De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET DOOPSFORMULIER

10 minuten leestijd

De veronderstelde wedergeboorte.
HOOFDSTUK V.
De vragen, die ons hier bezighouden, over de heiliging in Christus Jezus, of deze alleen den uitverkorenen geldt dan heel het zaad der gemeente, of de latere boetvaardigen, die ook het teeken des doops ontvangen hebben, wel ooit waarlijk in het verbond begrepen zijn geweest, en al wat daarmede samenhangt, zijn ten nauwste verbonden met het feit, dat Gods openbaring en Gods werk ter behoudenis van een zondig volk ingaat, in den tijd. Als God Zijn verbond opricht met Abraham en zijn zaad, wordt ons niet een waarheid getoond, die boven de hoofden der menschen hoog in de lucht zweeft, maar een waarheid, die een concrete verwerkelijking krijgt in den tijd. Abraham en Zijn zaad zijn van dat oogenblik af in het verbond met God begrepen en opdat zij de concreetheid van deze betrekking nimmer zouden vergeten, is hun een zichtbaar teeken daarvan gegeven in hun lichaam.
Thans hebben zij en ook wij niets meer van doen met een verbond, dat in de eeuwigheid gesloten is en waarin alleen de uitverkorenen begrepen zijn, maar zij en wij hebben te doen met dat verbond, dat uit de eeuwigheid in den tijd is neergedaald en dat door een goddelijk teeken ons is verzegeld geworden. De beloften (rechten) en verplichtingen van dit verbond Gods, zooals het in deze tijdelijke bedeeling is ingegaan, kunnen ons bekend zijn en daarin ligt onze rechtvaardiging of onze veroordeeling.
Tot dit verbond nu, dat in deze tijdelijke bedeeling Gods volk omvat, behooren volgens het getuigenis der Schrift ook vele onboetvaardigen en alle poging om dit te verdoezelen en te zeggen, dat zij slechts door onze onwetendheid er bij gerekend zijn of dat zij slechts tot de vorm van het verbond en niet tot het wezen des verbonds behooren en dergelijke, is niet anders dan een poging om het verbond Gods, zooals het door Hem is opgericht en is ingegaan in den tijd, te vervangen door een verbond, dat boven deze tijdsbedeeling staat en vrij is van alle gevaar van besmetting door de zonde dezer wereld.
Het ware geloof heeft genoeg aan de belofte des verbonds, de belofte van dat verbond, dat de zichtbare Kerk hier aangaat en dat zichtbaar door een teeken is bevestigd; het twijfelt niet aan de waarachtigheid der belofte, omdat er in dit verbond gevonden worden, die de beloften Gods door ongeloof verwerpen en het geeft door de omhelzing van deze belofte zekerheid van Gods genade.
Zij echter, die achten dat alleen de uitverkorenen in het verbond besloten zijn, doen het openbaringswoord Gods, dat Hij tot Abraham en mitsdien tot ons en onze kinderen sprak : Ik zal u tot een God zijn en uw zaad na u, te niet; in plaats van door de geloovige omhelzing van deze belofte op te klimmen tot de eeuwige liefde Gods, waaruit het verbond en deze belofte zijn voortgekomen, willen zij meer door speculatie dan door geloof zich bezig houden met een verbond, dat in de eeuwigheid met de uitverkorenen gesloten is en zonder rekening te houden met het geopenbaarde, het met de Kerk Gods opgerichte verbond, zonder rekening te houden met de door God uitgestippelde weg belofte— geloof, willen zij en zoeken zij een onmiddellijke kennis te ontvangen van hun inzijn in dat eeuwige verbond, hetzij door inwendig Geesteslicht, hetzij door een conclusie, gebouwd op de aanwezigheid van kenmerken der genade.
Men zal daarom altijd zien, dat deze zelfde menschen, die alleen de uitverkoren kinderen zien als in het verbond besloten en recht hebbende op den doop, straks trachten deze uitverkorenen door zoo mogelijk scherpe lijnen van de niet-uitverkorenen te onderscheiden. De laatsten worden niet uit de Kerk uitgeworpen, maar krijgen hun plaats in de uitwendige Kerk; de eersten vormen de Kerk in de Kerk, de ware Kerk, en al, ontkent men niet de mogelijkheid der vergissing, men acht de ware Kerk toch vrijwel aanwijsbaar te kennen. Men heeft al weer geen vrede met de Kerk, zooals die zich hier zichtbaar naar Gods bestel openbaart, die niet los te maken is van deze tijdelijke bedeeling en daarom vol van gebreken ; men zoekt de Kerk, die boven deze tijdelijke bedeeling verheven is, de Kerk van enkel uitverkorenen, en liever houdt men het met deze Kerk, ook al mist zij de ambten (het conventikel), dan met de zichtbare Kerk
niettegenstaande de ambten, wijl zooveel hypocrieten in haar midden zijn.
Het een en het ander is niet anders dan critiek op den weg, dien God gevolgd heeft en nog gaat.
Met de waarheid, dat wij geen ander verbond kennen dan hetwelk met de zichtbare Kerk is opgericht en door een zichtbaar teeken wordt bevestigd, is nauw verbonden die andere waarheid, dat aan die zichtbare Kerk, die voor verbastering en afval openstaat, de bediening van Woord en Sacrament is toevertrouwd.
Wanneer deze zichtbare Kerk afwijkt van den weg Gods, de prediking, waarmede zij komt, niet zuiver meer is en nochtans voortgaat de sacramenten uit te deelen, verliest dan het Sacrament zijn beteekenis en waarde ?
In de dagen der reformatie heeft deze vraag de gemoederen gedurig weer verontrust. Want niet alleen de wettigheid van den kinderdoop werd betwist, maar ook de wettigheid van den doop, door de verbasterde Roomsche Kerk bediend. Het wederdoopen hangt ook met dat laatste feit samen.
Wanneer een dergelijke verbasterde Kerk als de Roomsche Kerk alle kinderkens maar doopte en aan ieder kind in haar midden het teeken des verbonds gaf, was dat teeken dan nog wel een zegel van Gods zijde? Mocht het dan nog aangezien worden als? een onderpand van Gods genade of was het een zinledige vorm geworden, een door menschen aangebracht teeken, maar dat door God niet meer erkend werd als een zegel van Zijnentwege ?
Calvijn heeft zich hier gekeerd tot de Schrift en hij bevond, dat onder de oude bedeeling Gods Kerk ook menigmaal ver was afgeweken, zoodat het volk zich zelfs aan afgoderij heeft schuldig gemaakt, maar nergens kon hij een plaats vinden, waaruit bleek dat de profeten des Heeren er op aangedrongen hebben de besnijdenis, die door een bondbreukigen priester was toegediend, door een andere te vervangen. Daarom wilde hij den doop, in de Roomsche Kerk te midden van allerlei afgoderij toegediend, niet door een anderen doop in het midden van een getrouwe gemeente vervangen zien; geen wederdooperij wilde hij, maar hij achtte, dat het teeken des doops nochtans zijn volle beteekenis had behouden, ook al was de Kerk, in wier midden hij bediend was, ten zeerste verbasterd.
Zijn volle beteekenis behouden, maar wordt deze gekend ook ? Deze vraag is van anderen aard. Zij wijst er op, dat een verbasterde Kerk wel voort kan gaan het Sacrament des doops uit te deelen, maar dat deze verbastering tevens oorzaak is, dat het Sacrament geen nuttigheid doet, wijl de zin en de kracht van het Sacrament verborgen blijven. Het gebrek aan verantwoordelijkheidszin bij de Kerk straft dus zichzelf, niet doordat het Sacrament zijn waarde verliest, maar doordat er geen vrucht meer van de Sacramentsbediening gezien wordt, er geen kracht meer van het Sacrament uitgaat.
Voor de Roomsche Kerk met haar leer van de werking der Sacramenten ex opera operato, heeft deze gedachte geen zin, maar wel voor ons, die deze leer verworpen hebben en aan de Sacramenten niet dan een beteekenende en verzegelende werking toeschrijven. Want wijl de Heilige Geest in het Sacrament verzegelt, wat Hij ons in het evangelie leert, zijn Woord en Sacrament zoo nauw verbonden. Het verzegelend getuigenis van den Heiligen Geest in het Sacrament kan niet gekend en verstaan worden, als zijn getuigenis in het evangelie niet meer wordt gehoord.
De nuttigheid en de kracht van het Sacrament is dus ten nauwste verbonden met de rechte bediening des Woords. Alleen dat geloof, dat rust in het Woord onzes Gods, kan door het Sacrament versterkt worden.
Juist hierdoor wordt de verantwoordelijkheid der Kerk zoo groot. Tucht en Sacrament blijken in een zeer nauw verband met elkander te staan. Tucht hier niet bedoeld in den engeren zin van tucht ten opzichte van de ouders, die met hun kinderen ten doop komen, maar de tucht in den breeden zin des Woords, waardoor de gemeente zich in alles bindt aan den weg en den dienst van God. Een tuchtelooze gemeente belet, dat het Woord Gods, hetwelk is een getuigenis van den Heiligen Geest, ten volle doorklinkt; door haar tuchteloosheid werpt zij als het ware een sluier over het licht des Woords, waardoor dit verduisterd wordt. Maar daarmede hangt onherroepelijk samen, dat ook het getuigenis des Heiligen Geestes in het Sacrament niet goed doorkomt en uit het Sacrament niet die kracht wordt betrokken, die God er ingelegd heeft tot troost der Zijnen.
Indien Janse in zijn Leven in het verbond het dus bedoeld heeft, ga ik geheel accoord met wat hij schrijft (p. 183) : „Of dat kind uitverkoren is , dat kan de Kerk niet beoordeelen, dat mag zij ook niet. Maar zij mag wel de tucht handhaven. Met de verslapping der tucht komt ook de doop tot minder waarde".
Hier ligt ook de samenhang van de eerste vraag met de twee laatste, want men meene niet, alsof deze vragen niets met elkander hebben uit te staan en eenvoudig los van elkander staan. De tweede vraag spreekt van de onderwerping aan de tucht van het Woord, zooals het door alle eeuwen heen door de Kerk is uitgedragen. Van de leden der gemeente mag toch geeischt worden, dat zij zich onder deze tucht, aan welke heel de gemeente onderworpen is, zullen voegen. En juist, wijl het Sacrament niet gekend kan worden in zijn wondere kracht en troost, dan onder de belichting des Woords, heeft men zeer terecht bij de bediening van het Sacrament des doops de belijdenis gevraagd, dat men het Woord des Heeren gelooft.
De derde vraag spreekt eveneens weer van de tucht des Woords, maar nu niet van die tucht in het midden der gemeente, maar van de tucht in het huisgezin.
We hebben hier niet te doen met een ongepaste inmenging van de Kerk in de zaak van het gezin. Ongetwijfeld moet de souvereiniteit in eigen kring zoo worden verstaan, dat in het gezin vader en moeder en niet de Kerkeraad zeggenschap hebben. Het gaat echter in deze vraag niet over een zeggingschap van den Kerkeraad in het gezin, maar over een zeggingschap van Gods Woord in den kring van het gezin. En de Gemeente van Christus heeft zeker het recht van de hoofden der gezinnen, die tot haar behooren, te eischen, dat zij ook in het gezin voor dit Woord zich zullen buigen, evenals trouwens op alle levensterrein.
En daarom wordt nu deze tucht des Woords in het gezin in verband gebracht met den doop der kinderen, omdat deze kinderen in hun latere leven geen kracht en sterkte uit den doop kunnen putten, als zij bij het opwassen niet breeder zijn onderwezen in de beteekenis van hun doop en de belichting des Woords niet gevallen is zoowel op wat hun van Godswege gegeven is, alsook op wat God de Heere krachtens Zijn verbond van hen vraagt, n.l. een wandel in de gehoorzaamheid des geloofs.
Wijl Woord en Sacrament niet van elkander gescheiden kunnen worden zonder aan het Sacrament alle beteekenis te ontnemen, is een vruchtbare bediening van het Sacrament nauw verbonden met de onderwerping aan de tucht van het Woord in het midden van gemeente en gezin.
O. a. d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's