade, die in het hart geplant is. Dit getuigt zeker van groote ondankbaarheid en van een geringschatting van de waarde van Gods beloften. Daarom is de inzinking des geloofs groot geweest. De christenen uit den Hervormingstijd hebben door het geloof geroemd van Gods groote genade in Christus Jezus, in wien hun alles wat tot het leven en de godzaligheid noodig is, geschonken was, maar de christenen van later eeuw, die zich in hoofdzaak bekommerden om de inwendige genade, hebben steeds weer angstig hun hart onderzocht, of de genade Gods daar wel geplant was en of de genade, die daar openbaar werd en het geloof, wel echte genade en waar geloof was.
Nooit zal men den zin, de waarde en de kracht van den doop weer leeren kennen, wanneer men niet opnieuw terugkeert tot de erkentenis, dat nooit rijker erfgoed ons kan ten deel vallen dan hetwelk in de beloften van Gods genade gelegen is. Dat onze kinderen erfgenamen zijn van dit heilgoed, is een ondoorgrondelijke beschikking van Gods genade. Bij deze erkentenis durft men ten opzichte van de heiliging in Christus uit de eerste vraag niet meer te spreken van „slechts een uitwendige verbondsheiligheid", wijl men een dergelijke uitdrukking aanvoelt als een smaad, aan God en Zijn genade aangedaan, als Hij in den doop verklaart ons zaad tot Zijn kinderen aan te nemen, hen niet te willen aanzien in den eersten Adam, uit wien zij gesproten zijn, maar hen in Christus voor boetvaardig, geloovig en heilig te willen rekenen, ook al kunnen ze hun zonden nog niet boetvaardig belijden en geloovig daarmede tot Christus vlieden.
Geheiligd zijn in Christus Jezus wil dus zeggen van God in Christus tot kind aangenomen zijn, opgenomen onder het volk van God, ingelijfd in Zijn Gemeente. Zoo wordt de zin van de vraag duidelijk : „of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten Zijner gemeente behooren gedoopt te wezen ? " Dit daarom wijst aan, dat het lidmaatschap der gemeente besloten ligt in het geheiligd zijn in Christus Jezus, terwijl uit het een en het ander de wettigheid van hun doop als van zelf voortvloeit.
Echter zij, die het begrepen zijn in het verbond en het opgenomen zijn onder Gods volk van Godswege voor een uitwendige genade hebben verklaard en de heiligheid, die daarin besloten ligt, een uitwendige verbondsheiligheid durven noemen, aarzelen evenmin om het lidmaat zijn van Christus' gemeente eveneens tot een uitwendig iets te verklaren, men moge ze dan een uitwendig lid van die gemeente noemen of een lid van de uitwendige kerk. De goddelooze scheiding, die men met de onderscheiding uitwendig-inwendig over heel de linie tracht door te voeren, slaat Gods werk stuk, want men rukt daarmede uit elkander, wat God heeft samengevoegd en ontneemt aan het Woord en het sacrament evengoed als aan de zichtbare Kerk alle waarde en beteekenis. Hoe klaarder men deze dingen leert zien, hoe beter men begrijpen kan, dat Luther het ten slotte niet langer op de Wartburg heeft kunnen uithouden, maar naar Wittenberg is gesneld om de geestdrijvers, die precies hetzelfde deden, den mond te stoppen.
O. a. d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's