De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

8 minuten leestijd

Het gansche schepsel zucht en is als in barensnood tot nu toe.
Was dit een woord, dat zuiver typeerde de dagen, waarin de Apostel zijn bekenden brief aan de Gemeente van Rome schreef — de tijd, dien wij beleven, doet ons geen ander beeld aan de hand. Door heel de schepping Gods trilt
voortdurend ééne zuchting.
Alles en iedereen heeft zich voor te bereiden op een kamp tusschen leven en dood. Wie ongewapend het strijdperk binnentreedt, legt het zeker af. Wie het een moment uit het oog verliest, dat hij als tusschen een haag van bestrijders doorgaat, zal daarvan zeker de schadelijke gevolgen ondervinden. Vandaar, dat het schepsel, in het algemeen genomen, argwanend rondblikt. Is het u nooit opgevallen, dat het redeloos dier gedurig het hoofd wendt als het uitgaat om voor zich voedsel te vergaren ? Let maar eens op, als ge voor de vogels kruimelkens uitstrooit, hoe bang en schichtig zij rondzien. Overal speuren zij gevaar. Door de ervaring geleerd, als door een wijze moeder onderwezen, wandelt het overal met groote voorzichtigheid.
Zou de mensch hier niet ter schole kunnen gaan ? Valt hier met veel te leeren ? Hij toch ziet zich voor dezelfde problemen geplaatst. Hij inzonderheid, heeft het leven als een geweldig iets te aanvaarden. Komt het niet iedere keer op hem af als met opgesperde kaken ?
Is dit een droeve werkelijkheid — wat evenzeer - kan en moet worden opgemerkt is iets, wat oogenschijnlijk hier luide tegen protesteert. Die strijd, tenminste wat ons menschen aangaat, behoeft er niet te wezen. Dezen kan een gebiedend halt worden toegeroepen. Daar wordt van alle kanten beweerd : „deze mag er niet meer zijn". Wanneer door gemeen overleg de problemen eens recht onder de oogen werden gezien, was het oogenblik ras aangebroken dat overal vrede, allerwege levensblijdschap doorbrak. Met andere woorden : met de toestand, zooals deze zich tot nu aandient, is de mensch niet verzoend. Slaakt hij eenerzijds zuchten, anderzijds grijpt hij naar deze tot nu ongekende idealen. De toekomst zal het brengen. Wat in het verleden een utopie bleek, zal straks, naar hij denkt, werkelijkheid worden.
Wie in dit koor de leiding heeft, wie dit schoone couplet inzet, behoeft nauwelijks een punt van onderzoek te vormen. Dat is de Aartsleugenaar. Deze heeft in het gevallen schepsel een al te gemakkelijk object gevonden om hem" op deze doolwegen van de waarheid Gods af te voeren. Hoe vaak ook bedrogen, gelooft hij hem maar al te gereedelijk.
Wat zou hij er niet voor willen geven om dat heerlijk doel te bereiken. Hij gaf, als hij ze had, er voor duizend levens.
Het gansche schepsel zucht en is als in barensnood tot nu toe. Zoo zag het de Apostel en zoo ziet het ook ons oog.
Daar trilt door heel de wereld een zucht. Met opgerichten hoofde wordt heengeblikt en gegrepen naar wat komen zal.
Weet ge wat ieder, die door den hemel werd onderwezen, die bij het Woord Gods het leven in zijn ware gedaante heeft leeren zien, opmerkt ? Zoo dwaas is hij geworden door de zonde. Hij ziet uit naar wat achter hem is. Hij is het Paradijs kwijt, en waant het te zullen betreden.
Zou het dit enkel zijn ?
Het antwoord luidt : , neen". Voor Gods kinderen is wachtende een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Daarmede is de Almachtige en de Barmhartige tevens, nu al de eeuwen door bezig om dit bouwwerk te formeeren.
Eenerzijds zal het den schijn wekken of aan de vele zuchten nog nieuwe werden toegevoegd — de tijden immers werden hoe langer hoe donkerder, hoe langer hoe zwaarder. Anderzijds laten zich heimweeklanken beluisteren, die steeds duidelijker weergaven : Maranatha, de Heere komt. Waaraan de bede zich paart : „Kom, Heere Jezus, kom haastelijk".
Door de tranen heen een lach — zoo zou ik 't willen noemen. Wat is, wordt minder ; wat komt, neemt toe.
Zoo willen ook wij het zien, als ons "boekjaar staat te worden afgesloten. Deze wereld levert veel moeite en zorgen, doch ons oog richt zich naar wat de Heere in Christus Jezus besloten heeft en wat Hij gewisselijk zal geven aan die Hem vreezen. Met al het gebrekkige, dat ons aankleeft, zijn wij hiervan overtuigd, dat Zijn Naam zal worden verheerlijkt en Zijn Koninkrijk wordt uitgebreid. Laten wij alzoo het overzicht doen volgen, waaraan de laatste dagen van maand nog wel iets mogen bijdragen, verreweg het grootste deel kwam nu.
1. Het eerste wat inkwam werd in de collecte van de Bijbellezing gevonden van N.N. Het waren twee rijksdaalders, waarvan één bestemd was voor 't Studiefonds en de andere voor den Medischen Dienst.........ƒ 2.50
'k Zeg de(n) onbeken de (n) gever of geefster zeer hartelijk dank.
2. De tweede post kwam uit 't hooge Noorden, n.l. uit Groningen, zond mij de heer J. B. zijn contributie, zijnde...2.50
'k Betuig dank. ook hem mijn oprechten dank.
3. Door ds. Heijer te Vlaardingen kreeg ik de inhoud van het busje van N, N. zijnde „ 3.88
Wanneer ik bij de verantwoording van de vorige week een heele rij van busjes te vermelden had, heeft dit voor mij dubbele waarde.
'k Zeg zender en verzamelaar zeer vriendelijk dank.
4. De jeugdige Pastor van Nieuw-Beijerland heeft mij blijde gestemd door zijn eerste zending. Bij zijn intrede in deze zijn eerste gemeente, mocht hij een collecte houden voor onze fondsen. . Deze bedroeg 17.
'k Zeg den Kerkeraad voor deze blijken van medeleven ook hartelijk dank.
5. Van den Penningmeester van de afd. Noordwijk aan Zee ontving ik een briefje van „25.—
Hierin waren de contributie-gelden vervat met de abonnementsgelden van enkele lezers van De Waarheidsvriend.
De namen van dezen zal ik aan den Administrateur doorgeven.
Vanuit dezen kring mogen wij telkens de meest ondubbelzinnige blijken van sympathie ontvangen. Hiervoor mijn warmen dank.
6. Te Elburg hebben wij onder meer een onzer vrienden wonen, die omtrent dezen tijd van het jaar mij altijd een schrijven zendt, met een briefje van tien gepaard gaande, waaruit wij mogen afleiden hoezeer hij meeleeft in alles. Dit doet ons zoo buitengewoon goed. Hij blijft nog altijd zich achter N. N. verschuilen : „10.—
7. Thans volgen nog enkele posten, welke uit verschillende gemeenten mij werden toegezonden aan contributies.
Uit Delfshaven ontving ik van den Penningmeester van de Afd. aldaar..., , 51.—
8. Uit Middelharnis evenzoo. De Penningmeester zond mij met een opgewekt schrijven de contributiegelden, zijnde f 21.50 „21.50
9. Uit Eindhoven, waar wij ook enkele leden hebben, zond mij onze vriend B. / 5.70 „ 5.70
10. Terwijl uit Alkmaar onze vriend V. d. W. zijn contributie deed geworden, zijnde f 2.50. Hij heeft dit al vele jaren achter elkaar gedaan, 'k Hoop, dat de Heere hem dit nog vaak vergunnen mag door onzen arbeid op deze wijze te steunen „ 2.50
11. Tenslotte kreeg ik van den Penningmeester van de afd. alhier de bescheiden, waaruit mij bleek dat de contributie was ingezameld. Deze bedroeg „ 93.25
'k Wil thans de verschillende Afdeelingen, inzonderheid de Penningmeesters, recht hartelijk dank zeggen voor al de moeite en zorgen, welke zij zich hebben willen getroosten. Bij ervaring weet ik, hoeveel zorgen juist dit punt geeft. Vandaar ook mijn niet geringen dank.
'k Mag zeker nog wel eens bij die Afdeelingen aankloppen die nog niet klaar kwamen met hun contributie, 'k Weet wel, dat dit vaker gebeurt, dat men voor het einde van het boekjaar, d.i. den laatsten November, niet gereed kwam, doch, dit kan ieder begrijpen, levert voor mij niet dan moeilijkheden. Dus doe nog uw best. Met collecten, die gehouden werden, staat het evenzoo. Wanneer ge dadelijk na de ontvangst van dit no. de gelden op de giro stort, krijg ik 't nog op de giro, gedateerd 30 November.
12. Nog een tweetal posten kwamen zich melden. In meerdere plaatsen hebben wij lezers, die door de tijdsomstandigheden niet langer in staat bleken hun abonnementsgelden te kunnen afdragen. Nu waren er evenwel vrienden, die deze zorg op zich namen. Zij betaalden voor hun minder bedeelden broeder. Ook werd meer dan eens toegestaan om zooveel te betalen als zij konden doen. Zoo kreeg ik van een onzer oudste vrienden, die al de jaren lezer was geweest, een schrijven, dat hij niet meer kon betalen. Per keerende post heb ik hem geantwoord : „Ge krijgt het blad voortaan gratis".
Zie, nu begrijpt ge ook de waarde van wat deze vriend mij toezond. Hij sloot postzegels in een briefje tot een bedrag van 77 cent. Dit kwam in onder O. te V , , 0.77
Dit heeft voor mij meer waarde dan een heele abonnementsprijs. Ik dank je wel, hoor.
Ik dank je wel, hoor. 13. Heel ten slotte zond de ijverige Penningmeester van de Afd. Amsterdam mij een dubbele post van één gld., n.l. van den heer P., uit dankbaarheid na ziekte 1 gld., en van N. N. was hem een gulden ter hand gesteld voor den Geref. Zend. Bond. We zullen dus voor het Studiefonds één gld. noteeren , 1.—
Voor dit alles zijn wij hoogst dankbaar. Moeilijkheden blijven er, naar het Woord des Heeren, doch daarnaast blijft staan dat het Koninkrijk Gods komt en straks de glorie van Christus zal blijken voor aller oog. De eindsom voor deze week was alzoo
f 236.60
Utrecht.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's