MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Als de gemeente het geweten had en als zij iets besefte van hetgeen hij voor haar in de eenzaamheid geheel alleen wel doorworsteld had, dan zou zij hem niet zoo spoedig hebben vergeten en op een dag als dezen niet zóó weinig eerbied aan' den dag hebben gelegd voor de nalatenschap van den man, die de belangen van allen op zijn hart gedragen en 't met ieder zoo goed gemeend had.
Arme domiiné ! Zoudt u wel hebben kunnen denken, hoe spoedig uit de harten verdwenen te zijn?
Maar Betje vergeet u niet. Heden met nu zij op het punt staat heen te gaan van deze plek, waar elke voetstap grond tot haar spreekt en zij wellicht nooit weer terugkeert, maar later ook niet, als zij vér weg zal zijn van hier, waar zo'n stuk van haar leven werd doorgebracht.
Scheen het niet alsof die zacht wuivende takken haar een afscheidsgroet toewierpen, nu zij de leege pastorie voor altijd vaarwel ging zeggen ? Hoorde zij in het gonzen der insecten hun ontevredenheid niet over de verandering, die hier kwam ? Was het dan werkelijk waar, dat zij nu voor het laatst hier stond te peinzen en rondom zich keek alsof zij iemand zocht, die maar niet kwam.
En weer vloeiden de tranen, zoolang bedwongen, omdat de nicht, die nu gelukkig deze plaats door haar hardvochtige karakter niet langer ontwijdde, deze niet had mogen zien. Niemand, die haar 'hier meer storen kwam. Kon zij nu den tijd maar vasthouden, om heel lang te blijven mijmeren, in de gedachten in haar zich vermenigvuldigden en de herinneringen aan vervlogen dagen elkaar verdrongen, 't Werd hier hoe langer hoe plechtiger.
Maar de avond naderde en zij moest voort. Nog even 'n paar afscheidsgroeten bij de vertrouwelingen, — vrouw Kalma onder anderen, die dit voorjaar had meegeholpen de groote pastorie schoon te maken. — En dan nog even naar het kerkhof, als het donker werd, voor een laatsten groet aan het graf. Keimpe zou haar dit wel toestaan. Gewoonlijk sloot hij vroeg het hek, om te voorkomen, dat onder begunstiging van de duisternis het „jong volk" hier zou gaan wandelen met heel andere gedachten dan aan dood en eeuwigheid, en het nachtgedierte hier zou komen, om misschien de graven te schenden. Want Keimpe had de zaak in orde, dat mocht gezegd worden. Elke grafheuvel was naar bepaald model gemaakt en al de grasranden langs de paden waren gelijk afgestoken en in het fijne grindzand groeide geen grassprietje en bleven geregeld de sporen der tanden van de tuinhark zichtbaar, die daar niet veel rust had. Maar ook juist daarom werd vroeg gesloten, omdat elke voetstap een spoor naliet.
Voor Betje zou Keimpe ditmaal echter wel een uitzondering maken. Zij kwam immers voor het graf van den dominé om een afscheidsbezoek. Had zij verleden Zondag, toen zij voor het laatst hier naar de kerk ging, niet gezien, hoe Keimpe opnieuw dit graf had opgehoopt, omdat het aan den eenen kant een weinig invielt en hoe al het gras rondom, deze rustplaats was weggemaaid, waardoor zij des te meer uitkwam ? Want Keimpe mocht wat ruw wezen, iets wat hij met den dood, dien hij diende en in wiens nabijheid hij dag en nacht verkeerde, gemeen had, omdat deze soms ook zoo ruw en wreed optrad en van één scheurde, wat zoo gaarne bij elkaar bleef, maar in den grond der zaak meende hij het toch niet slecht. Keimpe was eerlijk en oprecht, en zei altijd precies wat hij dacht en vleide niet, niemand, al was hij nog zoo rijk of nog zoo voornaam. Dit vond wellicht zijn oorzaak hierin, dat deze allen bij hem terecht moesten komen, onverschillig wie zij waren en waar zij woonden, om dan een prooi van het verterend graf te worden.
IMaiar voor den dominé had hij altijd eerbied gehad, wijl deze voor den godsdienst arbeidde, en hem de dooden bracht. Iets van dien eerbied gold ook Betje, die jaren lang voor den dominé had gekookt en het bed had gespreid, en meer dan iemand anders voor hem had gezorgd.
Daarom waagde zij het wel, toen de schemering was ingevallen, stil het pad naar het kerkhof in te slaan, bij den doodgraver aan te kloppen en hem te vragen nog even 't zware, zwarte hek voor haar te ontsluiten, omdat zij nog graag even geheel alleen bij het graf van den dominé wilde zijn.
En zij had zich niet vergist. Nauwelijks had zij voorzichtig de voordeur van de lage, kleine woning, welke zoo peuterig afdak bij die hooge, zware kerkmuren en den plompen toren, geopend, of daar trad Keimpe al met den sleutelbos in zijn handen naar buiten.
„k Had je natuurlijk stellig nog even verwacht" zei hij, en ging haar toen verder zwijgend voor. Bij het kerkhof gekomen, stak hij voorzichtig den sleutel in het slot, draaide dit nauw hoorbaar om en daar opende zich het hooge ijzeren hek, aan welks beide zijden grijnzende doodskoppen den wandelaar predikten, wat hier van hem te worden stond.
Zonder een woord te spreken gingen daarop beiden naar binnen, waar onder populier en treurwilg de geslachten sluimenden, of, zooals Job het dichterlijk bezong : „Daar houden de boozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht. Daar zijn de gebondenen te zamen in rust„ zij hooren de stem des drijvers niet meer ; de kleine en de groote is daar, en de knecht vrij van zijnen heer."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's