De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

ONS DOEL
Nu we weer een nieuwen jaargang zijn ingegaan met ons Bondsblad, kan het geen kwaad nog eens duidelijk aan te geven : het doel van onzen Gereformeerden Bond ; gelijk men dat nader omschreven kan vinden in Art. 4 van de Statuten, een artikel, dat onveranderlijk is.
Aanvankelijk werd in 1906 bij de oprichting van den Gereformeerden Bond tot vrijmaking der Ned. Hervormde Kerken gedacht aan den politieken weg. Het zou de taak van de Overheid zijn om de besluiten van 1816 enz. aangaande de Hervormde Kerk in te trekken en krachteloos te maken, dan zou de band, rondom de Hervormde Kerk gelegd, springen en dan zouden de Hervormde Kerken „vrijgemaakt" kunnen worden enz.
Dat heeft enkele jaren van verdriet, van onderlinge verwarring en van verwijdering gegeven en het eind van het liedje was, dat de Gereformeerde Bond tot „vrijmaking" van de Hervormde Kerken zonder veel eerbetoon, met stille trom, begraven is. Het lied was uit, maar dan ook totaal uit, want er was niets van overgebleven, dank zij de prachtige opzet van alles !
Op 't zelfde oogenblik, dat de eerste Bond verdween, herleefde onze tegenwoordige Gereformeerde Bond.
De politieke weg tot vrijmaking van de Kerken is losgelaten (niet de politiek, want die kan een christen niet loslaten, als hij het goede zoekt voor land en volk) want het is absoluut onmogelijk en daarom totaal overbodig om er over te spreken : dat de Regèering de besluiten van 1816 zou opheffen enz.
Het is genoegzaam gebleken, dat al dat praten daarover (ds. Zandt doet het altijd nog ééns per jaar in de Tweede Kamer) totaal vruchteloos is. Juristen en politici van naam zijn 't daarover nu wel eens !
Daarom is welbewust een anderen weg gekozen, den kerkdijken weg, den weg door de Nederlandsch Hervormde Kerk zelve te bewandelen.
Vroeger luidde Art. 4 : „De Vereeniging heeft ten doel op den grondslag der Heilige Schrift, opgevat in overeenstemming met de Formulieren van Eenigheid der Gereformeerde Kerken in Nederland, de Gereformeerde beginselen te verbreiden. Dit doel tracht zij te bereiken door : a. het streven naar opheffing van de organisatie aan de Gereformeerde Kerken in Nederland opgelegd bij Kon. Besluit van 7 Januari 1816, naar vrijmaking van de plaatselijke Kerken behoorende tot de Nederlandsch Hervormde Kerk en naar herstel van eene Kerkordening, om te komen tot een herboren Gereformeerde Kerk, enz."
Die aangelegenheid van het Kon. Besluit van 7 Januari 1816 en opheffing daarvan — is nu uit onze Statuten verdwenen.
De naam „Gereformeerde Kerken" — komt er niet meer in voor.
De vrijmaking van de plaatselijke Kerken behoorende tot (let op die uitdrukking !) de Ned. Hervormde Kerk — staat er niet meer.
Ef staat nu heel iets anders wat vorm van beschrijving aangaat, alsook wat de doelstelling zelve betreft. Er staat nu : „De Vereeniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid, te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk, om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot wederver krijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619."
Verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk Om te komen tot wederoprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val.
Om wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk. Met vasthouding aan de presbyteriaansche wijze van Kerkregeering zooals dat ons in de Dordtsche Kerkorde van 1619 is omschreven (waarbij we natuurlijk niets willen weten van de uit de tijdsomstandigheden te verklaren manier van samenkoppeling van politieke heeren met de kerkelijke ambten, vergaderingen enz.).
Men kan het met dit Art. 4 van onzen Gereformeerden Bond eens zijn of niet — maar in de omschrijving is (vooral ook tegen het licht van de eerste redactie van 1906 gezien) „geen woord Fransch". Het is voor de eenvoudigste onder ons duidelijk. En nu kan men zeggen : dat is „Roomsch". Men kan zeggen : dat is „Confessioneel". Men kan zeggen : dat is „Luthersch". Men kan zeggen : dat is „onzin". En wie weet wat voor moois of men nog meer weet bijeen te brengen, als men gaat opponeeren. Maar dat alles verandert aan de zaak niets, dat de Gereformeerde Bond sinds 1909, en dus nu bijna 30 jaar, op dien grondslag staat, met die doelstelling en met die wegen en middelen.
En daarom moet het ons aller doel zijn daaraan mee te werken, in de kracht des Heeren, onzes Gods, onzen arbeid gedragen zijnde door ons gebed.
We zijn en blijven „in het midden van de Nederlandsch Hervormde (Geref.) Kerk."
We arbeiden, opdat „de Nederlandsch Hervormde Kerk weer uit haar diepen val mag worden opgericht".
We bidden en werken — want bij al ons werken is ons geloofsgetuigenis telkens : er is óók nog een God ! — opdat de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk weder bij vernieuwing haar plaats moge verkrijgen, haar vanouds door den Heere aangewezen (daarom noemen we haar óók wel „onze aloude Vaderlandsche Kerk", want de Heere, Die met Zijn Kerk in elk land en onder elk volk een geheel „eigene" geschiedenis houdt, heeft dat zéér bijzonder gedaan in ons land en ons volk met de Nederlandsche Kerk, die haar eigen Gereformeerde belijdenis heeft — wel ten nauwste verwant aan de belijdenis der Kerk in andere landen, maar toch ook weer typisch Nederlandsch, onderscheiden van andere confessies door den gang der dingen in Nederland IJ.
Daarbij willen we in 't oog houden de beginselen der Kerkregeering, zooals we die in de Dordtsche Kerkorde vinden beschreven.
Of we niet weten, hoe vroeger doorloopend in werkelijkheid de kerkelijke toestanden waren ?
Zwijgt gijlieden stil — wij weten het óók wel —
De Kerk des Heeren hier op aarde, in haar aardsche verschijning (want we zijn nuchtere menschen, die graag met beide voeten op den bodem der werkelijkheid staan, wetend, dat we niet op de wereld zijn om met het hoofd in de wolken te loopen en bellen te blazen) is niet alleen een strijdende Kerk, worstelend met en tegen de vijanden van buiten, vijanden van politieken en anderen aard, zooals 14 Calvijn, Zwingli, Luther en ook onze Vaderen hier hebben moeten ervaren en doormaken, maar zij is óók uit en van zichzelf zoo zwak, en zoo zondig. En daarom o ! er komt zoo weinig van het ideaal terecht. Onder Israël, onder de Oude Bedeeling, zien we dat helaas ! doorloopend. In de eerste eeuwen van het Christendom zien we dat helaas ! aanstonds en doorloopend. In de Middeleeuwen dito, dito. Na de Reformatie is spoedig hetzelfde te zien, ten spijt van de Formulieren. Twisten en tweedrachten in allerlei vormen. Heusch, dat behoeven degenen, die de Gereformeerde Waarheid gram zijn, ons niet sarcastisch en hatelijk als een nieuwtje te vertellen, alsof we het niet zouden weten en het vandaag voor 't eerst zouden hooren. En we weten dat de ellende in de 17e en 18e eeuw niet minder werd. In de 20ste eeuw nog erger. Toen is bovendien aan de Kerk het grootste onrecht gepleegd door de Overheid, door den regeerenden Vorst zelf, Koning Willem I, onder omstandigheden, die als twee druppels water gelijken op wat nu in Duitschland voorvalt. De Koning met z'n raadgevers mochten alles doen — óók met 's Heeren Kerk. En die even maar een zwak protest deed hooren, werd op de vingers getikt en met barsche stem werd gezegd : „denk er aan, dat gij u tegen den Koning verzet, dank er God liever voor, dat we zoo'n goeden Vorst hebben gekregen eindelijk, om ons volk en Vaderland te redden van den ondergang !"..
Dat alles weten we. De ellende van vroeger, met velerlei verval en velerlei twist, 't Knechten van de Regenten eertijds. Het onrecht van 1816, dat in 1852 niet ongedaan gemaakt is. Maar nochtans spreken we in 1937 van de Nederlandsch Hervormde (Gereform.) Kerk, en willen we arbeiden aan de wederoprichting uit haar diepen val, naar uitwijzen van Schrift en belijdenis.
Daarom is van den beginne afaan ook gezegd : wij leven niet uit het beginsel van de Afscheiding van 1834, noch uit het beginsel van de Doleantie van 1886.
Het beginsel van de Afscheiding was : de Hervormde Kerk werd verklaard de valsche Kerk te zijn en men scheidde zich van haar af, men keerde haar den rug toe — in de Acte van Afscheiding te Ulrum door „de geloovigen" onderteekend — totdat het Hervormd Genootschap weer zou zijn teruggekeerd „tot de leer en den dienst der Vaderen". Men formeerde zelf, krachtens het ambt der geloovigen een Chr. Afgescheidene Kerk.
Het beginsel van de Doleantie in 1886 was (toen de Chr. Afgescheidene Kerk dus reeds 50 jaar zelfstandig als „de ware Kerk" bestond) : de Hervormde Kerk was niet de valsche Kerk, maar de Besturen-organisatie was zonde ; daarom wilde men Hervormd zijn en Hervormd blijven, maar krachtens het ambt der geloovigen schudde men de kerkelijke organisatie af en vermaande men de Kerkeraden „de reformatie ter hand te nemen" en de Hervormde Kerk „vrij te maken van onder het juk en te bevrijden uit den strik". Maar de Organisatie zóó maar afschudden en doen alsof er geen Besturen zijn en dan toch Hervormd blijven en de kerkelijke goederen te annexeeren, gaat nu eenmaal niet. En zóó kwam men in 1886 natuurlijk toch buiten de Hervormde Kerk te staan, zij 't dan ook als „doleerend" of „treurend" en „klagend", ook „protesteerend", tegen alle „onrecht", hun aangedaan.
Noch in den éénen, noch in den anderen weg willen wij wandelen, gelijk we van den beginne afaan gezegd hebben, telkens weer. Geen „separatisme", geen „doleantie" (want dat zijn twee).
Wij willen den weg, in ons Statuut nader omschreven. En zoo strijden en worstelen we; zoo werken, en bidden we ; zoo zoeken en vragen we ; zoo hopen we — dikwijls tegen hope in. Want de weg is moeilijk. En het verleden spreekt, terwijl de toekomst kan benauwen. Maar het is onze roeping en plicht. De liefde dringt. Het geloof sterkt. De moed vernieuwt. De arbeid vordert. En — daar is een God, Die leeft, op Wien wij hopen en vertrouwen. Hij, Die het beloofd heeft, is getrouw ; Hij zal het maken, op Zijn tijd en in Zijn weg.
Neen — onze Hervormde Kerk het bloed | aftappen, dat wil onze Gereformeerde Bond niet. Ons doel is een ander. Ons doel ligt hooger. En wat we nu 28 jaar hebben mogen doen, door Gods genade, waarbij Zijn trouw en liefde en gunst ons niet heeft ontbroken, hopen we ook dit jaar weer te doen. Zijn trouw zal blijken !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's