MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Even onhoorbaar werd het zware hek gesloten. „Je kunt het verder wel vinden. Ik blijf hier tot je terug komt en heb den tijd, " sprak Keimpe eindelijk, als om haar gerust te stellen, dat zij zich niet behoefde te haasten.
Daarop nam hij plaats op een bank en staarde heel den doodenakker over, als. wilde hij voor zijn geest terugroepen al de beelden van degenen, wier laatste woning hij hier gemaakt had.
En Betje, die hem kende, ging met een enkelen hoofdknik heen. Voorzichtig, met afgemeten pas, tusschen de paden doorgaande als vreesde zij iemand te storen in de rust, liep zij naar den heuvel van den domlné. Ja, daar lag hij. Niet ver van het graf van Elske, de meld van „Bornia-State, " die óók zoo plotseling in de kracht van het leven was heengegaan. Ach, wat had dominé het daarmee te doen gehad, veel meer dan de menschen wisten, omdat hij dat alles in zich verborg. Maar het had hem zóó aangegrepen, om Elske zèlf, omdat zij nog zoo jong was, en om haar verloofde en hare ouders, dat hij dien dag bijna niet gegeten of gedronken had.
En nu lag hij daar zelf, roerloos en levenloos tusschen zijn dooden. Precies zooals hij het begeerd had. Als een herder, maar wien de staf aan de hand ontvallen was, te midden zijner schapen en lammeren, die evenals hij hadden moeten buigen voor het doodsgeweld.
Wat was het hier stil. Betje zou haast kunnen wenschen, dat zij hier ook maar rusten mocht naast zoovelen, die zij gekend had. Liever dan 18 opnieuw, geheel alleen, het leven in te gaan naar een toekomst, die haar zoo vreemd en donker leek.
Waarom moest zij overblijven en nu van nieuws aan zich een levensroeping kiezen ? En waarom kon zij nu ook niet heengaan, om te rusten na een leven van arbeid, met zoo weinig zonneschijn en zooveel verdriet ? En waarom moest zij nu zooveel banden verscheuren, om als een eenzame vreemdelinge haar weg te vervolgen ; zij wist zelf nog niet waarheen ?
Doch op al die vragen, en zij vermenigvuldigden hier tot in toet oneindige, kreeg zij geen antwoord. En het was alsof de ritselende bladeren boven haar hoofd het hier op den doodenakker, waar zooveel tranenzaad gelegd werd in de aarde, nog geheimzinniger maakten.
En al maar staarde zij op dien zwarten hoop aarde, daar voor haar voeten, waaronder de dominé verborgen lag. Evenals het zaad, dat de tuinman vroeg in het voorjaar in de perken zaaide en dan voorzichtig toedekte, opdat het daar rustig en veilig ontkiemen zou tot den tijd, waarop het in een groenen scheut van tusschen de aardkluiten opkwam, na in de donkerte de teere worteltjes naar alle kanten te hebben uitgeslagen, en om dan, als de voleinding daar was; te pronken in al de kracht en heerlijkheid van het nieuwe, leven, zooals dit opkwam uit den zwarten aard schoot. Zou het zoo ook zijn met die allen, die hier begraven lagen ?
Betje had er wel eens zoo over gelezen, en dominé had ook wel eens over de opstanding gepreekt, maar daar had zij nooit veel van begrepen, omdat het zoo hoog en zoo vreemd leek. Dit kon natuurlijk den leeraar niet geweten, maar dit kwam door haar, omdat zij zoo dom was en den geleerden dominé niet begrijpen aan.
Of misschien ook wel een beetje, doordat zij het leven niet begreep, evenmin als dien dood, en die gestadige wisselwerking van beide, waarbij het een in den ander overging, om er later weer uit op te komen, al was het in anderen vorm en gedaante. Juist als met de golven der zee, zooals zij wel eens gezien had, waar deze in gedurige deining dan weer omhoog rezen en dan weer in de diepte neerzonken, en dan weer daaruit opkwamen. Lang had zij wel eens over de verschansing van de boot naar dat eeuwige spel der golven staan kijken en daarin het beeld gezien van heel het menschenleven, in zijn eenheid en óók als massa gedacht. En bij gelegenheid, dat zij met den dominé overvoer van de Friesche kust naar Holland, was hij bij haar komen staan en had gevraagd, wat zij daar zag. Toen was zij even opgeschrikt en had verward geantwoord: „'k dacht daar net aan de levenswisseling, die vaak gelijk is aan die kleinere en grootere golven, waarbij de een de ander overtreft en alle ook weer aan elkaar gelijk worden." En toen had die dominé even gelachen en zoo'n vreemd woord gebruikt, — zij wist niet wat het beteekende, — maar het Monk zooveel als philosofeeren. Doch het volgend oogenblik was hij stil geworden, heel stil, en had toen óók in de donkere diepte van de schuimende zee gestaard, en eindelijk gezegd: „Je hebt gelijk, Betje, zoo is het leven ook."
Ach, al die dingen, zij kwamen hier bij haar boven, nu zij stond bij zijn graf. En zij zou zoo wel kunnen dóórgaan, omdat de eene herinnering de andere verdrong.
En nu was hij neergedaald in de diepte. Zou hij daaruit ook weer opkomen ? En zouden al die dooden daaruit weer opkomen, die hier rondom haar sluimerden en die zij zoo goed gekend had ? Elske van „Bornia-State", en Kalma, ook in de kracht van het leven weggeroepen, en dan die velen, die aan Spaansche griep waren gestorven, heel die groote menigte bekenden en onbekenden, die hier al sinds eeuwen sluimerden en van wie niets meer overgebleven was, totaal niets ? De bijbel sprak daarvan, en sommige grafsteenen spraken daar óók van.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's