KERKELIJKE RONDSCHOUW
RADIO-KERKDIENSTEN
Zooals men weet, heeft de Chr. Gereform. Kerk tot nu toe bezwaar gehad tegen radiouitzending van kerkdiensten op Zondag. Men had geen bezwaar, om door de radio kerkdiensten uit te zenden op een avond in de week. Tegen de radio als zoodanig, verzette men zich niet. Maar om het op Zondag te doen, daar tegen rees het bezwaar, uit oorzake van het werk dat voor zoo'n radio-uitzending op Zondag moest worden verricht door de technische dienst van de Ned. Chr. Radio Vereeniging.
In onze Herv. Geref. kringen hoorden we óók wel eens van die bezwaren, maar vele Kerkeraden en vele Herv. Geref. predikanten stapten over die bezwaren heen, omdat het werk was, dat verricht werd in den „tempeldienst" en in 't belang van het werk, dat op den dag des Heeren geschieden moet om den dienst des Woords mogelijk te maken (verwarming van de kerk — denk aan de stovenverwarming van vroeger, waarvoor des Zondags in de vroegte in het „stookhok" heel wat werk moest verricht worden, om 's morgens om half tien de kerkgangers met een gloeiend kooltje ter verwarming der voeten te dienen — denk aan de verlichting van vroeger, met onze petroleumlampen, klokkenluiden, orgeltrappen enz. enz., — met al den kostersdienst enz.). Zoo stapten nu ook velen over de bezwaren van dezen Zondagsarbeid, in het belang van den dienst des Woords heen, en menige preek is 's Zondagsmorgens of 's Zondagsavonds door Herv. Gereform. predikanten uitgezonden.
Nu is het bezwaar inzake den Zondagsarbeid geheel vervallen. Want de houding van de Ned. Chr. Radio Vereeniging is zóó welwillend in alles, dat we er geen woorden van lof genoeg voor hebben. En om aan alle bezwaren tegemoet te komen, wordt des Zaterdags de installatie aangebracht en des Maandags weggenomen. En de financieele bezwaren, die vroeger de uitzending drukten, zijn óók opgeruimd, want de N.C.R.V. neemt alle onkosten voor haar rekening. Mooier kan 't niet ! En het is een reden te meer, om als één man rondom en achter de N. C. R. V. te staan, óók als Hervormden, en het niet toe te laten, dat ook hier met onverstand de splijtzwam binnengebracht wordt ; wat niet anders dan juist voor ons, Hervormden, nadeelig en schadelijk kan werken. Laten we liever ook hier meer en meer daadwerkelijk mee de schouders onder het werk zetten !
Gezien nu deze dingen, als boven gezegd — zou men meenen, dat de Chr. Geref. Kerk een andere houding zou gaan aannemen, en nu zou besluiten om óók de radio-uitzending van kerkdiensten ter hand te nemen, om het zaad des Woords zoo breed mogelijk uit te strooien en het geklank des Evangelies alom te doen hooren, ook hier bedenkende, dat in „velerlei taal" de boodschap des Heeren moet worden uitgedragen. Niet alleen Hervormden, niet alleen van de Geref. Kerken, maar óók van de Chr. Geref. Kerk „als broeders één in geloof, hoop en liefde".
Maar die de besluiten van de laatst gehouden Synode der Chr. Gereform. Kerk gelezen heeft, weet dat — wij zeggen : helaas ! — men daar niet heeft kunnen besluiten de radio-uitzending van kerkdiensten op Zondag ter hand te nemen, maar dat men verklaard heeft, dat dit niet mag geschieden !
Nu niet : om oorzaken van Zondagsarbeid ; want dat is nu totaal vervallen. Ook niet : om financieele oorzaken.
Ja — we waren nieuwsgierig om de oorzaken en de beweegredenen en de argumentaties te hooren. In de persverslagen hadden we daaromtrent weinig of niets gelezen. Doch riu komt prof. Geels van Apeldoorn het in „De Wekker" in zijn lezenswaardige artikelen „Nabetrachting op de Synode" vertellen.
We geven hem het woord. Prof. Geels schrijft :
„Maar wie nu mocht gedacht hebben, dat de Synode op haar besluit van 1928 zou terugkomen, rekende buiten den waard. Er werd in de gedachtenwisseling gewezen op het gevaar, dat het kerkbezoek zou lijden, wanneer door een onzer Gemeenten een radio-uitzending zou plaats hebben. Maar dit argument, hoezeer het bij anderen insloeg, leidde de Synode niet tot haar beslissing. Een spiksplinternieuw element werd naar voren gebracht, toen een der afgevaardigden de vrees uitte, dat door de radio de cultuur te veel de Kerk zou binnendringen. Deze vreeze deelde zich aan de meerderheid mede, met het gevolg, dat de Synode bij haar besluit van 1928 volhardde".
Uit wat prof. Geels hierover dan schrijft, blijkt wel, dat hij het in 't geheel niet eens is met het besluit van de Synode der Chr. Geref. Kerk, en wij kunnen dat zoo goed verstaan.
Niet, dat prof. Geels de gevaren van de cultuur (het modewoord van onzen tijd !) niet ziet of gering zou achten. Hoort maar wat hij schrijft :
„De vreeze voor de cultuur is zeer goed te verstaan, ziende op de toenemende overheersching der cultuur over alle levensterreinen. De moderne cultuur ontwikkelt zich als een Gode-vijandige macht. Zij emancipeert zich definitief van God en Zijn Woord. Onze tijd staat in het teeken van de cultuur-religie. Hoe zou het anders kunnen ? De zondige mensch misbruikt de gaven Gods tot het dienen en de verheerlijking van zichzelf".
Ja — we kunnen niet genoeg oog hebben voor het verfijnde, geraffineerd slechte van vele dingen, die zich onder den mooien naam van „moderne cultuur" aandienen. Jongen en ouderen, in de stad èn op het platteland, zijn voortdurend in gevaar. Wie zal b.v. de auto's van „het platteland", de auto's „van buiten" tellen, die dag aan dag, avond aan avond, 's Zondags en door de week naar „de stad" gaan ? Om te genieten van „de moderne cultuur", in bioscoop, danszaal, vermakelijkheidsinstellingen, huizen van plezier, schouwburg, enz. enz. Wie zal „de moderne cultuur" naar waarde teekenen in vuile pamfletten, brochures, romans, illustraties; pornographische geschriften, schandaalromans, opruiende geschriften enz. enz.? De „moderne cultuur" op de scholen, lagere en hoogere scholen, nijverheidsscholen, teekenacademies, enz. enz. ! Maar — en nu geven we weer het woord aan prof.
„Maar hoe droef deze moderne levensopvatting ook is, dit mag niet leiden tot een ander uiterste, n.l. om de cultuur als cultuur te verwijzen naar het terrein der wereld, die in het booze ligt. Hoe ook misbruikt, is de cultuur een schoone gave 504 Gods tot de volle ontplooiing der scheppingsrijkdommen, zoo op stoffelijk als geestelijk gebied. Niet in Kaïns tent vangt de cultuur aan, maar in het Paradijs, als God den mensch roept om den hof te bebouwen en heerschappij te hebben over de aarde en al het geschapene. (Gen. 1 vers 26). Dat is de eerste opdracht tot cultiveering".
„Het misbruik heft de gave niet op. We mogen met het doopwater het kind niet wegwerpen. Trouwens geheel ons leven komt naar alle kanten met de cultuur in onmiddellijke aanraking".
„De radio is een technisch wonder en een der rijkste vruchten der cultuur. De uitvinding der boekdrukkunst behoort tot de cultuur der 15de eeuw. Beiden, èn boekdrukkunst èn radio, zijn belangrijke factoren tot de bevordering van de komst van het Koninkrijk Gods. Danken we aan de boekdrukkunst niet de vermenigvuldiging van den Bijbel, die schier in alle talen gedrukt, over geheel de aarde is verspreid ? Maar niet minder de radio, die het gesproken woord uitdraagt naar de einden der aarde. Velen staan sceptisch tegenover de radio, afwerend tegenover fietsen, auto's, enz. Men rangschikt dit alles dan zoo graag onder de rubriek „wereldgelijkvormigheid". Maar wie in de 20ste eeuw denkt er nog over om trein en fiets en auto op den index te plaatsen ? "
„De radio blijkt in dezen geweldigen tijd een machtig middel tot verspreiding van het evangelie. En de Kerk heeft, naar mijn bescheiden meening" — aldus prof. Geels — „dit middel dankend en biddend te gebruiken tot het uitdragen van den éénigen Naam tot zaligheid geopenbaard. De wereld bouwt de sterkste zenders om geheel de wereld te betrekken in haar ongeloofspropaganda. Denkt aan Rusland, die van week ; ot week in alle talen de theorieën der godloozen de wereld inzendt. Mag, ja moet de Kerk dan geen gebruik maken van deze kostelijke gave om daartegenover 't Woord Gods uit te roepen? !"
„De vreeze voor de cultuur wil ik van ganscher harte onderschrijven, maar dat gevaar moet juist bestreden worden door de boodschap des heils op den rustdag".
Over den Zondagsarbeid zegt prof. Geels dan terloops nog dit :
„Zelfs al was er eenigen arbeid op Zondag aan verbonden, moet de radio in werking worden gesteld. Omtrent de beteekenis van den sabbath heeft de Heere Jezus een helder licht ontstoken ook voor ónzen tijd. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat men tot een zeker sabbathisme vervalt ten koste van den arbeid voor het Koninkrijk Gods".
Ook over het verzuimen van de gewone kerkdiensten, doordat men naar een radiopreek luistert, wordt door prof. G. nog een enkel woord gezegd. Want — zoo schrijft hij — die de kerkdienst verzuimen om oorzake van de radio-preek, zijn er nu óók. En dat euvel moet, waar noodig, door den Kerkeraad kerkelijk met de betrokken personen worden behandeld. Doch daarvoor moet men de radio-uitzendingen niet nalaten ! Denk eens aan de ouden van dagen, de zieken, de huiszittenden ; die op zee zijn. Weet men wel, hoeveel luisteraars in ons land per dag aan de radio zitten ? Dit getal is voor ons land op z'n minst 600.000 ! Welke predikant zal ooit kans maken zoo'n talrijk gehoor te bereiken ?
Als we nu dit alles overzien, kunnen we niet anders dan betreuren, dat de Synode van de Chr. Geref. Kerk om oorzake dat door de radio de cultuur te veel de Kerk zou binnendringen, besloten heeft geen radio-uitzendingen van preeken op Zondag te houden, hoewel er velen, zeer velen in de Chr. Geref. Kerk zijn, die dat zouden, begeeren.
We weten, dat er veel eenvoudige menschen tot de Chr. Geref. Kerk behooren en daarom kunnen we deze eenzijdige, foutieve beschouwing van het leven wel begrijpen en verklaren, — maar toch spijt het ons, dat dit gevoelen de meerderheid heeft gehad in de Synode en het besluit van 1928 niet is ingetrokken.
Maar de argumentatie lijkt ons zóó zwak en zóó waardeloos, dat men eigenlijk nu reeds in de Chr. Geref. Kerk vóór de radiouitzending op Zondag voelt ; alleen het wonderlijk-eenzijdige bezwaar van de cultuur, enz., moet nog verdwijnen. Dan zijn we er.
OP DEZE PETRA
Bekend is de geschiedenis, die zich heeft afgespeeld in de deelen van Caesarea Philippi, waarvan ons verhaal gedaan wordt in Matth. 16. Daar vraagt de Heiland : wie zeggen de menschen, dat Ik, de Zoon des menschen, ben ? Hij is de centrale Persoon in heel de wereld en Hij wil, dat men zich omtrent Hem verklaren zal. Alzoo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij midden in die wereld Zijn eigen Zoon geeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, "iet zal verderven, maar het eeuwige leven hebbe.
Heel de wereld is in de verderfenis en gaat verloren, tenzij men leert gel loven in Jezus Christus, Gods Zoon, Die mensch geworden is, den Heiland en Zaligmaker. Er is maar één Naam onder den hemel, en zullen we zalig worden, dan moei het door Hem. Niemand — zoo zegt de Heiland Zelf — kan tot den Vader komen dan door Mij.
En als de menschen dan allerlei antwoorden geven, die meer of minder in de richting wijzen, maar toch geheel buiten de zaak zelve blijven staan en gaan — dan vraagt de Heiland aan Zijn discipelen : en gij, wie zegt gij, dat Ik ben ?
En dan krijgen we het antwoord van Petrus, dat niet van vleesch en bloed, niet van den mensch komt, maar dat hem geleerd is door den Vader in den hemel, door den Heiligen Geest. En dat antwoord van den Apostel, die daar staat in zijn volle apostolische kracht de Apostolische belijdenis : Gij zijt Jezus, de Christus, de Zoon des levenden Gods.
En wat zegt de Heiland dan ?
Dat Hij, Die nu Zijn Kerk gaat bouwen op een heel andere manier, dan tot nu toe onder de Joden is geschied, en nu Zijn Gemeente zal gaan vergaderen uit alle volkeren en van alle werelddeelen — dat Hij Zijn Gemeente zal bouwen „op deze petra".
Laat ons dat even onder de oogen zien. Zal de Gemeente van Christus voor alle eeuwen en van alle plaatsen Zijner heerschappij nu misschien gefundeerd, gegrond en ópgebouwd worden op Petrus ?
Niets daarvan ! De Heere bouwt Zijn Kerk niet op een mensch, daarvan kunnen we zeker zijn !
Maar als die „petra" dan niet Petrus is, wat is het dan wèl ?
't Is de belijdenis, dat Jezus is de Christus, de Zoon van den levenden God.
Maar het is dan de belijdenis van den Apostel, het is het Apostolisch getuigenis.
De Kerk krijgt hier een Apostolisch fundament, dat door den Apostel wordt gelegd, omdat God, de Vader, het hem vanuit den hemel leert — en geenszins vleesch en bloed — dat dit het eeuwig en onwankelbaar, het volzalig en volheerlijk fundament is, dat God Zelf gelegd heeft en nu door de Apostelen laat leggen ten aanhoore van de wereld, door hun Apostolisch Woord.
De „petra" is dus het Apostolisch woord, dat niet gesproken wordt naar lust van , vleesch en bloed, maar dat gesproken wordt, zooals de Apostel Petrus het later schrijft : „de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben het gesproken". 2 Petrus 1 vers 21. Het is niet een woord van eigen vinding en ook niet van eigen uitlegging, maar het is het Apostolisch woord, dat zéér vast is. En de Kerk, op dat Apostolisch getuigenis, op dat Apostolisch woord
en op deze Apostolische prediking gebouwd, zal zelfs de helleburcht, hoe versterkt ook, niet kunnen overweldigen.
Deze „petra" is dus (neen ! niet Petrus, niet de Paus, noch wie ook) : het Apostolisch belijden, waarvan de inhoud is : Jezus Christus en die gekruisigd.
De Apostelen, als apostelen sprekend, leggen het fundament.
En door de woorden, de prediking, het getuigenis, de belijdenis der Apostelen is ons aller gemeenschap met Jezus Christus — gelijk de apostel Johannes schrijft, 1 Joh. 1 : 3.
Het belijdend Apostolaat staat daar voor ons, om de gemeente op te bouwen op het fundament van de apostelen en de profeten, door hen gelegd, als Gods fundament.
Zonder de Apostelen zouden we dat niet weten. Door hen heeft God het ons geopenbaard, en hun woorden zijn de schakels, o ons te verbinden met Jezus Christus. (1 Joh. 1 vers 3).
LEER EN LEVEN DER KERK
Onze Gereformeerde Vaderen hebben vanaf de eerste dagen der Hervorming zich bezig gehouden met de vragen aangaande de belijdenis en de Kerkorde. Leer en leven der Kerk ging hun ter harte.
In de Wezelsche Artikelen van 1568 (men zie ons boekje : „Beginselen van Kerkrecht", Maassluis 1933) lezen we „de apostel Paulus schrijft voor, dat in de Kerke Gods alle dingen betamelijk en met orde moeten geschieden (1 Cor. 14 vers 40), opdat niet alleen in de leer, maar ook in de orde zelve en de kerkelijke regeering van het ambt een eenparige overeenstemming van de Kerk vaststa en onderhouden worde".
Een van de eerste zaken was : dat voor de opleiding van dienaren des Woords zou worden gezorgd, opdat de Gereformeerde Kerk in Nederland menschen zou krijgen, die gestudeerd hadden en in de talen wèl onderwezen waren, bijzonder in het Hebreeuwsch, Latijn en Grieksch, om de Schriften in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Men wilde niet bij de traditie blijven leven, maar men wilde, dat de Gereformeerde Kerk van Nederland bij de Schriften zoude leven, 't Ging om „de zuivere belijdenis der heilige waarheid". (Art. 2).
Tegelijk moest er voor gezorgd worden (het staat ook in art. 2) dat de Nederlandsche Kerk in Classis werd verdeeld, „opdat iedere Kerk wete den weg om saam te beraadslagen en allerlei voorvallende zaken tot gemeenschappelijk voordeel, saam te behandelen". (Art. 2).
Van autonome-plaatselijke-Kerken in den zin van onafhankelijke Kerken, waar ieder eigen baas in huis was, zonder de saamhoorigheid te voelen en te betrachten en te beleven — wilden onze Gereformeerde Vaderen niet weten.
Ze leerden wel, dat de plaatselijke Kerk met een eigen Kerkeraad, een „ecclesia completa" of een „volkomene Kerk" was, waar alles wat , tot de Kerk behoort, aanwezig is (belijdenis, ambten, prediking, sacramentsbediening), — maar nooit wilden zij er van weten, dat zoo'n plaatselijke Kerk los en onafhankelijk stond van de andere Gereformeerde Kerken in andere plaatsen, want het was ten slotte één Kerk. Vandaar dat men èn van Gereformeerde Kerken èn (in één adem en in één verband) van Gereformeerde Kerk sprak. Boven de Wezelsche Artikelen staat dan ook, dat het is „voor den dienst dezer Nederlandsche Kerk" (eiusdem ecclesiae Belgicae).
In de artt. 4, 5 en 6 wordt dan gezegd, dat er een Algemeene Vergadering der Kerken moet komen, waar gehandeld moet worden over de Opleiding der dienaren' des Woords, over de vorming van Classes, om regelingen te treffen van orde en van kerkelijke censuur. Ook moeten daar behandeld worden zaken betreffende het huwelijksleven, de gronden der echtscheidingen, of met één woord : alles waarmee in het algemeen alle Kerken te maken hebben en op den gemeenschappelijken dienst der Kerken betrekking heeft.
Gezamenlijk moest men dus vergaderen en beraadslagen en regelingen treffen. „Want het komt noch met het gezag der Schrift, noch met de billijkheid der ordeningen overeen, dat de een of andere Kerk, of nu, of later, zich zou aanmatigen op eigen gelegenheid te regelen en te beslissen, wat niet haar alléén, maar wat alle Kerken saam aangaat". (Art. 6).
Er zouden verschillende ontwerpen worden gemaakt (omdat het saam vergaderen vanwege den nood der tijden zoo moeilijk was, en als men zoó ver gevorderd zou zijn „dan zullen ze gemeenschappelijk beraadslagen en uit al de concepten een ordening ontwerpen, hetwelk door de stem van iedere Kerk afzonderlijk en van alle Kerken saam zal worden goedgekeurd ; of indien iets verbetering behoeft, zal het met gemeen toestemmen verbeterd en in beteren vorm worden gebracht (Art. 7).
Wat hebben onze Vaderen dus veel gevoeld voor beraadslagingen over een Kerkorde, om elkaar te zoeken, alle plaatselijke Kerken saam door hun vertrouwensmannen, om gezamenlijk tot een Kerkorganisatie te komen, naar de beginselen van Schrift en belijdenis !
Men wilde vragen naar „de ordonnantiën der Apostelen en het onberispelijk voorbeeld der oudste en zuiverste Kerken", om daaruit te leeren voor het heden (Art. 9). Dan moest er veel aan „de vrijheid der Kerken" worden overgelaten, om te kunnen en te mogen handelen „naar 't geen de omstandigheid en de ervaring leert, dat het beste is voor de Gemeente". Maar er moesten Synoden en Classes komen, om een orde van samenleven te verkrijgen voor al de Kerken gezamenlijk. (Art. 9).
Of men vóór of na de predikatie zal doopen, of men tijdens de Avondmaalsviering uit de Schrift zou lezen of zingen enz., werd aan „de vrijheid der Kerken" overgelaten. (Art. 10).
Maar — zoo zegt Art. 11 — in de zaken die de Kerken gezamenlijk raken en die raken de hoofdzaken, zal men niet lichtvaardig te werk gaan. En daarvoor nu (zegt Art. 11) wordt dan de Kerkorde ontworpen.
In de Kerkorde is dan punt 1 „dat geen onbevoegde in de kerkelijke dienst zal optreden" (Hoofdst. II, art. 1). Voor „lichtvaardige, teugellooze eerzucht" en „heerschzucht" moest worden gewaakt, zoowel bij het volk als bij de Ouderlingen. (Zoo staat er in Art. 2).
De wensch wordt geuit, dat in de Kerk alles maar geregeld mocht worden door de Godvruchtige Overheden, om alle ongeoorloofde dingen te voorkomen ! (Zoo staat in Art. 3 !!)
Maar zoo zegt men zelf, — dat zal wel niet mogelijk blijken, dat de Godvruchtige Overheden alles opknappen. (Art. 3, al. 2). En daarom zal maar het beste zijn, dat men „de stem der Gemeente" ende „het gezag der Ouderlingen" combineert !
En dan is de hoop op de Classes en op de Synode, dat die regeling straks voor de Gemeenten tot zegen moge zijn. Het kerkelijk leven, dat culmineert in de Kerkelijke Vergaderingen.
Niets van independentisme wilden onze Gereformeerde Vaderen dus weten. Niets van de z.g.n. autonomie der plaatselijke Gemeenten. De Kerken moesten de saamhoorigheid voelen en betrachten en beleven, dan zou het tot zegen zijn. En daarom de Kerkorde, waarin dan nader gesproken wordt van de Classes en van de Synoden. Want anders gaat de eene Kerk over de andere Kerk en de eene dienaar over den anderen dienaar, en de eene ouderling over den anderen ouderling en de eene diaken over den anderen diaken heerschappij voeren, en dat mag niet. (Zie Art. 1 van de Kerkorde van Embden, die 4 Oct. 1571 is vastgesteld). En samen zal men leven als „broederen" onder, „de belijdenis des geloof s der Nederlandsche Kerken", „insgelijks ook de belijdenis der Kerken in Frankrijk onderteekend", om daarmee het internationale karakter van de Kerk des Heeren tot openbaring te brengen en de gemeenschap der Kerken te onderhouden. (Art. 2 Embdensche Kerkorde). Er werden deputaten benoemd om dat „in Frankrijk aan te zeggen" en op de eerstvolgende samenkomst der Nederlandsche Kerken aan de broederen hier „antwoord" te brengen. En de Nederlandsche Kerkendienaren, die dan mogelijk nog niet ter vergadering zouden gekomen zijn, zal men daartoe vermanen. (Artt. 3 en 4). En allen, die nog in dienst zullen treden, zal men daartoe te voren vermanen. (Art. 4, al. 2).
In elke plaatselijke Kerk zal een consistorie of Kerkeraad zijn (Art. 6) en benevens die Kerkeraden zullen alle drie of zes maanden Classicale Vergaderingen gehouden worden van naburige Kerken (Art. 7) en voorts zal men alle twee jaren ééns, een algemeene vergadering aller Nederlandsche Kerken houden. (Art. 9).
„Men zal de Kerken, die in Engeland zijn, vermanen, dat zij hunne Kerken in Classes afdeelen".
(Art. 12). „De Dienaren des Woords" zullen verkozen worden „met 't oordeel en goeddunken der Classicale verzameling of van twee of drie dienaren uit de genabuurde Kerken". (Artikel 13).
„Het zal geen Kerken-dienaar geoorloofd zijn, in een andere gemeente te prediken zonder bewilliging des dienaars derzelver gemeente en des Kerkeraads, of, als er geen dienaar des Woords is, niet zonder consent van den Kerkeraad". (Art. 17).
„Die zich in den Kerkendienst indringen, in die plaatsen daar de Kerkendienst nu ingesteld is, diezelven zullen van de consistoriën vermaand worden, dat ze afstaan — maar is 't, dat ze evenwel hardnekkig voortvaren, zoo zal men terstond drie of vier of ook meer als 't mogelijk is, van de omliggende Kerkendienaren van die Classis bijeenroepen, en hem, die het geldt, verklaren een scheurmaker te zijn" (Art. 18). En allen die hem, die een scheurmaker is, blijven hooren, zullen de consistorie, naar uitwijzen der Kerkentucht of Christelijke straf behandelen. (Art. 18, slot).
Zoo zouden we kunnen voortgaan, maar dat doen we niet. Veelmeer willen we allen, die belangstellen in deze dingen, rakende „leer en leven der Kerk", vooral ook wat de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht aangaat, opwekken deze zaken eens ernstig onder de oogen te nemen.
En wij bevelen dan aan ons eigen boekje : „Beginselen van Kerkrecht", waar de Wezelsche Artikelen in zijn opgenomen en omschreven. Het is een uitgave, die door de Maassluissche Boekhandel keurig is verzorgd en door de vetgedrukte letters aan den rand van elke bladzijde een gemakkelijk overzicht van alles geeft.
Naast dit boekje bevelen we ook gaarne heel hartelijk aan een boekje, dat door ds. G. H. Kersten is samengesteld. Het is getiteld : Kerkelijk Handboekje. Uitgave : „De Banier", Rotterdam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's