De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

Van God den Schepper.

9 minuten leestijd

De kenteekenen van Gods heerlijkheid, waarop Calvijn de aandacht vestigt zijn niet door hem voor het eerst ontdekt. Dat beweert hij niet en dat wil hij ook niet beweren.
Integendeel, de geschriften van wijsgeeren en dichters toonen duidelijk aan. dat deze aan het verstand der menschen niet voorbijgaan. Calvijn illustreert met verschillende voorbeelden, dat de Grieksche en Latijnsche schrijvers de werking van een goddelijken geest in de schepping hebben opgemerkt. Zij denken aan een goddelijke wereldorde.
Men mag dan ook vrijuit zeggen, dat zulk een gevoelen algemeen is. De gansche oudheid heeft aan de wereld een goddelijken grond en oorsprong toegekend.
Zoó nauw heeft men de wereld met de godheid verbonden geacht, dat men de natuur zelf voor een god hield.
Hiertegen nu treedt Calvijn met kracht op. Dat is natuurvergoding. Wie dat doet, denkt een verborgen god uit, die nergens is te vinden, terwijl de ware God niet wordt gekend.
Heeft Calvijn naar aanleiding van Psalm 104 niet gewezen op de vertolking van de schoonheid der schepping, welke de waarachtige religie verstaat ? Zij is als een schoon gewaad, waarin God zich vertoont. De hemel is als een tent, een teeken Zijner aanwezigheid, een paleis, dat Zijn goddeijke tegenwoordigheid openbaar maakt.
Voorzichtig merkt Calvijn nu op, vanwege die nauwe betrekking van God en Zijn schepping, dat men op godvruchtige wijze wel kan zeggen, dat de natuur God  is. Men verlieze echter de onderscheiding iet uit het oog.
Het gewaad is niet een en hetzelfde met Hem, die er door bedekt wordt, en het paleis is niet een en hetzelfde met zijn bewoner.|
Daarom verliest hij den eerbied uit het oog, dien hij aan God schuldig is, wie de natuur met God vereenzelvigt.
Het beeld van het gewaad is treffend schoon. Het gewaad bedekt en omhult hem, die er zich mede bekleed heeft. Doch anderzijds openbaart het gewaad ook de heerlijkheid van den man, die er in steekt. In onzen tijd ziet men daarvan niet zooveel meer, als in de dagen van Calvijn. In zijn eeuw kon men aan de kleeding gewaar worden, welken staat iemand in het leven innam. Het gewaad was openbaring van iemands staat.
Het was volstrekt niet alleen de gewoonte der geestelijkheid om zich door schoone priesterlijke en bisschoppelijke gewaden te onderscheiden. Ook de militaire en burgerlijke officieren, de leden van de rechterlijke macht, schouten en schepenen waren kenbaar aan hun gewaad. Van de oude schilderijen kan men nog opmerken, met welk een rijke kleedij de edellieden en voorname burgers zich tooiden, terwijl de kleine burger en de handwerkman overeenkomstig zijn werk en stand was aangedaan.
Dit alles is in onze dagen schier verdwenen. Ambtsgewaden worden in het openbaar zelden of nooit gedragen. Onze kleeding is vervlakt tot hetzelfde model.
Wij gaan op dit onderwerp niet verder door. Het is echter een verarming van ons leven. De menschen gevoelen daar ook iets van, want de stad loopt uit, als er een historische optocht is, om nog een glimp van het coloriet op te vangen, waarmede een vroegere eeuw was getooid.
Het gewaad openbaart dus den staat van den man. Zoo openbaart de schepping als het gewaad, waarmede God zich kleedt, Zijn goddelijke heerlijkheid. Zij is de zienlijkheid, waarmede God zich bedekt.
Zoo ziet Calvijn de schepping bij het licht, dat Gods Woord over haar doet opgaan.
Aan dat Woord ontleent hij ook de gegevens voor zijn scherpe en treffende critiek over de bewegingen van het menschenhart. Hij kent de redeneeringen der oude wijsgeeren en hij peilt die tot op den bodem. Uit hun geschriften laat hij zien, dat zij niet blind zijn geweest voor de kenteekenen Gods in de natuur, ofschoon zij tot de ware Godskennis niet zijn opgeklommen.
Er is bij hier wel eenige Godskennis, maar zij gaat met de ware religie niet gepaard. Derhalve begeven zij zich in allerlei speculaties en afgoderijen.
Maar — zoo zal iemand vragen, wat hebben wij met die oude wijsgeeren van doen. Die menschen zijn dood en hun leeringen vergeten.
Pas op, die menschen zijn wel gestorven, maar hun geest leeft nog altijd voort.
Inderdaad is het waar, dat Calvijn niet nalaat de oude scribenten altoos weer ten tooneele te voeren. Dat kon hij vooreerst doen, omdat hij ze kende. En toch heeft hij dat niet gedaan uit geleerde pralerij, maar, omdat hij uit eigen ervaring wist, dat hun leeringen niet waren uitgestorven.
Calvijn heeft goed begrepen, dat de redeneeringen van de oude wijsheid waard zijn gehoord en aan Gods waarheid getoetst te worden. Het is toch duidelijk, dat men daarin aantreft, wat er in het hart van de knapste menschen der oudheid is omgegaan. Uit het hart zijn de uitgangen des levens. En als nu de bespiegelingen van de groote denkers, zoo zij hun geest op de kenteekenen der goddelijke tegenwoordigheid richten, duisternis en superstitie verraden, hoe moet het dan zijn bij den ongeleerden en dommen heiden ?
En dan nog wat anders.
Indien men in de wijsheid der wereld een weerspiegeling mag zien van wat er omtrent de goddelijke dingen in het menschenhart omgaat, kan men dan verwachten, dat onze moderne tijd iets beters zal „voortbrengen, dan de oudheid?
Welnu — dan steekt er in het werk van Calvijn nog een blijvend voordeel.
Hij kon uitteraard niet verder gaan dan tot op zijn tijd. Maar als hij telkens en telkens weer aantoont, dat de waarachtige Godskennis zonder de ware Godsvrucht niet zijn kan, geeft hij daarmede te kennen, dat men die van de wijsgeeren niet leert.
Bedenkt men daarbij, dat de gedachten der ouden nog altoos voortleven in de speculaties van den nieuwen tijd, dan kan men verstaan, dat het ook voor onzen tijdzijn nut kan hebben bij Calvijn op school te gaan.
is dus geenszins een vraag, of de kenteekenen van Gods heerlijkheid in het schepsel zijn en gezien worden. Daaromtrent is geen nader bewijs noodig. Zij zijn er in en buiten den mensch. Zij worden gezien als teekenen van goddelijke macht en heerlijkheid. Dat is ook overeenkomstig het getuigenis der Heilige Schrift. (Rom. 1 vers 20).
Wat heeft dit alles dan te beteekenen ? Hierop heeft Calvijn nu juist willen wijzen. Daar de werken der schepping het levende beeld Gods als in schaduwen afteekenen, ligt daarin de gemeenschappelijke weg voor buitenstaanders en huisgenooten om God te zoeken.
Het werkwoord, dat Calvijn gebruikt en dat wij vertolken als in schaduwen afteekenen, herinnert aan een uitdrukking van een Latijnschen schrijver. Hij spreekt de taal, die de heidensche geleerde koos om zijn indruk te vertolken, als wilde hij doen uitkomen, dat de buitenstaanders die schaduwen opmerken.
De zin van Calvijn's betoog is dus deze: als wij schaduwbeelden zien, zijn daar wezens, die ze afwerpen. Op die schaduwen afgaande, kunnen wij die wezens ontdekken. De schepping vertoont de levende schaduw Gods, dus daarin is een weg om den levenden God te zoeken. Die weg is er voor allen. De aanschouwing van de heerlijkheid en kracht Gods leidt tot het bedenken Zijner eeuwigheid.
Voorts wijst Calvijn op de menschelijke saamleving, op de leiding der Voorzienigheid in ons leven en de wonderen Zijner goedertierenheid. Met nadruk herinnert hij er aan, dat het zwakke en verdrukte vaak het sterkere in deze wereld overwint, als een blijk van de mogenheid Gods.
Hij geeft echter toe, dat slechts weinigen oog hebben voor de deugden Gods, welke Hij daarin openbaart.
Men moet daarom wel verstaan, dat wij tot een kennis van God worden genoodigd, die niet alleen in de hersenen omzweeft en zich verliest in ijdele speculaties, maar tot een zoodanige, die wortelt in het hart en vruchten voortbrengt.
Hij noemt daarbij verschillende Schriftplaatsen, o.a. ook Handelingen 17 vers 27. Wanneer men het verband bestudeert, zal men ontdekken, dat de apostel dezelfde dingen leert.
Zulk een kennis, als Calvijn hier op het oog heeft, waardoor wij Gods heerlijkheid en macht opmerken, zal in de eerste plaats deze vrucht hebben, dat wij worden opgewekt om Hem te eeren. Hij gebruikt hier een woord, hetwelk ook op een uitwendigen eeredienst ziet.
Dit alles heeft echter nog een verdere strekking en beteekenis, n.l. dat men daardoor wordt gewekt tot de hope van een toekomstig leven. Daarmede wordt dus het geloof in God als Verlosser in den Heere Jezus even aangeroerd, waarover hij nog niet zou handelen. Hij opent een hooger perspectief en wil alleen maar doen uitkomen, dat de goedertierenheid Gods nog veel wijder strekt dan tot de openbaring, waarover hij het thans heeft.
Wat is het voordeel, zoo wij de heerlijkheid van het gebouw der schepping opmerken en den Bouwmeester voorbijgaan?
Wat, indien wij wel eens bij de Voorzienigheid bepaald worden in ons leven, om van stonde aan weer in de gedichtselen van ons eigen gemoed te vervallen ?
En toch — hoe verschillend de menschen mogen zijn, — daarin komen wij allen overeen, dat wij van God afwijken, zoowel de gewone man als de begaafde.
Opnieuw vindt Calvijn aanleiding om het philosophenvolk te gispen over zijn dwaasheden in dit stuk. Hij noemt Plato als een der meest religieuse wijsgeeren, die desniettemin geleerd heeft, dat de aarde een wentelende bol is.
Het zal velen verwonderen, dat Calvijn zich heeft gestooten aan deze voorstelling. Dat hangt echter samen met de nieuwe voorstellingen der geleerde heeren van zijn tijd omtrent ons zonnestelsel en de beweging der hemellichamen. De theologen meenden, dat deze in strijd moesten worden geacht met de plaats, die God voor den mensch in de schepping heeft bereid. Vandaar, dat Calvijn Plato, als een der oude leeraren van zulke beginselen, daarover aanvalt.
Met meer recht echter wijst hij op het onvermogen der menschelijke rede om de goddelijke dingen te verstaan. Verschillende voorbeelden uit de Grieksche wijsheid en de Egyptische godenleer haalt hij aan om aan te toonen, dat de mensch met ziin natuurlijk vermogen niet tot een zekere, soliede en onderscheiden kennis komt, maar in verwarde beginselen blijft hangen en een onbekenden God aanbidt.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's