De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HET HEDEN DER GENADE

13 minuten leestijd

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: de ure komt, en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven. Johannes 5 vers 25.

Daar hebben we allen van onze jeugd aan van gehoord, nietwaar ? Hoe menigmaal is ons niet gezegd en gepredikt, dat we in het heden der genade leven ! Zoo is het naar de Schriften, ja naar het eigen Woord uit den mond van den Heere Christus. Wanneer ge u maar een weinig over de boven aangehaalde Woorden heenbuigt, kan het tot u spreken, dat Jezus deze zaak bijzonder op het hart bindt. Hij heeft het als in eedzweren opgebonden, dat we den tijd, waarin we leven, als zoodanig zouden aanmerken.
Eigenlijk zegt ons het enkele feit, dat we onder de bedeeling van het Evangelie der genade leven, meer dan voldoende, dat de dag dezer wereld de dag is, waarin we bedenken moeten, dat het de welaangename dag, de dag des heils is. Iemand heeft hem eens bestempeld met den naam „bedenktijd". Het is eigenlijk dit: we hebben, zoolang we op deze aarde zijn, nog gelegenheid ons tot God te bekeeren niet alleen, maar de Heere Heere roept daarbij zoo sterk mogelijk toe: heden, in dezen dag, bedenk wat tot uwen vrede dient! Door het Woord uit Christus' mond, hierboven neergeschreven, wordt dit wel zeer sterk vastgelegd. We zouden al wel direct kunnen zeggen : Jezus roept hier toe, dat deze onze dag de dag des welbehagens is. En dan alle nadruk op dat „de".
Hoe we ons ook tegenover dit getuigenis van den Christus Gods plaatsen, het getuigt van alle zijden, dat we voor het aangezicht des Heeren in een zeer ernstig gemeenden tijd des welbehagens leven. Ik weet wel, wanneer we op 't huidige oogenblik de wereld inblikken, dan lijkt het wel of we in den dag van den schrikkelijken toorn Gods zijn. Op alle gebied is het een bange tijd, met name zeker op het gebied van het godsdienstig geestelijk leven. Wat een afval van God en Zijn Woord, wat een brieschende vijandschap tegen God en al wat naar God genaamd is. Hoe groot een macht is de godloozenbeweging al niet geworden. En nu heeft zij haar „plan" voor het komende jaar, waarin de honderd procent moet gehaald. De geest van den antichrist, van den mensch der zonde, openbaart zich wel reeds sterk. En zouden we dan niet moeten denken, dat thans eigen­ lijk geen andere roep moest uitgaan, dan de roep van het wee! wee!
Toch houden we vol: we leven in het heden der genade. Zooals Jezus van Zichzelf getuigde „moest de Christus niet al deze dingen lijden en alzóó tot Zijne heerlijkheid ingaan ? ", zoo kunnen we ook van al het donker dezer dagen zeggen : deze dingen moeten zijn, maar God, vergeet nochtans niet genadig te zijn. Jezus heeft toch ook gezegd, dat het Evangelie Zijns Koninkrijks gepredikt zal worden tot aan den jongsten dag. En waar het Woord des Konings is, daar is heerschappij. En die heerschappij houdt in, dat er getrokken worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.
Trouwens, dit is niet de genade van onzen tijd naar het Woord van Jezus, dat het uiterlijk met de menschen wel zal zijn en dat alles vanzelf goed loopt of goed komt. Verre van dien. De genade van onzen dag is, dat „dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods". En hierin is onze welaangename dag juist zoo treffend geteekend. Zóó wordt 't ons zeer duidelijk voorgesteld, dat het goede van dit heden der genade niet in den mensch te vinden is uit en van zichzelf, doch enkel in de goedertierenheid Gods, dat Hij nog laat zijn onder de beademing van het Evangelie des Kruises. Van zichzelf verkeert de mensch in een schrikkelijken jammer staat. Het wordt door den een en den ander wel eens gezegd, dat de mensch dood is. De apostel Paulus noemt hem dood in de zonden en de misdaden. Jezus Zelf noemt hem hier dood. Ieder weet wel, wat schrikkelijke staat daarmede aangewezen wordt. Afgesneden van het leven en alleen werk der ontbinding tot het verderf. En dan hoor ik dezen en genen al zeggen: juist, zóó is het, dood en doodbrakende. Het kan tenslotte niet zóó vreeselijk voorgesteld of het is nog vreeselijker. We zouden er toe willen doen : zóó is het zeer zeker. We zouden er evenwel meteen met alle nadruk bij willen voegen : Maar' luister dan nu goed naar den grooten Profeet Christus, zooals Hij hier zegt, dat de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods en dat het daarvoor van den dag van Christus af de tijd is. Van nu aan, zegt Jezus, en Hij zegt het met een „voorwaar, voorwaar", zal het wonder geschieden, dat de stem des Zoons Gods door „dooden" zal worden gehoord. Meer dan we onder woorden kunnen uitdrukken, voelen we daarin aan, dat Jezus zeggen wil: die wondertijd is nu en komt nu, die wondertijd zal van nu voortaan de tijd der wereld zijn, die wondertijd is nu bij u, die in November negentienhonderd zeven en dertig leeft, daarvoor en daarna.
Hebt ge u dit al wel eens goed ingedacht ? Ach, we denken veel meer over en rondom de dingen, dan dat we er recht in komen. Praten over, dat kunnen we, dat kunnen we menigmaal zelfs zeer woordenrijk, maar indenken, daar komen we zoo weinig toe. En dat mocht toch wel meer. \vel zeer véél gebeuren, want ge moet toch bedenken: Het zal wat wezen als we dezen welaangenamen dag niet recht hebben gebruikt. Dat God ons zulk een tijd schonk, wat moet dat in het onbekeerd sterven het oordeel onnoemelijk verzwaren !
Dat we daarom luisteren naar den apostel, die maant, dat we den tijd uit zullen koopen, dewijl de dagen boos zijn. En dat we dan begrijpen, dat dit uitkoopen van den tijd met name omlijnd wordt in het naarstig onderzoeken der Schriften, in het ernstig bestudeeren der Waarheid Gods, in het geregeld zich stellen onder de leer, welke naar de Godzaligheid is, dus de catechisatiën niet verzuimen, en zeer zeker in het trouw komen onder de prediking des Woords. Zóó aan den eenen kant, den lijdelijken kant. Er is ook een leidende zijde. De Heere heeft ook opgedragen het Evangelie te prediken, Zijne getuigen te zijn. Hij heeft Zijne Schriften door den Apostel laten noemen als nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed wetk volmaaktelijk toegerust.
De Christus Gods heeft deze dingen immers in ons tekstwoord zeer nauw verbonden aan den welaangenamen dag der genade. Of ligt dit niet ten volle besloten in Zijn spreken, dat de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods? Paulus predikt: het geloof is uit het gehoor. Het oor moet dus te luisteren gelegd. Hij predikt ook : Hoe zullen ze hooren zonder die hun predikt ? Het getuigenis moet dus uitgaan. De Waarheid moet verbreid en verdedigd worden. En dan ten volle de Waarheid Gods. Niet onze Waarheid. Niet wat wij er van maken. Ten volle wat de Heere door Zijn Woord spreekt. Tot dé Wet en tot de Getuigenis, zoo ze niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad zullen hebben. Hoe zullen' ze prediken, indien ze niet gezonden worden ? Het moet dus ten volle zóó wezen, dat zij, die prediken en getuigen, echt gezanten van Christus' wege zijn. Zelf heeft Hij immers gezegd : Zoo wat ge van Mij. gehoord zult hebben, dat zult ge spreken. In dit heden der genade zal niet gehoord worden de stem van een profeet, een apostel, een evangelist, een herder en leeraar, een onderwijzer, een geloovige, doch de stem des Zoons Gods. Het Evangelie van Jezus Christus moet doorgegeven. En als dit gewillig gedaan wordt, dan zal het zijn, zooals de Meester gezegd heeft: gij zijt het niet, die spreekt. Ik ben het.
Dat we in deze verwarde tijden, waarin het humanisme zoozeer hoogtij viert, en dat niet alleen in de wereld, doch ook in de Kerk, toch ernstig letten op wat Jezus van het heden der genade zegt, sprekend van het hooren der stem des Zoons Gods. Er moet in ons iets leven van den Psalmist, die sprak : Ik zal hooren wat God de Heere spreken zal. Hapert het daar niet veel aan ? Luisteren we maar niet al te veel naar wat de een en de ander te zeggen heeft, naar wat deze en die predikt. En in de prediking nu in één woord alles noemend van den Evangeliearbeid, brengen we niet al te veel eigen wijsheid, eigen inzicht, eigen meening, in plaats van de meening des Geestes. Dit alles even indenkend moeten we wel terugschrikken vanwege heit feit, dat we den kostelijken genadetijd welken de Heere ons bereid, zooveel verderven. De bede mag wel oprijzen, zoowel aan den leidenden als aan den lijdelijk en kant: Heere! open onze oogen, dat we aanschouwen de wonderen Uwer Wet! Ook: Heere! ontsluit ons hart, dat we hooren, wat de Geest tot de Gemeente zegt!
Werd er toch meer biddend geleefd tegenover het Evangelie in uitdragen en hooren! Ach, ik weet wel, dit kan ook niet, waar de dagorde schijnt ingesteld op schelden, lasteren en oordeelen. Wanneer men elkander vereet en verbijt, wordt men van elkander verteerd! Zou dit met name niet zijn gelegen in het feit, dat de Heere daar Zijn zegen inhoudt, den zegen van het hooren der stem des Zoons Gods ? In een wrevelig hart kan het gebed niet wonen en het gebed is toch de ademtocht des geestelijken levens. Dat we weer meer bidders en bidsters mochten worden, het zou medebrengen, dat ook meer werd gehoord: deez' en die is in Zion geboren. Er zou ook weer gejuich komen in de tenten der vromen, hoé donker de tijd ook wezen mag, want dan is ér nog een psalmen zingen in den nacht. Dat met name biddend gepredikt en getuigd mocht! Daar vallen we zelf weg en zóó is het de tijd, waarin de Heere spreekt. Dan dus ook de tijd, dat de stem des Heeren met macht zal zijn. Daar de vervulling, dat de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods. En nauw is daaraan vast: „en die ze gehoord hebben, zullen leven".
Het is een wonder van genade, dat dooden de stem des Zoons Gods mogen hooren. Door de zonde de dood. Den dood verdiend. En nu toch nog arbeid des Heeren opdat dooden leven zullen, opdat zondaren verlost worden. En daar is het den Heere ernst mede. Begrijpen we dan toch, dat de apostel terecht waarschuwt: hoe zullen we ontvlieden, indien we op zoo groot een. zaligheid geen acht geven. Nog eens : dat toch het heden der genade niet eenmaal tegen ons getuige! Dat in het gericht toch niet tegen ons opsta al de in den wind geslagen arbeid met het Evangelie der genade in Jezus Christus !
Wat een voorrecht nu evenwel, wanneer wij de stem des Zoons van God hebben mogen hooren ! Neen, 'we zeggen het anders, want zóó schijnt het ons maar al te dikwijls te hoog. Een voorrecht, het groote voorrecht, zoo zeggen we, wanneer de boodschap des Woords tot ons kwam als de stem des Heeren, wanneer we door het Woord Gods, door Wet en Evangelie onzen naam hoorden noemen. Wanneer wat door de Schriften tot ons kwam ons raakte, ons niet meer los liet. Want dan hoorden we de stem des Zoons van God. En dan zegt de Heere, en niet wij, dat die ze gehoord hebben, zullen leven. Ik zou willen toeroepen, willen toeroepen aan allen, die hebben leeren luisteren naar de sprake des Woords en zóó „werkzaam" werden voor het aangezicht des Heeren : Gelooft dit heil-en troostrijk Woord, verhardt u niet, maar laat u leiden. Het is toch zooveel, zoo alles zeggend een spreken van Jezus waar Hij aan het hooren van Zijn stem in de genademiddelen van den dag der genade leven verbindt. Leven, dus niet meer de dood, dus uit den dood geroepen tot het leven, tot het eeuwige leven. Het kan toch niet anders of Jezus ziet hier met dat „leven" op het leven, hetwelk Hij noemt wanneer Hij spreekt: „en Ik geef hun het eeuwige leven."
Ach, zegt nu niet: maar het gaat toch niet zoo gemakkelijk, of ook : maar er moet toch heel wat gekend tot zaligheid, of ach, er zijn „maars" te over. Al deze dingen weten we ook wel. Doch wat we u nu toe moeten roepen, omdat we van de Woorden van den Heere Christus niets af mogen doen, het is immers, dat Jezus, merk daar toch op, dat Jezus zegt: „en die ze gehoord hebben, zullen leven". Van dat spreken van Jezus mogen we niets af doen, we mogen er ook niets toe doen. Het staat vast als het eeuwig blijvend Woord, gesproken door den Rotssteen, Wiens werk volkomen is. Dan mag het dus al zijn, dat ge zegt: ach, ik ben zèo ongelukkig, want ik heb door het Woord verstaan, dat ik dood ben in de zonden en de misdaden, ik heb nu zulk een zwaren last in mijn zonden ; ik heb wel gehoord, dat er in Jezus' zoendood verlossing is, ik zucht nu gedurig : o God, wees mij zondaar genadig, doch er komt geen uitkomst. Hoe dit zij — we zouden zóó immers heel wat klachten kunnen opsommen — het Woord uit Christus' mond staat er en het staat vast en onherroepelijk : „die ze gehoord hebben, zullen leven."
Een en ander zegt u en mij, dat het niet uit zal, niet uit kan blijven, dat, als we acht hebben leeren geven op hetgeen gesproken werd uit en door de Schriften, het leven door zal breken, zoodat we met den apostel leeren zeggen : ik leef, doch niét meer ik, maar Christus Jezus leeft in mij. Of het vroeg zal zijn of laat, of het in dit leven zal zijn of bij het naderen van den dood, of na den dood, we weten het niet. Het Woord van Jezus zal echter vervuld worden, daar valt niets van op de aarde. Ik zou willen herinneren aan : Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Gelukkig, wie deze Woorden hier reeds gelooven mag, die amen mag zeggen op dit Getuigenis van den Christus Gods, die er op antwoorden mag : ik heb het gehoord: Daar is het met den Psalmist gewis : ik heb geloofd, daarom sprak ik. En dan zullen we toch zeker dit als de spraak van ons hart kennen:
'k Zal dan gedurig bij U zijn, In al mijn nooden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten. Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw Raad, O God, mijn Heil, mijn Toeverlaat, En mij, hiertoe door U bereid Opnemen in Uw heerlijkheid.

De Bilt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's