KERKELIJKE RONDSCHOUW
VERMOORDEN VAN HET CHRISTELIJK GELOOF.
Dat is nog erger : het christelijk geloof vermoorden dan een aanval op de Kerk te doen. En in Duitschland, waar men de Christelijke Kerk om hals wil helpen (natuurlijk onder allerlei lieve woordjes) is men tegelijk bezig het Christelijk geloof bespottelijk te maken en uit te roeien.
Zoo gelooft en belijdt de Kerk : de leer van de incarnatie of de vleeschwording des Woords (Joh. 1 vers 14 : „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en we hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van den ééniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid").
Het „Duitsche" geloof (dat anti—kerkelijk en anti-Christelijk is) zegt : dit dogma van de vleeschwording des Woords, n.l. dat Gods eigen en eeniggeboren Zoon mensch geworden is, is uitgedacht door waanzinnige intellectueelen en men heeft er zelf aan toegevoegd „geboren uit de maagd Maria". Neen, zegt het „Duitsche" geloof (door het Nationaal-Socialisme uitgedacht) men moet die „vleeschwording des Woords" heel anders verstaan. Het is eenvoudig dit, dat in een bepaald persoon (Jezus) een bepaalde gedachte naar voren is gekomen en dat die gedachte er ingegaan is bij de menschen, een gedachte, die onder de menschen gestalte heeft aangenomen, die er bij de menschen ingegaan is en „vleesch en bloed" geworden.
Dus : Jezus voorbeeld en ideaal, dat onder ons woont.
Hierbij past een andere stelling : „Kerken zijn niet noodig, maar vroomheid is noodig".
Trotsch getuigt „Das schwarze Korps" Zei-34 tung der Schutzstaffeln der N. S. D. A. P., Organ der Reichsführing" (dus maar niet zoo'n achterafblaadje !) dat dit het Christelijk geloof is en dat deze dingen „opnieuw door Adolf Hitler tot volle bewustheid opgeheven is".
Arm Duitschland.
Hier pleegt men moord. Moord aan het aloude Christelijk geloof.
Men vermoordt het Evangelie der zaligheid. Dat wil men althans.
DE KERK WORDT VERTRAPT
Wie den Duitschen Kerkstrijd volgt, zal dikwijls tegenstrijdige en onbegrijpelijke berichten hebben te verwerken. Maar bij alles is overduidelijk, dat de fascistische Staat in Duitschland, of wil men het Nationaal-Socialisme aldaar, het oogenblik gekomen acht, om nu de Kerk een trap te geven, die de vernietiging van de Kerk bedoelt en den Staat moet maken tot de alléén heerscher op godsdienstig en kerkelijk gebied. Men heeft nu het tafellaken doorgesneden.
Kerkelijke verkiezingen komen er niet. Zoogenaamd, omdat de Kerk zelve er niet op gesteld is !
En de kerkelijke inkomsten uit de schatkist worden nu ook stopgezet.
Zoogenaamd, omdat de Staat nu zelf voor den godsdienst moet gaan zorgen, omdat de Kerk niets doet dan vechten en opstand prediken tegen den Staat !
Omdat de Staat nu zelf dat nieuwe werk, om voor den godsdienst van het volk te zorgen, op zich moet nemen, heeft de Staat het geld noodig, dat anders aan de Kerk werd uitbetaald. En dus wordt de bijdrage uit de schatkist, waarvoor het geld door het belastingbiljet binnen komt, groot 350 millioen, eenvoudig geschrapt en ingehouden en niet meer aan de Kerk uitbetaald, omdat de Staat die miljoenen noodig heeft.
De Regeering geeft voor deze schandelijke maatregel, vol onrecht, de volgende verklaring en verontschuldiging :
„De vrijwillige bijdrage van 350 millioen aan de kerken, dateert uit den tijd, toen deze nog medewerksters van den Staat waren. Daar is nu geen sprake meer van. De Staat moet zelf voor de opvoeding van de burgers zorgen en is de eenige instantie, die daar het recht toe heeft. Hij ontvangt daarbij geen ondersteuning van de Kerk, maar moet nog heel wat meer uitgeven, om zich teweer te stellen tegen de Staatsgevaarlijke immoreele stroomingen uit den boezem van de Kerk".
Een opeenstapeling van leugens en verzinsels. En een aaneenrijging van beleedigingen voor de Kerk. Maar het is duidelijk, waarom het te doen is : het Nationaal-Socialisme gaat een Staatsgodsdienst invoeren, en daarom moet de Kerk van Christus bestolen worden en gemuilkorfd en lamgeslagen. En de Staatsgodsdienst moet voor de Kerk des Heeren in de plaats komen.
Met een mooie redeneering wil de Regeering dit goed praten. Zooals men het in 1816 bij ons ook wilde goed praten, wat de Regeering gedaan heeft met de Kerk.
De mooie redeneering is : de Kerk en de belijdenis der Kerk geeft niets dan verdeeldheid ; het volk wordt verscheurd ; de burgers van één land worden tegen elkaar opgezet, en dat moet leiden tot ondergang van den Staat en berokkent groote schade aan het volk. Daarom moet het uit zijn met die Kerk, die er een belijdenis op na houdt. De Staat heeft zijn eigen geloof aan God. En nu moet er boven de geloofsbelijdenissen, die verdeelen en verscheuren en schade berokkenen, een Staatsgodsdienst komen voor allen, zonder onderscheid. En alle burgers moeten één geloof hebben, door den Staat daarvoor uitgedacht en pasklaar gemaakt.
Vreeselijke tijd voor de Kerk van Christus in Duitschland. Want de schier almachtige fascistische Staat, die zegt, dat de Staat alles is en boven alles gaat, 't koste wat het kost. zal niet rusten alvorens de Kerk murw geslagen is.
Maar wij gelooven nog altijd aan de „on mogelijkheden des geloofs", daar het geloof zegt : de" Heere regeert !
Neen, de Heere laat niet varen de werken Zijner handen en de verhoogde Heiland liegt niet, als Hij zegt : „Ik ben met ulieden".
Voor een almachtige, totale Staat behoort het tot de onmogelijkheden, dat eenige macht tegenover dien Staat bestaan kan. Ook de Kerk zal het moeten afleggen, volgens de fascistische leer.
Maar tot de onmogelijkheden van het geloof behoort óók, dat we belijden : De Heere is zoo getrouw als sterk.
Jezus Christus, Die van den Vader Zelf gezalfd is tot een Koning over Sion, is een eeuwige Koning !
Daarom mogen we de broeders en zusters in Duitschland toeroepen : wanhoopt niet. Houdt Christus Zijne Kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden ; gezeten aan Gods rechterhand, zal Hij haar wel behoeden".
Intusschen heeft de Kerk des Heeren in Duitschland een hangen tijd door te maken. Blijke er iets van „de gemeenschap der heiligen" en ga er geduriglijk een gebed óp voor de bedrukten, die in grooten nood zijn.
Herder Israels, ontferm U over de schapen Uwer weide, die in grooten nood zijn !
OUD ZEER
Bij de Chr. Gereformeerden en ook bij de Gereformeerde Kerken is men bezig weer op te halen, wat we kunnen noemen „oud zeer". En dat is : de verschillende Kerkbeschouwing, waarbij men elkander verdacht maakt en elkaar verwijten doet hooren.
De Chr. Gereformeerde zegt : „Onze Kerk heeft haar standpunt neergelegd in „de Acte van Afscheiding", te Ulrum geteekend door de geloovigen (1834), waarin verklaard wordt, dat het de plicht aller geloovigen" (het ambt der geloovigen, of : hun roeping en schuldige plicht) is : zich van de Ned. Hervormde Kerk af te scheiden „zoolang zij niet tot de leer en den dienst der Vaderen teruggekeerd is". Men meent, dat dit de plicht is der geloovigen, omdat in de Hervormde Kerk leervrijheid toegestaan is, waarmee practisch niemand aan de geloofsbelijdenis gebonden is".
De Doleerenden van 1886 hadden een ander standpunt in deze ; wat de Chr. Geref. Kerk, die toen reeds langer dan 50 jaar bestond, betreurde, omdat zij zoo graag gewild had, dat de Doleerenden een onderdak hadden gezocht bij de reeds bestaande afgescheidene Gereformeerde Kerk, die in de vrijheid, waarnaar men snakte, deelen mocht. De deur stond open
Maar de Doleerenden van 1886 hadden een ander standpunt in deze.
De Doleerenden bedoelden aanvankelijk in de Ned. Hervormde Kerk, die voor hen als zoodanig niet de valsche Kerk was, te blijven, maar zonder zich dan aan de Besturen te storen.
Zij wilden wel de Hervormde Kerk, maar niet de Kerkelijke Organisatie. De Organisatie wilden ze afschudden, om dan Hervormd te blijven wat natuurlijk op een fiasco is uitgeloopen. En zoo kwam men in 1886 toch buiten de Hervormde Kerk te staan. Men schudde de Organisatie af, maar men was — natuurlijk — toen ook de Hervormde Kerk kwijt. En men stond op straat.
Maar juist dat laatste namen de Afgescheidene Kerken, die reeds 50 jaar bestonden, hoogst kwalijk ; want er bleek uit, dat de Doleerenden die Afgescheidene Geref. Kerken niet erkennen wilden als Gereformeerde Kerken. Anders zouden ze natuurlijk zóó naar die gereformeerde Kerken overgegaan zijn. O ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat kinderen van hetzelfde huis als broeders en zusters samenwonen !
De Doleerenden vormden eigen zelfstandige Kerken En verloochenden daardoor de ware Kerk.... der Afgescheidenen.
Men gebruikte toen wel het beeld van „een buiten huwelijk geboren kind". De Doleerende Kerken waren eigenlijk „tegenkerken". Maar, nu het kind, zij 't buiten huwelijk geboren, er eenmaal was, nu wilde men dat kind toch wel gaan erkennen, zij 't, dat „de ontucht van zijn geboorte" daarmee niet verviel en geenszins kon worden gesanctionneerd.
Doch met dat al was er na 1886 de abnormale toestand dat twee openbaringen van het lichaam van Christus, beide zich vertoonden als „Gereformeerde Kerk". En 1834 verweet 1886, terwijl 1886 verwijten richtte tegen 1834 !
Toen de Doleerenden niet naar de Christelijk Afgescheidene-Kerk wilden gaan, begonnen ze te spreken over „de zondige gedeeldheid". Zelf moesten zij, naar het bevel van Christus, zich voegen bij de ware bestaande Kerk (de Chr. Gereformeerde Kerk sinds 1834, die de Hervormde Kerk als de valsche Kerk veroordeelde). Maar dat wilden ze niet. En nu sprekend over „de zondige gedeeldheid", werden de Chr. Gereformeerden uitgenoodigd tot vereeniging en samensmelting, waarbij, naar het oordeel van velen, de Chr. Gereformeerden het gelag moesten betalen en . er met hun kerkelijk standpunt, met hun Kerkformatie, met hun Opleidingsschool, enz. enz. heelemaal onder door moesten !
Men heeft tenslotte 't verschil voor „ieders rekening" gelaten ! om z'n éénheid te belijden in leer en Kerkregeering. Van de Doleerenden werd toen geëischt, dat zij zouden verklaren niet alleen met de besturen der Hervormde Kerk te hebben gebroken (1886), maar óók met de leden in corporatieven en plaatselijken zin. Dat werd door de Doleerenden (in 1892) aanvaard, al mocht daarmee „natuurlijk" niet worden prijs gegeven, dat men een roeping heeft ten opzichte van de achtergeblevenen in de Hervormde Kerk. Die moeten er óók uitgelokt en uitgetrokken worden naar de ware Gereformeerde Kerk, die afgescheiden van de Hervormde Kerk staat
Twee stelsels zijn dus in 1892 dooreen gemengd, waarbij de Chr. Gereformeerden of Afgescheidenen hun bezwaren noemden en ze ook zagen erkend, althans voor een deel, maar zóó, dat practisch het beginsel der Doleerenden van 1886 het heeft gewonnen.
In 1892 werd tegen de bezwaren in van de predikanten Wisse Sr., Van Lingen e.a.) verklaard „dat Scheiding en Doleantie overeen gekomen waren, dat verbreking van de kerkelijke gemeenschap met bestuur en leden van het Ned. Hervormde Kerkgenootschap noodzakelijk is".
Dat is schijnbaar dus een overwinning van het beginsel der Afscheiding ; maar tot' op vandaag voelen de Chr. Gereformeerden het anders aan, en spreken over het jaar 1892 als een verloochening van het beginsel van 1834, omdat dr. Kuyper — zeggen de Chr. Gereformeerden — de Chr. Gereformeerde Kerk van 1834 nooit erkend heeft als „een wettige openbaring van het lichaam van Christus", want immers de Doleerenden hebben met de daad bewezen, dat zij zich niet bij die „ware Kerk" wilden voegen, wat toch naar luid van Artikel 28 Ned. Geloofsbelijdenis hun schuldige plicht zou zijn geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's