De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

13 minuten leestijd

Het kort begrip van de behandelde zaken komt dus hierop neer, dat de mensch naar de orde zijner schepping tot kennis van God den Schepper is geroepen en bekwaam, zoodat hij vermocht Gode eere te brengen uit Zijn werken.
Zoolang Adam deze roeping verstond en volbracht, werd de Heere — overeenkomstig de vrome spreekwijze — uit Zijn eigen werk verheerlijkt.
De mensch heeft zich echter van die uitnemende gaven beroofd en werd van God vervreemd, zoodat hij in het boek der schepping niet meer vermag te lezen. Wel wordt hij de schaduw van Gods heerlijkheid gewaar, maar hij tast als een blinde naar den wand en is niet bij machte God te vinden:
Zelfs de meest begaafde mensch verliezen zich in ijdele bespiegelingen. De mensch leeft zonder God in de wereld, zoolang hem het licht des Woords niet is opgegaan.
Met vele voorbeelden uit de Heilige Schrift wordt dit bevestigd. Zoo zegt Paulus, dat de Efeziërs zonder God in de wereld waren, totdat zij uit het Evangelie geleerd hadden den waren God te dienen. (Efeze 2:12). In verband met Rom. 1 : 21
verklaart Calvijn, dat zulks niet alleen van de Efeziërs, maar in het algemeen geldt. Dit wordt ons met andere plaatsen toegelicht, o.a. Hab. 2 : 18, Joh. 4 : 22, 1 Cor. 2 : 8, Joh. 4 : 22.
Hij heeft daarmede een nieuw hoofdstuk ingeleid, waarin hij wil aantoonen, dat de gevallen mensch tot den Schepper niet komt, tenzij hij door de Heilige Schrift geleid wordt.
Wij willen hem ook daarbij volgen, maar, opdat het gewicht van deze dingen klaarder worde onderscheiden, komt het ons nuttig voor uit de geschiedenis van onzen tijd enkele zaken naar voren te halen en in het licht van de door Calvijn ontwikkelde beginselen te plaatsen.
Wij hebben dan het oog op den kerkelijken strijd in Duitschland.
In de afgeloopen week hebben de dagbladen melding gemaakt van een artikel „Aan de Kerken", hetwelk de bedoelingen van den minister Kerrl nader wil toelichten.
Wanneer die inlichtingen juist zijn, kom.t het daarop neer, dat men drieërlei verhouding van Kerk en Staat als mogelijk onderstelt : De Kerk heerscht over den Staat (middeleeuwsche toestand). De Kerk werkt op één plan met den Staat samen (na de hervorming). Scheiding van Kerk en Staat.
Dit laatste wordt een product van uitheemschen oorsprong genoemd, waarvoor het Duitsche volk ongeschikt wordt geacht.
Voor den nationaal-socialistischen staat, zoo deelt men mede, is er slechts één oplossing n.l. die, welke Frederik de Groote kenmerkend zou hebben uitgedrukt in zijn leuze : ,, In mijn rijk moet iedereen op zijn wijze zalig worden".
Het schijnt, dat men de kerken wil beschouwen als particuliere inrichtingen, die zich met de zielezorg belasten, althans voor degenen, die zulk een „bemiddelaarschap" wenschen.
Wij komen daarop nog terug.
Staan wij echter eerst stil bij het zooeven aangehaalde woord van Frederik den Groote, een van de zoogenaamde verlichte despoten uit den tijd der verlichtiging „Ieder op zijn wijze zalig worden".
Het woord is veelzeggend. Vooreerst wijst het kenmerkend op het menschelijk streven om zalig te worden.
Wij hebben daarover in het begin reeds een opmerking gemaakt. De mensch wil zalig worden.
Niemand kan ontkennen, dat het Evangelie komt met de blijde boodschap der verlossing en derhalve met de verkondiging van den weg der zaligheid in Jezus Christus. Zacharias zingt van de zaligheid : „om zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden", en Simeon looft den Heere : „want mijne oogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren".
Wij zijn in de adventsdagen.
Kerstfeest staat voor de deur.
Een en ander moge aanleiding zijn, bij deze dingen even stil te staan.
Het is een merkwaardig verschijnsel, hetwelk ons ieder jaar weer opnieuw kan treffen, als wij acht geven op den kring der kerkelijke feestdagen. Het Kerstfeest is het meest populaire feest, als wij dat zoo mogen noemen.
Veel minder is de belangstelling voor het Paaschfeest. De opstanding van den Christus maakt scheiding. Velen vergenoegen zich met de gedachte aan de herleving in de natuur en staan bij het wonder der genade, in den Christus geschonken, niet meer stil.
Het Pinksterfeest moge velen een paar welkome vrije dagen bezorgen, maar hoe klein is het getal dergenen, die zich verheugen in den verborgen omgang des Heiligen Geestes. Het Pinksterfeest is het feest der innerlijkheid en in bijzonderen zin heilig.
Kerstfeest daarentegen is niet minder der wereld dan der Kerk ge­ een feest worden.
Alles viert Kerstfeest, al is het ook op zijn wijze. Men wordt het gewaar in de straten van de stad, op plein en station, in warenhuis en op de plaatsen van vermaak. Overal verschijnt het sprookjesachtige van sparregroen, rood, zilver en kaarsjeslicht.
Het Kerstsprookje — helaas — voor velen niet meer dan een sprookje.
Maar dan toch nog een sprookje, ook voor de groote menschen.
Waarom toch willen de groote, wijze menschen, nog even hooren van het Kindeke in de kribbe ?
Hoe komt het, dat zij steelsgewijze een traan wegpinken uit het oog, als blijde kinderstemmetjes zingen van Stille nacht, heilige nacht?
Zeker, de wereld viert ook Kerstfeest mede.
Zij doet het op haar wijze. Zij steekt het in haar vormen. Zij drukt het uit in haar eigen symboliek : een droom van onsterfelijkheid, een heimwee naar verlossing, een onderdrukte klacht van haar ellende.
De wereld viert ook haar Kerstfeest mede en grijpt het aan om voor een oogenblik de zorgen te vergeten.
Het gaat voorbij als een sprookje. Zijn glans vergaat met den dorrenden kerstboom, die straks wordt uitgeworpen.
In dit alles is echter ook werkelijkheid. Diep in het menschenhart woont de smart onzer ellende. De donkere schaduw des doods hangt over ons leven — en een zucht naar verlossing stijgt uit de wereld op.
Simeon profeteert van de zaligheid, die God bereid heeft voor het aangezicht van al de volken. Hij zag het, dat al de volken er iets van zouden zien, dat zij het moesten zien, omdat hij wist, dat door de volkerenwereld werd uitgezien naar een Messias.
De heerlijkheid van Bethlehem gaat aan de wereld niet gansch voorbij, want God heeft de zaligheid bereid voor het aangezicht van alle volken.
Het is daarmede als met de heerlijkheid Gods, die van de werken der schepping uitgaat.
Ook deze gaat aan de wereld niet ganschelijk voorbij.
En toch verstaat zij het niet.
Immanuël, God met ons. Zie, het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van den Eeniggeborenen des Vaders, vol van genade en waarheid.
Geen sprookje — geen mythe, maar klare werkelijkheid.
Simeon verwachtte ook.
En toen hij het Kindeke uit de armen van Zijn moeder nam om het den Vader voor te stellen, als een levend orgaan van den Heiligen Geest, riep hij niet alleen: „mijne oogen hebben Uw zaligheid gezien", maar nam ook het verlangen de overhand om in Zijn zaligheid in te gaan.
Het is dus gansch niet vreemd, dat de mensch zaligheid zoekt onder de vleugelen des Woords en dat de verlossing in Christus Jezus in het centrum der prediking en des geloofs kwam te staan.
Het is ook niet vreemd, dat de weg der zaligheid aan de Kerk werd verbonden. Haar roeping is het om dien weg te verkondigen. Predikt het evangelie, de goede, de blijde boodschap der verlossing, aan alle creaturen. Dat is het bevel van den Zaligmaker aan Zijn discipelen.
Die prediking ging door de wereld en de Heilige Geest wrocht mede. Waar Woord en Geest hun wondere kracht openbaarden, werd het geloof werkzaam. Waar geloof was, was gemeenschap der heiligen. Daar werd de Kerk des Heeren openbaar, als een heilige vergadering van ware Christgeloovigen, allen hun zaligheid in Christus verwachtende.
(Art. 27 Ned. Gel. belijdenis).
Niet zoo heel lang heeft het geduurd of men kende aan de uitwendige kerkgemeenschap toe, wat de Heilige Schrift verklaart van Jeruzalem, dat boven is. (Gal. 4), n.l. dat zij is ons aller moeder. „Wie de Kerk niet tot een moeder heeft, kan God niet tot een Vader hebben", werd een bekende spreekwijze.
Wanneer twee echter hetzelfde zeggen, is het nog niet hetzelfde. Dat geldt ook van dit woord. De Roomsche zal dat zoo opvatten, dat men onder de vleugelen van kerk en priesterdom moet verkeeren, om de zaligheid deelachtig te kunnen worden.
Als Calvijn het zegt, ziet hij op het lichaam van Christus, Jeruzalem dat boven is, die onzienlijke werkelijkheid van een geestelijke gemeenschap.
Niettemin is het Protestantisme niet vrij gebleven van de neiging om in de uitwendige kerk een instituut der zaligheid te zien.
Wij gaan op de theologische verschilpunten niet in, die een en ander kunnen verklaren, maar de historie heeft geleerd, dat het Lutheranisme die neiging in sterkere mate vertoont dan het Calvinisme.
Het is waar, dat de reformatoren het eens waren in het stuk der rechtvaardigmaking en dat dit stuk in den tijd der reformatoren bovenal op den voorgrond stond. De zaligheid uit genade, door het geloof alleen, en niet uit de wecken, was de allesbeheerschende tegenstelling met de Roomsche practijk en leer.
Hoe vind ik een genadigen God in den hemel, was de dringende levensvraag bij Luther, die weerklank vond bij velen.
Waar de zaligheid zoozeer op den voorgrond trad en — dat bedenke men daarbij — zoozeer als een persoonlijke zaak, gelijk zij ook is, werd ontdekt, is het begrijpelijk, dat men behoefte had aan de zekerheid des geloofs, om vrede te vinden voor zijn arme ziel.
De strijd om de zekerheid des geloofs is ook Luther niet vreemd geweest. En daar kan men inkomen, als men inziet, dat de zoekende en worstelende zielen allen uitwendigen steun van kerk en priester zagen wegvallen, om het te wagen met God en Zijn Woord, gelijk de Heilige Geest dat geeft te verstaan.
Niet allen waren even ver gevorderd in de leerschool des geloofs. Niet allen waren ook zulk een persoonlijk geestelijk leven deelachtig.
Velen voegden zich bij de kerk, zonder nog deel te hebben aan de waarachtige gemeenschap der heiligen.
Er ware nog meer te noemen, maar een en ander is voldoende om te doen verstaan dat daarin aanleiding was om in de uitwendige genademiddelen en het kerkelijk instituut een grond tot zaligheid te zoeken, die alléén in den Christus zijn kan.
Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat men de zaligheid buiten de kerk moet zoeken. Het beteekent echter wèl, dat de kerk niet zalig maakt.
Ook onze belijdenis verklaart terecht, dat ieder schuldig is zich bij de kerk te voegen. Iedereen doet dat helaas niet, zooals wij in onzen tijd heel duidelijk zien. En toch is het volkomen juist, dat iedereen schuldig is zich bij haar te voegen. Waarom dit juist is en een eisch der gehoorzaamheid, kunnen wij van Calvijn leeren.
Daartoe is het nu zoo noodig, dat hij ons bepaalt bij den staat van Adam in rechtheid. Daarom ook spreekt hij eerst over de kennis van God den Schepper. Deze volgt immers uit de orde van onze natuur, d. i. uit de orde van onze schepping.
En wat is nu de beteekenis daarvan ? Dit, dat wij ons, ondanks onzen val, niet los kunnen maken van den eisch, die uit de orde van onze schepping volgt, n.l. dat wij God zullen kennen als onzen Schepper, Hem in afhankelijkheid erkennen en in gehoorzaamheid eeren.
Die eisch ligt op alle menschen, of zij het weten willen of niet.
Krachtens dien eisch zijn wij allen schuldig ons onder het Woord te voegen, dat Hij in Zijn genade heeft gegeven.
Calvijn vergelijkt dat bij een bril, die God ons heeft gegeven, opdat onze verduisterde oogen de kenteekenen Zijner openbaring zouden lezen en Hem kennen, gelijk Hij gekend wil zijn. In de Heilige Schrift ziet Calvijn dus ook een middel, waardoor wij tot zuivere kennis van God den Schepper kunnen komen.
Anders gezegd. Nu door de zonde de kennis uit de orde onzer natuur verduisterd en verdorven is, komt God ons te hulp door Zijn Woord.
Dat zulk een opgehelderde kennis door Zijn genade ook een trap in de kennis tot zaligheid kan zijn, is een voorrecht voor degenen, voor wie dat is weggelegd.
Maar, — uit het gezegde volgt ook, dat de Dienst des Woords nog een andere roeping vervult dan die, welke de zaligheid der uitverkorenen alleen zou betreffen.
Het Woord roept den mensch ook tot de orde zijner schepping en heeft daarin een algemeene strekking, opdat God als Schepper gekend en geëerd wordt.
De kerk als verkondigster van 't Woord kan niet tevreden zijn met de plaats, die de menschen aan haar willen geven als een soort heilsinstituut. Dan zou zij dus een vergadering zijn voor degenen, die zaligheid zoeken, en van haar verwachten, terwijl de anderen haar straffeloos zouden kunnen veronachtzamen.
Uit kracht van den eisch, door Calvijn ontwikkeld, heeft ook de samenleving als geheel met den dienst des Woords te maken. Daarom kan de Overheid niet onverschillig daartegenover staan. In tegendeel, wijl zij om der zonde wil is ingesteld, brengt haar roeping mede, acht te geven op de genade Gods, die zich in het Woord openbaart en Zijn wil bekend maakt.
Op het standpunt, dat Calvijn als het Schriftuurlijke verdedigt, heeft de kerk op deze dubbele roeping te letten, opdat zij de gansche natie tot de kennisse van God den Schepper opwekke en leere Hem in erkentenis te houden.
Daardoor wordt tegelijkertijd de weg geplaveid tot de kennis der zaligheid in Jezus Christus.
Wanneer de kerk zich van die roeping bewust blijft, kan zij zich niet tot een particuliere inrichting van zielezorg ter zaligheid afzonderen, of in een hoek laten zetten. Zulk een opvatting kan slechts schade brengen aan het leven der geheele natie. Indien daarenboven het kerkelijk leven in velerlei twistende groepen uiteenvalt, is er nog te meer aanleiding, dat het volksbewustzijn vervreemd wordt van den eisch der kennisse en der eere Gods.
Op die wijze wordt men in de gedachte gesterkt, dat godsdienst een privé aangelegenheid zou zijn, die het publieke leven niet raakt.
Volgens 't meergenoemde artikel schijnt men het in Duitschland in die richting te willen drijven. Met dien verstande, dat de Staat, zonder zich aan eenige kerkelijke confessie te binden of zich daarnaar te reguleeren, nog een soort algemeene godsdienst wil creëeren. De kerken zouden zich immers gekenschetst hebben als particuliere vereenigingen van predikanten, theologen en kerkelijke ambtenaren, welke aan degenen, die daar prijs op stellen, een bemiddelaarschap tot God aanbieden.
Zooals gezegd, werd een en ander aan de dagbladen ontleend en wij laten het als zoodanig voor wat het is, maar het werpt toch een eigenaardig licht over de toestanden.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's