UIT DE HISTORIE
WERNERUS HELMICHIUS.
Een ijveraar voor de eenheid van het Gereformeerde Kerkverband.
I.
De datum van Helmichius' geboorte schijnt tot op heden onbekend te zijn, doch vast staat, dat hij in 1551 te Utrecht het levenslicht aanschouwde. Bijzonderheden omtrent zijn ouders en eerste levensjaren ontbreken. Het eerste belangrijke gegeven, waarover wij beschikken, is het feit zijner inschrijving als student aan de Universiteit van Geneve, hetwelk geschiedde op 5 December 1566. ^) Toen Helmichius dus op 15-jarigen leeftijd zijn studie aan die inrichting aanving, was Calvijn reeds overleden - ), en Beza de eenige professor in de theologie. Na een vierjarig verblijf te Geneve vertrok Helmichius naar Heidelberg, waar Zanchius, bekend om zijn voortreffelijke kommentaren, theologie doceerde. Wij kunnen er dus zeker van zijn, dat Helmichius reeds jong goed onderlegd geweest is in de dogmatiek en de exegese. Zijn verdere levensloop bewijst trouwens, dat hij als student ijverig moet hebben gestudeerd.
Na zijn studie te hebben beëindigd, was Helmichius allereerst predikant bij de Nederlandsche vluchtelingen-gemeente te Frankfort a/d Main. Hij aanvaardde zijn ambt waarschijnlijk in 1574. De omstandigheden, waaronder de „kerken onder het kruis" verkeerden, waren in dien tijd verre van gunstig. Zoo vergaderde de gemeente van Frankfort gedurende meer dan 30 jaren in een groote schuur, waarin ook Helmichius het Evangelie heeft verkondigd. De vele moeilijkheden, die zich hier op allerlei gebied voordeden, hebben hem gevormd tot een bekwaam en trouw herder van Christus' schapen.
Uit verschillende beroepen, die Helmichius te Frankfort kreeg, nam hij ten slotte in 1579 dat naar Utrecht aan. Sedert korten tijd hadden de gereformeerden in deze stad de beschikking gekregen over de Minderbroederskerk, doch weldra werden hun meer gebouwen geopend, en op 15 Januari 1581 hield Helmichius zijn eerste preek in de Dom.
Naar verschillende zijden moest Helmichius strijden. Uiteraard tegen de Roomsche geestelijkheid, die alles in 't werk stelde den voortgang der Reformatie te stuiten, maar ook tegen een zekeren Duifhuis en zijn volgelingen, die de humanistische ideeën van Erasmus waren toegedaan, en door de overheid gesteund werden. Op den duvir heeft deze groep zich echter niet kunnen handhaven, en is het in 1586 gekomen tot een samensmelting met de gereformeerden.
Na een kort verblijf te Utrecht, zag Helmichius al heel wel in, dat hij, door zijn vertrek uit Frankfort, niet alleen van plaats en klimaat, maar ook wat menschen betreft veranderd was. Hij verwonderde zich over de veelheid der meeningen en beschouwingen, die hij in Utrecht aantrof. Hij was zich bewust, een geheel ander en eigenaardig worstelperk te zijn binnengetreden.
Tijdens zijn predikantschap aldaar, bediende Helmichius langen tijd het Woord ook in de Fransche taal, in verband met de vele Walen, die zich in Utrecht bevonden. Aanvankelijk lieten dezen zich als lidmaat inschrijven der gereformeerde gemeente ; later schijnen zij een eigen Kerkformatie gekregen te hebben. — Van de Synode, die in 1586 te 's-Gravenhage gehouden is, was Helmichius scriba. — Met nog twee andere predikanten werd hij in 1588 naar Engeland gezonden, ten einde bij Koningin Elisabeth de belangen te bepleiten der Nederlandsche gereformeerde Kerken, welke konden worden bevorderd door den oorlog met Spanje voort te zetten.
Een wijziging in de samenstelling der stedelijke regeering was oorzaak, dat Helmichius en zijn collega's eind 1589 ontslagen werden. Helmichius' collega Wtenbogaert werd na eenige maanden wederom beroepen, doch Helmichius wachtte daarop tevergeefs, zoodat hij een inmiddels door hem ontvangen roeping naar Delft aannam, waar hij gedurende 12 jaren heeft gearbeid. Een hem in 1591 aangeboden professoraat te Leiden is door hem „na instantelicken aenhouden" niet aanvaard. Eerst achtte hij zich „onbequaem", en later opperden de kerkeraad en de overheid zooveel bezwaren; dat Helmichius de benoeming van de hand wees.
Onder de gemeenten, die Helmichius gaarne als haar predikant begeerden, behoorde ook Amsterdam. Meermalen had 's lands hoofdstad een beroep op hem gedaan, doch zonder succes. Niettemin hield men hem voortdurend in het oog, en in 1601/2 zag de Kerk van Amsterdam haar volhardendheid bekroond. Het is bekend, dat Helmichius niet lichtvaardig tot zijn besluit gekomen is. Na een maand „in groote becommeringe" te hebben doorgebracht, deelde hij den broeders te Delft mede, aan Amsterdam het „Ja woort" te hebben gegeven, welke mededeeling met droefheid door den kerkeraad werd ontvangen. Men oordeelde echter, „dat de wille Gods moeste geschieden".
In Amsterdam won Helmichius zeer spoedig aller achting. Geen wonder ! Tijdens de pestziekte, die kort na zijn aankomst woedde, en duizenden ten grave sleepte, deed men nimmer tevergeefs een beroep op hem, om te verschijnen aan de sterfbedden van hen, die door deze besmettelijke ziekte waren aan getast.
De laatste zes jaren zijns levens, die Helmichius in „d'mater salem" (andere naam voor „Amstelredam" in de 17de eeuw) heeft doorgebracht, behooren tot de drukste, de hij ooit heeft gekend. Over den aard dezer werkzaamheden hopen wij in het volgend artikel nader terug te komen.
Over het algemeen schijnt Helmichius geen bijzonder sterk gestel gehad te hebben, wat ook een der drijfveeren was, het beroep naar Amsterdam aan te nemen, waar het klimaat hem beter voorkwam. Inderdaad mocht hij zich de eerste jaren in een redelijken gezondheidstoestand verheugen. In Mei 1608 keerde hij echter onwel terug van een conferentie, die hij met Gomarus en Arminius in Den Haag gehad had. Na dien is hij zeer waarschijnlijk ziekelijk gebleven, want op 29 Juni d.a.v. schreef hij aan Bogerman, dat zijn gezondheid nogal geschokt is, en sedert zijn terugkeer uit Den Haag nog niet geheel is hersteld. ^) Niettemin woonde hij op 7 Juli nog een Classicale Vergadering bij. Volgende maand stierf hij. Op zijn ziekbed uitte hij meermalen zijn bekommernis over de ketterijen van Arminius, die bezig waren het kerkelijk leven te verontrusten. Ook smartte het hem uitermate, dat zijn oud-collega Wtenbogaert allengs afzakte naar de „politieken", en positie kiezen ging voor Arminius. Menigmaal riep Helmichius klagelijk uit : O, Wtenbogaert, o Wtenbogaert ! „Als men hem vraechde, D. Helmichi, hoe roept ghij soo seer over Wtenbogaert ? Arminius is immers de principale oorsaeck van dit quaet, seijde hij" daer op : Wat gaat mij Arminius aen ? maer Joannes Wtenbogaert, dien ik soo lief ghehadt hebbe als een Moeder haer Kint datse onder haer herte gedragen heeft, O Wtenbogaert, dat die de Kercke Godes dit verdriet doet !" *) Op 29 Augustus stierf hij, zijn vrouw Elisabeth van Zuylen van de Haer, met wie hij 8 Mei 1580 in het huwelijk was getreden, in diepe droefheid achterlatend. Dat uit dit huwelijk kinderen zijn geboren, blijkt uit een van Helmichius' brieven. Nadere gegevens ontbreken in dit opzicht echter. ^)
(Slot volgt).
D.
d. Z.
1) De academie van Geneve is op 5 Juni 1559 plechtig door Calvijn ingewijd.
2) Calvijn overleed op 27 Mei 1564.
3) Valetudo mea affectior et nondum plane restituta, ex quo Haga redii.
4) J. Trigland, Kerckelijcke Geschiedenissen, Leyden 1650, kol. 347.
5) Eenige literatuur in het volgend artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's