HET DOOPSFORMULIER
De veronderstelde wedergeboorte.
HOOFDSTUK V.
In 1934 is door dr. L. van der Zanden een werkje uitgegeven onder den titel De Verbondsgedachte, waarin hij een poging waagt het verbond zoo te omschrijven, dat links het conditioneële verbond en rechts de leer van de veronderstelde wedergeboorte wordt vermeden. Misschien is wel eens te weinig de aandacht op dit geschrift gevallen, dat helder en duidelijk geschreven is en een zeer bekwame hand verraadt. Ook al verschillen wij in ondergeschikte punten van den schrijver, de poging als zoodanig verdient volle sympathie, terwijl het resultaat, waartoe hij komt, niet geheel met het onze overeenstemt, maar wel tal van overeenkomstige trekken vertoont.
Terecht schrijft hij : „Het verbond heftt zijn beeld en gelijkenis niet alleen in een gemeenschap als het huwelijk tusschen man en vrouw of in een levensgemeenschap als tusschen vader en kind, maar ook in verbanden, die van legalen aard zijn, in de betrekking tusschen hem, die een toezegging doet, een belofte geeft, een. recht toekent en hem, wien de gedane toezegging, de gegeven belofte, het toegekende recht bewust of onbewust geldt, b.v. in de betrekking tusschen erflater en erfgenaam", (p. 100)
In verband met deze opvatting wil hij de verbondsbetrekking omschreven zien als een legale betrekking, „de legale betrekking met Christus, welke wordt bekend gemaakt in de belofte des evangelies en gekend door het geloof" (p. 101)
Tegen deze omschrijving kan niet het bezwaar van onjuistheid worden ingebracht, maar wel het bezwaar van ongenoegzaamheid. Het is niet mogelijk den wonderen rijkdom van het verbond en de verbondsbetrekking in één woord weer te geven. Zoo kan het woord legaal nooit de bewogenheid van deze betrekking tot uitdrukking brengen, de ontelbare bemoeienissen Gods, die met deze betrekking samenhangen en die zelfs hen ten deel vallen, die als verbondsbrekers in onboetvaardigheid leven en sterven. Men denke slechts aan het bekende woord van Jesaja (5 vers 4) : „Wat is er meer te doen aan Mijnen wijngaard, hetwelk Ik aan - hem niet gedaan heb ? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou en hij heeft stinkende druiven voortgebracht ? "
Grooter is echter mijn bezwaar tegen die opvatting van dr. Van der Zanden, volgens welke hij het verbond niet alleen uit de verkiezing doet opkomen, maar ook niet de verkiezing laat samenvallen. Wel onderscheidt hij tusschen verkiezing en genadeverbond als het eeuwige besluit en zijn uitvoering in den tijd (p., 108), maar de uitverkorenen behooren alleen tot dit verbond. „Ondanks alle kerkelijke tucht, komt het genadeverbond in het kerkverband niet tot zuivere, maar slechts tot gebrekkige openbaring, wijl de kerkleden nooit volkomen zijn, wat zij volgens het Genadeverbond moeten wezen en wijl er zoowel onder de volwassenen als onder de kinderen zijn, die in het geheel niet tot het Genadeverbond behooren". (p. 113)
Natuurlijk ontkennen wij niet, dat er in het kerkverband kaf onder het koren is, dat van de gedoopte kinderen velen zich in onboetvaardigheid verharden, maar wij schrijven dit niet daaraan toe met dr. Van der Zanden, „dat de kerk, de gemeenschap der geloovigen in haar oordeel over personen, zoowel volwassenen als kinderen, feilbaar is", (p. 114)
Wie op die wijze de aanwezigheid van het kaf onder het koren wil verklaren, zegt daarmede, dat als de kerk met zekerheid kon aanwijzen, welke kinderen uitverkoren zijn, zij deze alleen mocht doopen, omdat hun het teeken alleen rechtens toekomt. Eenerzijds brengt deze opvatting de moeilijkheid mede, dat een christen zich thans eerst moet afvragen, of hij wel uitverkoren is, voordat hij zich met zijn doop kan vertroosten, want als hij niet uitverkoren is, komt de doop hem feitelijk niet toe. Maar aan de andere zijde is deze gedachte ook geheel onjuist en onschriftuurlijk. Als de kerk de kinderen der geloovigen doopt, ze .allen doopt zonder onderscheid, dan is dat niet een gevolg van haar feilbaarheid, maar dan doet zij dat juist uit gehoorzaamheid aart Gods opdracht ; zij mag geen onderscheid maken, omdat God naar Zijn Woord zijn verbond ook met haar zaad heeft opgericht.
Uit het feit, dat er onder de gedoopten later blijken te zijn, die in onboetvaardigheid leven of zich geheel losmaken van God en Zijn dienst, mag men niet de conclusie trekken, dat zij nimmer tot het verbond hebben behoord en alleen tengevolge van de feilbaarheid vanj het menschelijk oordeel het verbondsteeken hebben ontvangen. Evenmin als men uit de afval van Judas de conclusie trekt, dat hij nooit tot den discipelkring behoord heeft. Want deze Judas is geen indringer geweest, die heimelijk in den kring is ingeslopen, maar hij is door Jezus zelf tot den discipelkring geroepen, want wij lezen nadrukkelijk van Jezus, dat Hij er twaalf stelde om altijd nabij Hem te zijn en onder deze twaalf was ook Judas. Zoo zijn de latere boetvaardigen geen indringers, die bedriegelijk zich van het teeken des verbonds hebben meester gemaakt, maar God zelf heeft hen geroepen en in het verbond gesteld, toen Hij met Abraham en Izaak en Jacob en met hun zaad zijn verbond oprichtte. Het is op Gods bevel, dat Abraham ook Ismaël besnijdt en in het verbond opneemt. Dezelfde God echter, die in vrijmachtige genade in Zijn verbond opneemt en buitensluit, is ook die God, die de onboetvaardigen en die zich verharden, het verbond verbrekende, weder buitenwerpt. Gelijk Jezus spreekt van de kinderen des Koninkrijks, die weder zullen buiten geworpen worden. Kinderen des Koninkrijks worden zij genoemd, omdat zij van God in Zijn verbond waren opgenomen en daardoor tot erfgenamen van het Koninkrijk der hemelen verklaard, maar zij worden van die erfenis vervallen verklaard vanwege hun ongeloof en buiten geworpen.
Van onze kinderen belijden we, dat zij allen in zonden ontvangen en geboren zijn, omdat zij allen tot het zaad Adams behooren, en wij belijden eveneens van allen, noch voordat zij goed of kwaad gedaan hebben en voordat er onderscheid is tusschen den een en den ander, dat zij in Christus geheiligd zijn, dat is van God om Christus' wil in het verbond opgenomen, aangenomen tot kinderen en ingelijfd in Christus' gemeente, die zalig wordt. Wij belijden dit op grond van de belofte, aan Abraham gegeven, de belofte, die mede zijn zaad geldt. Zij zijn dus voortaan leden van Christus' lichaam, zooals alle ranken ranken van den wijnstok zijn, ook al is het, dat sommige straks kwade ranken zullen blijken te zijn. Het geheiligd zijn in Christus ziet dus niet alleen op de uitverkorenen, maar op het zaad der gemeente in zijn geheel; ook de gedoopten, die later weigeren zich te bekeeren, zijn geheiligd geweest in Christus, om Zijnentwil van de heidenen afgezonderd en in het huisgezin Gods opgenomen, waarom de apostel kan zeggen : „Hoeveel te zwaarder straf meent gij zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, door hetwelk hij geheiligd was ? "
Van de grootste beteekenis is echter, dat wij met de reformatoren vast blijven houden aan de belijdenis, dat de gemeente, in welker midden de kinderen gedoopt worden en tot welker lidmaten zij verklaard worden, de gemeente van Christus is, het huisgezin Gods.
Dat belet volstrekt niet haar van vele zonden te beschuldigen en met den geesel van Gods heilige wet haar te striemen; ook Gods Kerk en volk wijken menigmaal af; deze zonden ontnemen haar echter niet het voorrecht Gods gemeente te zijn, maar stellen haar, juist omdat. zij. Gods gemeente is, des te schuldiger. Maar wel belet deze belijdenis, dat men van een uitwendige Kerk spreekt tegenover een inwendige of onzichtbare Kerk, die eigenlijk alleen de ware Kerk is. Door deze belijdenis is uitgesloten, dat men minachtend spreke over het ingelijfd zijn in de Kerk en het lidmaatschap der Kerk.
Niet, dat het lidmaat-zijn der Kerk genoegzaam is, maar we wenschen niet en kunnen niet dulden, dat iemand, die als kind in een gezin is opgenomen, doch zich niet als een kind gedraagt, nu smalend zal spreken óver dat gezin en het toebehooren daartoe zal verachten. Zich bekeeren van zijn zonden en zich als kind gedragen is de eisch, die hem rechtvaardig gesteld mag worden. Dit geldt ook hen, die in het huisgezin Gods zijn opgenomen. Zij behoeven niet weer in een nieuw gezin over te gaan, de inwendige of onzichtbare Kerk, maar zij hebben noodig door waarachtige bekeering zich een waardig lid te betoonen van het huisgezin Gods, waarin zij door Gods genade zijn opgenomen en waarvan zij het teeken van deelgenootschap reeds in hun jeugd hebben ontvangen.
Maar wordt de gemeente gezien als de gemeente des levenden Gods, dan wordt ook duidelijk, wat vooral Bullinger treffend tot uitdrukking gebracht heeft, n. 1. dat aan het lid niet vreemd kan zijn, wat aan het lichaam eigen is. Anders gezegd, indien wij belijden, dat God Zijn Heiligen Geest aan Zijn gemeente gegeven heeft, zoo is ook den kinderen den Heiligen Geest gegeven. Hier raken wij aan de leer van de veronderstelde wedergeboorte. Maar de lijnen worden toch gansch anders getrokken. Niet op een veronderstelling beroepen wij ons, maar op een algemeen erkende waarheid. De veronderstelling werd vereischt, omdat men de heiliging alleen op de uitverkorenen liet slaan, en wij die niet kunnen kennen. Naar onze opvatting geldt de heiliging allen; geldt ook de mededeeling des Geestes allen.
Er steekt niets onschriftuurlijks in, te erkennen, dat ook aan de latere onboetvaardigen de Heilige Geest is gegeven. Men denke aan Hebr. 6 vs. 4—6 en aan dat boven aangehaalde woord, waar gesproken wordt van hen, die het bloed des testaments, door hetwelk zij geheiligd waren, onrein hebben geacht en den Geest der genade smaadheid hebben aangedaan. Zooals de Geest Gods zweefde of broedde op de wateren der eerste wereld om de levende werken Gods voort te brengen, zoo legert zich Gods Geest over de kinderen der gemeente om ze tot nieuw leven te brengen. Hoe en wat Hij van den aanvang af in hen werkt, weten wij niet. Wij kunnen slechts rekenen met de vruchten, die openbaar worden. Dat enkelen zich echter verharden, mag ons nimmer doen voorbijzien, dat Gods Geest ook bemoeienissen met hen gehad heeft. Hoe zou ook anders van verharding gesproken kunnen worden ? Want verharding veronderstelt de openbaring Gods, is een afwijzing van de ernstige roepstem tot bekeering, zooals die door den Heiligen Geest op hart en consciëntie gebonden wordt.
Aan de troost van Gods Kerk wordt door deze opvatting niets afgedaan. Integendeel, zij wordt daardoor bevestigd. Er is toch voor Gods Kerk geen troost dan uit en door het geloof. Zij wordt immers niet gesteld voor den eisch om zich allereerst te onderzoeken, of de Heilige Geest, die haar gegeven is, wel zaligmakend in haar gewerkt heeft, maar zij wordt van God geroepen om het evangelie te gelooven en Zijn beloften geloovig te omhelzen. En juist omdat deze beloften haar in onvoorwaardelijken zin gegeven zijn en zij zich niet angstig behoeft af te vragen: „behoor ik wel tot de uitverkorenen? ", juist daarom is het mogelijk deze beloften te omhelzen en al de troost daaruit te putten, die God daarin gelegd heeft.
Wil Gods Kerk hier getroost leven en 502 sterven, dan houde zij zich niet bezig met curieuselijk te onderzoeken, wat de Heilige Geest wel in het onderbewuste werken kan en of een mensch reeds wedergeboren kan zijn, voordat hij zich bekeert van zijn zonden, maar zij wandele in geloof, ook in het geloof van die belofte, waarin God ons Zijn Heiligen Geest, als door Christus verworven, heeft beloofd om ons te wederbaren, te verlichten en te leiden en eeuwig bij ons te blijven. Wanneer de Schrift niet gebroken kan worden, dan blijft tot in onze dagen staan het woord, eens door Jezus gesproken : „u geschiede naar uw geloof".
O. a.d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's