KOHLBRUGGE
en de leer des heils
XIII.
„De heiligmaking des Geestes is levend, machtig, onwederstandelijk en leidt tot het leven, is eenvoudig en waar, terwijl de heiligmaking des vleesches dweepziek, verzonnen en valsch is. Wij worden onderwezen, dat wij in de heiligmaking zijn, en wel in een krachtige, levende, goddelijke, in de heiligmaking des Geestes, en dat wij in deze heiligmaking uitverkorenen zijn naar de voorkennis Gods. Dat is derhalve de ware heiligmaking des Geestes, dat Hij ons tuchtigt en ons ook bekwaam maakt, het evangelie te gelooven, dat wij ons aan Christus als onze gerechtigheid en sterkte toevertrouwen voor tijd en eeuwigheid, met lichaam en ziel, met al ons bezit, dat wij in het Woord in Christus blijven, blijven in Hem, de wijnstok, opdat wij vrucht dragen, dankbaar en vol vreugde er aan denkend, dat wij zonder Hem niets kunnen doen". (Predicaties over 1 Petr. 1—4, bladz. 5 en vervolgens, vergelijk Licht und Recht, deel 12, blz. 84).
En de vrucht des Geestes blijft niet uit. „Christus, die leeft, geeft het leven, is werkzaam in de geloovigen met den Geest der heiligmaking en maakt hen werkzaam door dezen Geest. Waar Hij echter werkzaam is en werkzaam maakt, daar ziet het er niet ineens zoo uit, als zou een volmaakt werken, een volmaakte heiligheid aanwezig zijn, maar het werken van God en van Christus is een werken in genade, en het werken van den geloovige bestaat daarin, voortdurend te ontvangen en te nemen uit de volheid van Christus, genade voor genade.
Ware al het werken ineens hier beneden heilig en volkomen, dan zou dat een stilstand veroorzaken, die gelijk stond met den dood.
Opdat het geloof de overwinning behaald hebbe, wordt ons niet een heilig worden gepredikt, waarna op het worden het zijn volgt, alsof wij ons door onze werken heilig maakten, maar er wordt ons een heilig zijn gepredikt, zonder met onze werken rekening te houden, opdat uit het zijn het worden voortkome. Het woord van Christus drijft de vrucht naar buiten en doet deze te voorschijn komen, niet uit den mensch, maar uit Christus door Zijn Geest in den mensch en maakt den mensch zoo werkzaam, zooals de boom werkzaam is, niet door zich zelf, maar door den innerlijken drang, die in den boom is". (Licht und Recht, deel 5, blz. 69 en vervolgens).
„In Romeinen 6 : 22 staat : Gij hebt uw vrucht tot heiligmaking, dat wil niet zeggen: gij hebt uw vrucht, namelijk de heiligmaking, alsof de heiligmaking de vrucht zou zijn, die men van zulk een dienst heeft. Want de heiligmaking hebben wij in en door Jezus Christus. Ook zegt de apostel niet : Gij hebt nu uw vrucht, zoodat gij heilig wordt, alsof hier sprake ware van een voortgaan, bijvoorbeeld van deugd tot deugd, van kracht tot kracht of van een geleidelijke reiniging, zoodat wij hoe langer hoe meer rein en aan God gelijk worden. Het heilig gemaakt zijn is in en door Jezus Christus. Wat Christus voor de Zijnen heeft tot stand gebracht, dat werkt Hij zelf ook in de Zijnen". (Licht und Recht, deel 12, bladz. 86).
„Wie zijn vertrouwen op Christus stelt, als op dengene, die voor hem volkomen dat is, en in welken hij volkomen dat is, wat geestelijk met de wet overeenkomt, die kan op de wet niet verder ingaan dan slechts in zooverre, dat hij het met dankzegging erkent en gelooft, dat alles, wat de wet wil en bedoelt, voor hem de Heere is. Wie echter zoo op Christus vertrouwt, die zal het ook wel altijd ervaren, dat de Heere, die de Geest is, hem Zijn Geest meedeelt, om de wet geestelijk te verstaan, zoodat, als hij de letter leest, hij geen verdoemenis in zich speurt, maar enkel vrede. Want hij verstaat de letter zoo, dat hij alles heeft, wat de letter wil, omdat hij zijn Heere heeft. De letter drijft hem niet van den Heere af, maar naar den Heere toe, en hij ziet in den Geest van Christus van zichzelf af en alleen op zijn Heere, doordat hij uit God gerechtigheid, zoowel als heiligmaking en volkomen verlossing is". (Licht und Recht, deel 10, blz. 102).
Hoe komt nu een mensch tot de heiligmaking ? Daar rijzen allerlei groote en moeilijke bedenkingen. Maar Kohlbrügge weet ook overal in zijn predicaties vele en voortreffelijke woorden te zeggen, dat de heiligmaking een gave Gods en een belofte is, die door het geloof wordt aangegrepen. „Ofschoon ik dat alles geloof, ben ik toch niet los van de zonde ; dat word ik bij mij zelf maar al te goed gewaar. Moet ik dan de zonde maar bij mij laten uitwoeden, haar ter wille zijn, en bij dat alles zeggen: Ik bekommer mij daar niet om, ik ben rechtvaardig, ik geloof ? Neen, dat gaat toch niet ; ik moet de wet erbij nemen. Dat kunt gij mij niet betwisten. Weliswaar niet een wet der werken, maar als een wet der heiligmaking door de kracht van Christus én de hulp dés Geestes.
Daarop is te antwoorden : De gerechtigheid, die Christus aangebracht heeft, dient tot rechtvaardiging des levens. God wil het geloof in Christus, daarin is een mensch rechtvaardig ; niet in een Christus, die niets voor ons gedaan heeft en alleen voor zichzelf bestaat, maar in Christus als in het nieuwe hoofd der menschheid." (Licht und Recht deel 12, blz. 77). „Christus heeft ons niet half van de zonde vrijgemaakt, maar geheel. Nadat Hij dit heeft gedaan, heeft Hij ons niet aan onszelf overgelaten en niet tot ons gezegd : Ik heb u volkomen bevrijd, daar hebt ge nu mijn wetten en geboden, gedraagt u nu voortaan als heeren en dappere helden ; Ik heb u immers van alles voorzien ! Was dit het geval, dan kwam en slotte niemand van ons terecht." (Licht nd Recht, deel 12, blz. 81).
„Het geheele doen van Gods wil, het bewaren van Gods geboden, het wandelen in Zijn wegen, de waarachtige heiligmaking is een gave Gods ; dat alles wordt door Hem gegeven, doordat Hij Zijn heilige Geest geeft. Waar nu de Geest is, daar komt ook Zijn vrucht. Deze Geest nu is door God beloofd, en deze belofte ontvangen wij door het geloof." (Licht und Recht, deel 10, blz. 7 en verv.).
„Wat Christus leeft, dat leeft Hij Gode ; dat leeft Hij als Christus, niet voor zich zelf, maar God ter eere, opdat nu voortaan Gods wil ook door ons gedaan worde, dat het recht, door de wet geëischt, ook in ons naar geest en waarheid vervuld zij.
Wien het dus om reiniging, om heiligheid, om goede werken, om het doen van den wil Gods gaat, die geloove alleenlijk, die boude aan het geloof vast, waarin hij alleen de gerechtigheid heeft, die geldt voor God ; die geve zich over, zooals hij is, met zonden en met alles, met zwakheid en onmacht aan Christus en houde zich enkel en alleen aan Hem vast." (Feestpredicaties, blz. 252).
„De genade van Jezus Christus is voor hen, die gelooven en niet werken, alles en vervult hen met Zijne volheid, zoodat er niets aan ontbreekt. De apostel (Romeinen 7 : 14) wil hun toonen, dat het rechtvaardig gemaakt zijn in hen vervuld is en wordt, juist dan, als zij zoo zwak zijn, dat het moeten voor hen het treffendste bewijs van hun nietszijn, van hun verlorenheid is, en dat alleen de gedachte er aan al zonde en afgoderij voor hen is. God zelf zorgt er al voor, dat men Zijn wil doet en Zijn bevelen nakomt ; zooals de moeder bij de kinderen, zoo is Hij met Zijn heiligen bezig, grijpt hen, als zij zouden vallen, rukt hen uit, als zij ergens in gevallen zijn. Hij houdt hen steeds op den rechten weg, draagt hen door alle moeilijkheden heen." (Het Woord werd vleesch ; beschouwing over Mattheüs I, blz. 112).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's